Boekbespreking: Licht
op het Pad & Door de Gouden Poort, een nieuwe vertaling
van Light on the Path & Through the Gates of Gold opgeschreven
door Mabel Collins, TUPA, Den Haag, 1999, isbn 9789070328504, gebonden.
Het meest opmerkelijke boek met raadgevingen op het gebied van de mystiek
sinds Licht op het Pad werd geschreven, is zojuist verschenen
onder de veelbetekenende titel Door de Gouden Poort. Hoewel de
naam van de schrijver ervan niet wordt onthuld, zal de onderzoeker van
het occultisme snel zien dat het uit een verheven bron moet komen. In
bepaalde opzichten kan het boek worden beschouwd als een commentaar op
Licht op het Pad. De lezer doet er goed aan dit te bedenken.
Veel dingen in dat boek zullen duidelijk worden door dit boek te lezen,
en men zal voortdurend aan dat werk worden herinnerd, dat al tot de klassieken
van onze literatuur is gaan behoren. Door de Gouden Poort is
een werk dat voortdurend klaar moet liggen om te bestuderen en na te slaan.
Het zal ongetwijfeld tot de standaardwerken van de theosofie gaan behoren.
De ‘Gouden Poort’ geeft de toegang weer tot het gebied
van de ziel dat onkenbaar is door middel van fysieke waarnemingen, en
het doel van dit werk is om enkele van de stappen aan te geven die noodzakelijk
zijn om de drempel ervan te bereiken. Door de bijzondere schoonheid
van zijn stijl en de helderheid van zijn uitspraken zal het een breder
publiek aanspreken dan de meeste theosofische boeken. Het spreekt tot
de westerse wereld in zijn eigen taal, en daarin ligt veel van de waarde
ervan.
Degenen onder ons die hebben verlangd naar iets ‘praktisch’
zullen dat erin vinden, terwijl het waarschijnlijk in handen van duizenden
zal komen die weinig of niets van theosofie weten, en dus voorzien in
diepgevoelde maar niet uitgesproken behoeften. Er zijn ongetwijfeld
ook velen, zo denken we, die door zijn onweerstaanbare logica een heel
stuk zullen worden meegevoerd in de bladzijden ervan tot ze iets tegenkomen
dat een plotselinge schok betekent voor enkele van hun oude opvattingen,
waarvan ze dachten dat deze stevig waren gefundeerd – een schok
die ervoor kan zorgen dat ze verschrikt terugdeinzen, maar waarvan ze
niet gemakkelijk zullen herstellen, en waardoor ze waarschijnlijk serieus
aan het denken worden gezet.
De titels van de vijf hoofdstukken van het boek zijn respectievelijk
‘Het zoeken naar genot’, ‘Het mysterie van de drempel’,
‘De eerste poging’, ‘De betekenis van pijn’
en ‘Het geheim van kracht’. In plaats van te speculeren
over de mysteries die helemaal aan het einde van de bestemming van de
mens liggen, en waarover op geen enkele manier kan worden gespeculeerd,
neemt het boek heel verstandig datgene ter hand wat direct voor ons
ligt, dat wat de eerste stap vormt die we moeten nemen als we ooit een
tweede zouden willen zetten, en leert ons de betekenis ervan. Aan het
begin moeten we leren omgaan met zintuiglijke gewaarwordingen en de
aard en betekenis ervan leren kennen. Een belangrijke lering van Licht
op het Pad is door velen verkeerd opgevat. Er wordt niet van ons
verlangd om zintuiglijke gewaarwording te doden, maar om ‘het
verlangen naar zintuiglijke gewaarwording te doden’,
en dat is iets heel anders. ‘Zintuiglijke gewaarwording, zoals
die tot ons komt via het stoffelijk lichaam, verschaft ons alles wat
ons ertoe brengt in die verschijningsvorm te leven’, zegt dat
werk. Het probleem is om daaruit de betekenis die ze voor ons heeft
te distilleren. Daar is het bestaan voor. ‘Als de mens maar een
ogenblik zou willen stilstaan en zich afvragen welke lessen hij heeft
geleerd van genot en pijn, dan zou men veel te weten kunnen komen over
dat vreemde iets dat deze gevolgen teweegbrengt.’
‘De vraag over de schijnbaar onkenbare resultaten, die over het
leven voorbij de Poort’, wordt voorgelegd als een die door de
eeuwen heen is gesteld, en die opkomt op het moment ‘dat de bloem
van de beschaving tot volle bloei was gekomen en wanneer zijn bloembladen
nog maar losjes werden bijeengehouden’, de periode waarin de mens
de grootste fysieke ontwikkeling van zijn cyclus heeft bereikt. Dan
wordt in de verte een grote schittering gezien, en ten overstaan daarvan
slaan velen hun ogen verward en verblind neer, hoewel er nu en dan iemand
wordt gevonden die dapper genoeg is om ze vast gericht te houden op
die schittering, en om iets te ontcijferen van de vorm ervan. ‘Dichters
en filosofen, denkers en leraren – al degenen die de ‘oudere
broeders van de mensheid’ zijn – hebben van tijd tot tijd
dit beeld aanschouwd en enkelen van hen hebben in de verbijsterende
schittering de contouren van de Gouden Poort herkend.’
Die Poort verleent ons toegang tot het heiligdom van de eigen natuur
van de mens, tot de plaats vanwaar zijn levenskracht komt, en waar hij
priester is van het altaar van het leven. Er wordt ons gezegd dat er
slechts een sterke hand voor nodig is om hem open te duwen. ‘De
moed er binnen te gaan is de moed om de uithoeken van zijn eigen natuur
te onderzoeken, zonder angst en zonder schaamte. In het zuivere deel,
de essentie, het aroma van de mens, is de sleutel te vinden die deze
grote Poort ontsluit.’
De noodzaak om het gevoel van afgescheidenheid te doden wordt zwaar
benadrukt als een van de belangrijkste factoren in dit proces. We moeten
ons losmaken van de illusies van het materiële leven. ‘Maar
als we willen spreken met hen die de Gouden Poort hebben beproefd en
deze hebben opengeduwd, dan is het hard nodig – zelfs essentieel
– de zaken uit elkaar te houden en niet de verwarring van de slaap
in ons leven te halen. Als we dat doen, worden we als gekken beschouwd
en vallen we terug in de duisternis waar de enige vriend chaos is. Deze
chaos volgde op elke inspanning van de mens die in de geschiedenis is
beschreven; na de bloei van de beschaving valt de bloem af en sterft,
en winter en duisternis vernietigen haar.’ In deze laatste zin
wordt het doel van de beschaving aangegeven. Het is de bloei van een
ras, met als doel bepaalde geestelijke vruchten voort te brengen; als
deze vruchten zijn gerijpt, begint de degeneratie van het grote residu
om telkens weer te worden bewerkt in het grote fermentatieproces van
de reïncarnatie. Onze grote beschaving bloeit nu en dit feit laat
zien waarom er buitengewone inspanningen nodig zijn om het zaad van
de mystieke leringen te zaaien waar de geest van de mens ook maar gereed
is om het te ontvangen.
In het ‘Mysterie van de drempel’ wordt ons gezegd dat ‘alleen
hij die de mogelijkheden van zowel de wellusteling als de stoïcijn
in zich heeft, kans maakt door de Gouden Poort naar binnen te gaan.
Hij moet elke vreugde die het bestaan te bieden heeft tot in het kleinste
detail kunnen toetsen en op zijn waarde schatten; en hij moet in staat
zijn zich elk genoegen te ontzeggen, en wel zonder door die ontzegging
te lijden’.
Het feit dat de weg per individu verschilt, wordt schitterend tot uitdrukking
gebracht in ‘De eerste poging’, met de woorden dat de mens
‘op een punt waar dit voor hem het gemakkelijkst is de schaal
die hem in duisternis houdt kan openbreken, en de sluier die het eeuwige
voor hem verbergt kan verscheuren; heel vaak bevindt dit punt zich waar
hij het het minst verwacht’. Hierdoor kunnen we zien hoe nutteloos
het is om voor deze zaak willekeurige wetten vast te stellen.
De betekenis van die belangrijke woorden, ‘alle sporten zijn
nodig om de ladder samen te stellen’, wordt hier rijkelijk geïllustreerd.
De volgende zinnen zijn bijzonder veelzeggend: ‘Geest is niet
een gas dat door materie is geschapen, en wij kunnen onze toekomst niet
scheppen door met geweld één stoffelijk middel te gebruiken
en de rest buiten beschouwing te laten. Geest is het grootse leven waar
materie op rust, zoals de wereld van de rotsen rust op de vrije en vloeiende
ether; telkens wanneer we onze beperkingen kunnen doorbreken, bevinden
we ons aan die wonderbare oever waar Wordsworth eens de glans van het
goud zag.’ Omdat de deugd tot het materiële leven behoort,
kan de mens deze niet met zich meenemen, ‘toch is het aroma van
zijn goede daden een heel wat lieflijker offer dan de geur van misdaad
en wreedheid’.
‘Bij hem die de gouden klink heeft gelicht wordt de bron van
zoete wateren, de bron waaraan alle zachtheid ontspringt, aangeboord
en wordt deel van zijn erfgoed. Maar voordat deze bron kan worden bereikt,
moet een zware last van het hart worden gewenteld, een ijzeren staaf
die op hem drukt en hem verhindert zich krachtig te verheffen.’
De schrijver wil hier laten zien dat er lieflijkheid en licht in het
occultisme is, en niet alleen maar een droog niveau van verschrikkelijk
karma, zoals waarover sommige theosofen geneigd zijn uit te weiden.
En deze lieflijkheid en dit licht kunnen worden bereikt wanneer we de
ijzeren staaf ontdekken, en als we deze oplichten kan het hart worden
bevrijd. Deze ijzeren staaf wordt door de hindoes de ‘knoop van
het hart’ genoemd! In hun geschriften spreken ze over het losmaken
van deze knoop, en ze zeggen dat wanneer dit is volbracht vrijheid nabij
is. Maar wat is de ijzeren staaf en de knoop? Die vraag moeten we beantwoorden.
Het is de samentrekkende macht van het zelf – van egoïsme
– van het idee van afgescheidenheid. Dit idee heeft vele verdedigingslinies.
Het houdt zijn meest geheime hof en diepste beraadslagingen in de ver
verwijderde diepten en het centrum van het hart. Maar het manifesteert
zich het eerst op die plaats die het dichtst bij onze van onwetendheid
getuigende waarnemingen ligt, waar we het het eerst zien als onze zoektocht
is begonnen. Wanneer we het aanvallen en overwinnen verdwijnt het daar.
Het heeft zich slechts teruggetrokken tot de volgende rij stellingen
waar het tijdelijk buiten ons gezichtsveld ligt, en we ons verbeelden
dat het is gedood, terwijl het lacht om onze denkbeeldige overwinningen
en ons gevoel van veiligheid. Al snel vinden we het en overwinnen het
opnieuw, alleen om het zich opnieuw te zien terugtrekken. We moeten
het dus achtervolgen als we het tenslotte willen grijpen in zijn laatste
stelling vlakbij de ‘kern van het hart’. Daar is het ‘een
ijzeren staaf geworden die op het hart drukt’, en alleen daar
kan de strijd werkelijk worden gewonnen. Die discipel is gelukkig die
langs alle zogenaamde uiterlijke citadels kan afdalen en in één
keer de persoonlijke duivel die de ijzeren staaf vasthoudt,
kan grijpen en daar strijd kan leveren. Als die daar wordt gewonnen,
is het gemakkelijk terug te keren naar de meer afgelegen plaatsen en
deze tot capitulatie te dwingen. Dit is om vele redenen heel moeilijk.
Het is niet alleen een gegoochel met woorden om over deze beproeving
te spreken. Het is iets levends en tastbaars dat iedere werkelijke onderzoeker
kan leren kennen. De grote moeilijkeid om zich onmiddellijk te storten
op het centrum ligt in de onvoorstelbare verschrikkingen die de ziel
op haar korte reis daarheen bestormen. Omdat dit zo is, is het beter
de strijd te beginnen aan de buitenkant op de manier die in het boek
Licht op het Pad wordt aangegeven, door de ervaring te toetsen
en ervan te leren.
In de geciteerde regels probeert de schrijver de ogen van een heel
materialistisch tijdperk te richten op het feit, voor alle leerlingen
van het occultisme een geaccepteerd feit, dat het ware hart van de mens
– dat zichtbaar wordt weergegeven door de hartspier – het
brandpunt is voor de geest, voor kennis, voor macht; en dat vanuit dit
punt de samengekomen stralen zich als een waaier beginnen te verspreiden,
tot ze het hele universum omvatten. Dit is dus de Poort. En precies
op die neutrale plaats van concentratie zijn de zuilen geplaatst en
de deuren bevestigd. Daarachter brandt het glorieuze gouden licht, en
geeft een ‘schitterende gloed’. We vinden hier dezelfde
leringen als in de Upanishads. De laatstgenoemde spreken over ‘de
ether die in het hart is’, en zeggen ook dat we voorbij die ether
moeten gaan.
‘De betekenis van pijn’ wordt benaderd op een manier die
een groot licht werpt op het bestaan van dat wat eeuwenlang veel geleerde
mensen heeft verbijsterd. ‘Pijn prikkelt, maakt mild, is slopend
en vernietigend. Van voldoende afstand bekeken schijnt ze beurtelings
als medicijn, als mes, als wapen en als gif op te treden. Ze is duidelijk
een instrument, iets dat wordt gebruikt. We willen ontdekken wie de
gebruiker ervan is; welk deel van ons eist dat ze aanwezig is, iets
dat overigens zo onaangenaam is?’
De opdracht is om boven lijden en genot uit te komen en ze ten dienste
van ons te verenigen. ‘Lijden en genot staan apart en gescheiden,
evenals de twee seksen; door de versmelting, door de twee tot één
te maken worden vreugde en intense gewaarwording en totale vrede verkregen.
Waar er geen mannelijk of vrouwelijk is, lijden noch genot, overheerst
de god in de mens en dan is er werkelijk leven.’
De volgende passage moet veel goede mensen haast wel verbijsteren:
‘Het lot, het onvermijdelijke, bestaat inderdaad voor de mensheid
en voor het individu; maar wie kan dit bepalen behalve de mens zelf?
Er is in de hemel of op aarde geen aanwijzing voor het bestaan van een
voorbeschikker anders dan de mens die lijdt of vreugde heeft door wat
is voorbestemd.’ Maar kan een oprechte onderzoeker van de theosofie
dit ontkennen, of er bezwaar tegen maken? Is het niet een zuivere omschrijving
van de wet van karma? Stemt het niet volmaakt overeen met de leer van
de Bhagavad Gita? Er is ongetwijfeld geen macht die zich terzijde
houdt zoals een rechter in een rechtbank, en ons beboet of beloont voor
deze misstap of die verdienste; we zijn het zelf die onze eigen toekomst
scheppen of onze bestemming bepalen.
God wordt niet ontkend. De paradox dat er een god bestaat in ieder
mens wordt duidelijk als we inzien dat ons gescheiden bestaan een illusie
is; het stoffelijke, waardoor we gescheiden individuen zijn, moet uiteindelijk
wegvallen, waardoor ieder mens één blijkt te zijn met
alle mensen, en met god, die het oneindige is.
En de passage die ongetwijfeld in brede kring verkeerd zal worden begrepen
is die in ‘Het geheim van kracht’. ‘Religie houdt
een mens af van het pad, belet hem vooruit te gaan om verschillende,
heel duidelijke redenen. Ten eerste maakt ze de wezenlijke fout om goed
en kwaad van elkaar te onderscheiden. De natuur kent zo’n onderscheid
niet.’ Religie is altijd door mensen gemaakt. Ze kan daarom niet
de hele waarheid zijn. Ze is iets goeds voor de gewone man en de buitenstaander,
maar ze zal hem beslist niet bij de Gouden Poort brengen. Als religie
van god is, hoe komt het dan dat we zien dat diezelfde god in zijn werken
en daden de voorschriften van de religie overtreedt? Hij doodt ieder
mens eenmaal in het leven; elke dag brengen de onstuimige elementen
en vreemde omstandigheden waarvan hij de schepper zou zijn, hongersnood,
koude en ontelbare voortijdige sterfgevallen; waar kan dan in het Ware
enige ruimte zijn voor een onderscheid zoals tussen goed en fout? De
discipel moet, terwijl hij op het pad loopt, zich aan de wet en het
gezag houden, maar als hij zijn geloof vastpint op een of andere religie,
dan komt hij onmiddellijk tot stilstand, en het maakt geen verschil
of hij mahatma’s, goden, Krishna, Veda’s of mysterieuze
daden van genade opricht, elk ervan zal hem tegenhouden en hem in een
groef werpen waaruit zelfs een hemelse dood hem niet kan bevrijden.
Religie kan alleen moreel en ethisch gedrag leren. Ze kan niet de vraag
beantwoorden: ‘Wat ben ik?’ De boeddhistische asceet houdt
een waaier voor zijn ogen om hem het uitzicht te benemen op voorwerpen
die door zijn religie worden afgekeurd. Maar daardoor verkrijgt hij
geen kennis, want dat gedeelte van hem dat wordt beïnvloed door
de ongeschikte voorwerpen die hij heeft gezien, moet door de mens zelf
worden gekend, en alleen door ervaring kan men in het bezit komen van
kennis en deze in zich opnemen.
Het boek besluit glorieus met enkele aanwijzingen waaraan veel behoefte
bestond. Te veel onderzoekers van het occultisme, zelfs de meest oprechte,
hebben geprobeerd die helft van hun natuur te negeren waarvan hier wordt
gezegd dat die noodzakelijk is. In plaats van de dierlijke natuur de
kop in te drukken, hebben we hier de belangrijke en wijze aanwijzing
dat we moeten leren om het dier volledig te begrijpen en het ondergeschikt
te maken aan het geestelijke. ‘De god in de mens, als deze is
onteerd, is iets onuitsprekelijk schandelijks in zijn vermogen tot voortbrenging.
Het dier in de mens, als het is veredeld, is iets onvoorstelbaar groots
in zijn macht om te dienen en door zijn kracht,’ en ons wordt
gezegd dat ons dierlijk zelf een grote kracht is, het geheim van de
magiërs van de oude wereld, en van het komende ras dat Lord Lytton
ons aankondigde. ‘Maar deze macht kan alleen worden verkregen
door de god te laten regeren. Maak het dier tot heerser over uzelf en
nooit zal het over anderen regeren.’
Deze lering blijkt identiek te zijn aan die van de slotwoorden van
‘De Idylle van de Witte Lotus: ‘Hij zal leren hoe
de geestelijke waarheden tot uitdrukking kunnen worden gebracht, en
om het leven van het hoogste zelf binnen te gaan, en hij kan ook leren
om binnen hem de glorie van dat hogere zelf te bewaren, en toch –
als dat nodig zou zijn – het leven op deze planeet te behouden
zolang dat duurt; om het leven te behouden in de kracht van zijn menszijn,
totdat zijn hele werk is voltooid, en hij de drie waarheden heeft onderwezen
aan iedereen die op zoek is naar licht.’
Er zijn drie zinnen in het boek die de lezer zich zou moeten inprenten,
en we geven ze in omgekeerde volgorde:
‘Geheim en verborgen in het hart van de wereld en in het hart
van de mensen is het licht dat alle leven kan verlichten, de toekomst
en het verleden.’
‘Gesteund door de geestelijke stappen van een miljoen mensen
ging Boeddha door de Gouden Poort; en omdat de menigte zich verdrong
op de drempel kon hij woorden achterlaten die laten zien dat die Poort
zich zal openen.’
‘Dit is een van de belangrijkste factoren in de ontwikkeling
van de mens: de erkenning – de diepgaande en volledige erkenning
– van de wet van universele eenheid en samenhang.’
Vertaald uit The Path, maart 1887.
© Nederlandse vertaling 1999 Theosophical University
Press Agency
Gepubliceerd in het tijdschrift Sunrise
mei/jun 1999
Inhoudsopgave
artikelen William Quan Judge
Andere artikelen
over het spirituele pad