Boekbespreking: Seeing Red: Redshifts, Cosmology
and Academic Science door Halton Arp.
Als licht van sterren of melkwegstelsels door een prisma of raster
valt, wordt een spectrum verkregen dat bestaat uit een reeks lijnen
en banden. Deze spectra kunnen worden gebruikt om de atomaire elementen
die in de betreffende objecten aanwezig zijn te identificeren, omdat
ieder element een eigen spectrale ‘signatuur’ heeft. Maar
als we de spectraallijnen van verafgelegen melkwegstelsels vergelijken
met die welke door dezelfde elementen op aarde worden voortgebracht,
vinden we dat in ieder afzonderlijk geval de lijnen zijn opgeschoven
in de richting van langere (rodere) golflengten. Dit staat bekend als
de roodverschuiving, en is het onderwerp van hevige meningsverschillen.
De meeste astronomen en kosmologen onderschrijven de oerknaltheorie,
en vatten de roodverschuiving op als een indicatie dat alle melkwegstelsels
zich met hoge snelheid van elkaar verwijderen en dat het heelal uitdijt.
Een groeiende minderheid van wetenschappers denkt echter dat de roodverschuiving
andere oorzaken heeft, en dat het heelal niet uitdijt. Zoals
de astronoom Halton Arp opmerkt in Seeing Red: Redshifts, Cosmology
and Academic Science1 ‘moet een
van de twee partijen een algehele en catastrofale vergissing hebben
gemaakt’.
G. de Purucker verwierp de theorie van een uitdijend heelal of uitdijende
ruimte als ‘weinig minder dan een wetenschappelijk luchtkasteel
of sprookje’ en stelde voor dat de roodverschuiving werd veroorzaakt
doordat het licht energie verliest tijdens zijn lange reis door de ruimte.2
Dit staat bekend als de vermoeide-licht-theorie en wordt door verscheidene
astronomen ondersteund. Paul LaViolette en Tom Van Flandern bijvoorbeeld
hebben diverse op waarneming gebaseerde tests van de verschillende interpretaties
van de roodverschuiving onder de loep genomen, en concluderen dat het
vermoeide-licht-model van een niet-uitdijend heelal de gegevens veel
beter verklaart dan de hypothese van een uitdijend heelal.3
Om de oerknaltheorie in overeenstemming te brengen met de waarnemingen
zijn voortdurend aanpassingen nodig aan de ‘vrije parameters’
(dat wil zeggen, knoeifactoren) ervan.
Volgens de oerknaltheorie is de roodverschuiving van een melkwegstelsel
evenredig aan de snelheid waarmee het zich van ons af beweegt, en deze
neemt toe met zijn afstand tot de aarde. Ook op grond van het vermoeide-licht-model
zouden we verwachten dat de roodverschuiving evenredig aan de afstand
zou zijn. Het feit dat dit niet altijd het geval is toont aan dat andere
factoren een rol spelen. In zijn boek, Seeing Red, dat als
een mijlpaal op dit gebied kan worden beschouwd, geeft Halton Arp, werkaam
aan het Max Planck Institut für Astrophysik in Duitsland, talrijke
voorbeelden van melkwegstelsels die zich op dezelfde afstand bevinden,
maar heel verschillende roodverschuivingen te zien geven. Hij
geeft ook vele voorbeelden van hoe, over een periode van meer dan dertig
jaar, orthodoxe astronomen en kosmologen systematisch hebben geprobeerd
dit bewijsmateriaal te negeren, te verwerpen, belachelijk te maken en
te verzwijgen – want het is fataal voor de hypothese van een uitdijend
heelal. Evenals andere tegenstanders van de oerknal heeft hij grote
problemen ontmoet om zijn artikelen gepubliceerd te krijgen in toonaangevende
tijdschriften en zijn verzoeken om grond- en ruimtetelescooptijd toegewezen
te krijgen worden herhaaldelijk verworpen.
Arp redeneert dat roodverschuiving in de eerste plaats een functie
is van leeftijd en dat vermoeid licht niet meer dan een secundaire rol
speelt. Hij biedt overvloedig op waarnemingen gebaseerd bewijsmateriaal
om aan te tonen dat melkwegstelsels met een kleine roodverschuiving
soms quasars met een grote roodverschuiving in tegengestelde richtingen
uitstoten die dan evolueren tot objecten met een steeds kleinere roodverschuiving
en tenslotte tot normale melkwegstelsels. Uitgestoten melkwegstelsels
kunnen zich op hun beurt splitsen in kleinere objecten in een cascadeproces.
Binnen melkwegstelsels tonen de jongste en helderste sterren ook een
extra grote roodverschuiving. Alle verafgelegen melkwegstelsels vertonen
een roodverschuiving omdat we hen zien zoals ze waren toen het licht
hen verliet, dat wil zeggen toen ze veel jonger waren. Ongeveer zeven
lokale melkwegstelsels vertonen een blauwverschuiving. Het
traditionele standpunt is dat ze zich nog sneller naar ons toe bewegen
dan het heelal uitdijt, maar in de theorie van Arp zijn ze, zoals wij
ze zien, eenvoudig ouder dan ons eigen melkwegstelsel.
Om te verklaren hoe roodverschuiving aan leeftijd gerelateerd kan zijn,
stellen Arp en Jayant Narlikar voor dat elementaire deeltjes, in plaats
van een constante massa te hebben zoals de orthodoxe wetenschap aanneemt,
tot ontstaan komen met een nul-massa, die dan stapsgewijs toeneemt naarmate
ze ouder worden. Wanneer elektronen in jongere atomen van één
baan naar een andere springen, is het licht dat zij uitzenden zwakker,
en vertoont dus een grotere roodverschuiving, dan het licht dat wordt
uitgezonden door elektronen in oudere atomen. Met andere woorden: naarmate
de massa van een deeltje groeit, neemt de frequentie (kloksnelheid)
toe en daarmee de roodverschuiving af.
Toen astronomen voor het eerst actieve, verstoorde melkwegstelsels
naast elkaar zagen, trokken ze meteen de conclusie dat deze aan het
botsen waren. Arp zegt hierover: ‘Door het empirische bewijs voor
de uitstoting van materie uit melkwegstelsels te negeren, illustreerden
zij een ongelukkige tendens in de wetenschap, namelijk dat wanneer zich
twee mogelijkheden voordoen, wetenschappers veelal de verkeerde kiezen’
(blz. 104). Ondanks de moderne voorliefde voor zwarte gaten en fusies
van melkwegstelsels komen juist de uitstotingsprocessen het meest voor,
en deze verschaffen misschien een sleutel tot het begrijpen van afwijkende
roodverschuivingen.
In de jaren vijftig begonnen astronomen, na enige terughoudendheid,
het bewijsmateriaal te accepteren dat stralen van materiaal dat radiogolven
uitzendt konden worden uitgeworpen in tegengestelde richtingen vanuit
de kern van actieve melkwegstelsels. Verdere voorbeelden van uitstoting
worden geleverd door spiraalvormige melkwegstelsels: soms worden grote
knopen gezien langs de spiraalarmen, en begeleidende melkwegstelsels
aan de einden van de armen. Er is echter hevige weerstand tegen het
idee dat objecten met een grote roodverschuiving kunnen worden uitgestoten
door melkwegstelsels met een kleine roodverschuiving, omdat dit de fundamentele
aanname waarop de oerknal is gebaseerd zou ontwrichten – namelijk
dat de roodverschuiving geheel wordt veroorzaakt door de snelheid waarmee
objecten zich van ons af bewegen. Niettemin is het bewijs daarvoor dwingend.
Paren van uitgestoten objecten stellen zich vaak in één
lijn op aan weerszijden van actieve melkwegstelsels en zijn met hun
ouder-melkwegstelsel verbonden door lichtgevende draden (‘navelstrengen’).
Orthodoxe wetenschappers houden echter vol dat alle gevallen waarin
objecten met een kleine roodverschuiving en objecten met een grote roodverschuiving
fysiek met elkaar verbonden lijken te zijn, louter toevallige combinaties
zijn van objecten die zich op de voor- en achtergrond bevinden, en ze
schrijven de verbindende draden toe aan ‘ruis’ of ‘instrumentfouten’.
Astronomen die tot de heersende stroming behoren geloven dat de normaal
heel grote roodverschuiving van quasars aanduidt dat ze zich nabij de
rand van het zichtbare heelal bevinden en dat ze zich van ons af bewegen
met snelheden die de lichtsnelheid benaderen. Om een verklaring te geven
waarom veel quasars zich dichtbij melkwegstelsels met een kleine roodverschuiving
bevinden, is het tegenwoordig mode om zich te baseren op de theorie
van de lenswerking van de zwaartekracht in te roepen: het beeld van
een quasar op de achtergrond wordt verondersteld zich te splitsen in
meerdere heldere beelden door het zwaartekrachtsveld van een melkwegstelsel
met een grote massa dat zich op de voorgrond bevindt. Het Einsteinkruis
bijvoorbeeld bestaat uit vier quasars die kruiselings tegenover elkaar
staan opgesteld rond een melkwegstelsel met een geringere roodverschuiving
en wordt beschouwd als een van de voornaamste voorbeelden van de lenswerking
van de zwaartekracht – ondanks het feit dat Fred Hoyle de kans
op zo’n gebeurtenis berekende op minder dan twee op een miljoen
en ondanks de aanwezigheid van materiaal dat de quasars en de kern van
het melkwegstelsel met elkaar verbindt! De veronderstelling dat roodverschuiving
uitsluitend wordt bepaald door snelheid heeft ertoe geleid dat de massa
van melkwegstelsels wordt overschat, en meer redelijke schattingen duiden
erop dat echte gravitationele lenseffecten waarschijnlijk heel zeldzaam
zijn.
Als het heelal uitdijt, zouden roodverschuivingen een continue reeks
waarden te zien moeten geven. In plaats daarvan echter zijn ze ‘gekwantiseerd’,
dat wil zeggen ze vertonen een neiging veelvouden te zijn van bepaalde
basiseenheden, waarvan de voornaamste (uitgedrukt als snelheden) 72,4
km/s en 37,5 km/s zijn. Dit verschijnsel, zegt Arp, ‘is zo onverwacht
dat de traditionele astronomie het nooit heeft kunnen accepteren, ondanks
de overweldigende hoeveelheid op waarnemingen gebaseerd bewijsmateriaal’
(blz. 195). Hij oppert dat de kwantisatie van roodverschuivingen is
toe te schrijven is aan perioden van schepping van materie die met regelmatige
tussenpozen plaatsvinden.
De veronderstelling dat roodverschuiving alleen afhangt van snelheid
heeft de aanhangers van de oerknaltheorie tot de conclusie gebracht
dat melkwegstelsels die groepen en clusters vormen veel sneller bewegen
dan in werkelijkheid het geval is, en omdat de zichtbare massa van de
melkwegstelsels deze snelle bewegingen niet kan verklaren, heeft dit
aanleiding gegeven tot de huidige obsessie met ‘donkere materie’.
Zo’n 90% van de materie in het heelal zou bestaan uit deze hypothetische,
nooit waargenomen stof. Arp laat echter zien dat in iedere groep van
melkwegstelsels die is onderzocht, begeleidende melkwegstelsels altijd
systematisch grotere roodverschuivingen vertonen dan
het centrale melkwegstelsel waar ze omheen draaien. De enige redelijke
verklaring hiervoor is dat begeleidende melkwegstelsels een intrinsiek
grotere roodverschuiving hebben die voortvloeit uit hun jongere leeftijd;
zij worden geboren uit het centrale melkwegstelsel en uitgestoten tot
in de nabije omgeving. Ook in clusters van melkwegstelsels blijken jongere
melkwegstelsels een grotere roodverschuiving te hebben. De kwantisatie
van roodverschuiving duidt erop dat de baansnelheden van melkwegstelsels
minder dan 20 km/s moeten zijn, anders zou de periodiciteit verloren
gaan. Als dit eenmaal is geaccepteerd verdwijnt de noodzaak om immense
hoeveelheden donkere materie te veronderstellen.
Naast de roodverschuiving wordt als een ander belangrijk ‘bewijs’
van de oerknaltheorie de kosmische microgolf-achtergrondstraling van
2,7 kelvin opgevoerd, die de ‘nagloeiing’ van de oorspronkelijke
explosie zou zijn. Arp redeneert echter dat de buitengewone gelijkmatigheid
van de achtergrondstraling sterk bewijs oplevert tegen een
uitdijend heelal. Een veel simpeler verklaring is dat we de temperatuur
van het intergalactisch medium waarnemen.
De huidige theorie van het uitdijend heelal schijnt gedoemd te zijn
in de vergetelheid te raken, maar het grote aantal professionele wetenschappers
dat gevestigde belangen heeft bij het behoud van de theorie betekent
dat het afdanken ervan nog heel lang op zich zal laten wachten. Zelfs
enkele mystiek of theosofisch georiënteerde schrijvers hebben de
neiging gehad zich bij de oerknalmode aan te sluiten in de overtuiging
dat de theorie in essentie juist is, mits de voortgaande werking van
goddelijke intelligentie achter de schermen wordt erkend. Maar zelfs
goddelijke intelligentie zou de oerknal niet kunnen redden!
Het idee dat de ruimte als elastiek kan uitrekken is één
van de vele onlogische kenmerken van de gangbare oerknaltheorie. De
ruimte moet oneindig zijn want als ze eindig is, waar eindigt ze dan
en wat ligt er daarbuiten? Aanhangers van de oerknal hebben weliswaar
een theorie bedacht waarin ruimte rondom zichzelf kan krullen zodat
zij zowel eindig als grenzeloos is – maar dit geeft alleen maar
de mate aan waarin ze de realiteit hebben verwaarloosd ten gunste van
abstract, wiskundig getheoretiseer. Als de ruimte oneindig is, kan ze
natuurlijk niet uitdijen, want, zoals H.P. Blavatsky zegt, ‘oneindige
uitgebreidheid staat geen vergroting toe’. Ze geeft ook aan dat
de ‘uitademing’ van Brahma (de kosmische godheid), zoals
beschreven in de hindoefilosofie, niet slaat op een toename in materiële
omvang, maar op een ‘verandering van toestand’ – ‘de
ontwikkeling van onbegrensde subjectiviteit tot even onbegrensde objectiviteit’
(De Geheime Leer, 1:93-4). Met andere woorden, uitademing en
inademing kunnen slaan op het ontvouwen van het Ene (het hoogste geestelijke
niveau van een wereldstelsel) in het vele (de lagere, materiële
rijken), en het daaropvolgende weer opgaan van het vele in het Ene,
in een nooit eindigende cyclus of kosmische hartslag van evolutie en
involutie.
Arp is een van de in aantal toenemende wetenschappers die terugkeren
naar het idee van een oneindig, eeuwig heelal, dat aan voortdurende
transformaties onderworpen is.4 Hij gelooft
dat materie continu wordt gecreëerd – niet uit niets, maar
uit de materialisatie van massa-energie die bestaat in een diffuse toestand,
in de vorm van een allesdoordringende ‘kwantumzee’ of ‘nulpunt-veld’.
Het heelal, zegt hij, is continu bezig zich te ontvouwen vanuit vele
punten binnenin zichzelf. Hij gelooft ook dat elementaire deeltjes na
een bepaald interval kunnen vergaan, zodat materie weer opgaat in de
kwantumzee. Dit komt nauw overeen met het theosofische idee van een
periodieke materialisatie en etherialisatie, behalve dat in de theosofie
het proces niet beperkt is tot ons stoffelijk gebied, maar ook hogere
werelden van bewustzijn-substantie omvat – een breed scala van
fysieke verschijnselen wijst op het bestaan van zulke werelden.5
Onze melkweg behoort tot de lokale groep van melkwegstelsels die weer
behoort tot de Virgo-supercluster, en onze naaste buur is de Fornax-supercluster.
Wat weten we werkelijk over wat nog verder weg ligt? Traditionele kosmologen
houden vol dat we heel wat weten. Krachtige telescopen onthullen vele
vage, wazige objecten met een grote roodverschuiving waarvan men aanneemt
dat ze verafgelegen clusters en superclusters vertegenwoordigen die
immens uitgestrekte ketens van melkwegstelsels vormen, van elkaar gescheiden
door gigantische leegten. Arp schrijft:
Een enorme hoeveelheid moderne telescooptijd wordt
eraan gewijd en personeel ingezet om de roodverschuivingen van vage
vlekken aan de hemel te meten. Dit wordt genoemd ‘het peilen
van het heelal’. Dit neemt in feite zoveel tijd in beslag dat
er helemaal geen tijd meer beschikbaar is om de vele cruciale objecten
te onderzoeken die het tegendeel bewijzen van de veronderstelling
dat roodverschuiving een maat is voor afstand. –
blz. 69
Hij zegt dat, gegeven de misinterpretatie van de roodverschuiving,
afstanden er een factor 10 tot 100 naast kunnen zitten en lichtsterkten
en massa’s tot een factor 10.000: ‘We zouden een volkomen
verkeerd beeld van de extragalactische ruimte hebben en met een van
de meest beschamende tijd- en geldverspillingen in onze intellectuele
geschiedenis worden geconfronteerd’ (blz. 1). Hij biedt vele bewijzen
die aangeven dat sommige vage ‘clusters van melkwegstelsels’
in werkelijkheid bestaan uit jonge objecten die zijn uitgeworpen door
nabije, actieve melkwegstelsels. Hetzelfde geldt voor de meeste van
de nogal vreemd uitziende objecten die worden gezien in het ‘Hubble-Deep-Field’,
een beroemde opname van melkwegstelsels die een zeer grote roodverschuiving
hebben en op enorme afstand zouden liggen.
We hebben geen betrouwbare methode om te weten te komen hoever de lokale
Virgo- en Fornax-superclusters afstaan van de volgende superclusters
en we kunnen er daarom niet zeker van zijn dat enig object dat we waarnemen
daarbuiten ligt. Met andere woorden, we zien wellicht veel minder van
het heelal dan in het algemeen wordt aangenomen. Zelfs een aantal van
Arps naaste medestanders voelt er niets voor om de mogelijkheid te overwegen
dat de kosmische afstandsschaal grotendeels onjuist is. Of de radicale
gezichtspunten van Arp zullen worden bevestigd moet nog blijken, maar
hij heeft ongetwijfeld gelijk als hij zegt: ‘We staan zeker niet
aan het einde van de wetenschap. Hoogstwaarschijnlijk staan we nog maar
net aan het begin!’ (blz. 249).
Verwijzingen
- [Rood zien: roodverschuivingen, kosmologie en academische
wetenschap], Apeiron, Montreal, 1998; geïllustreerd, isbn 0-968368-90-5,
http://redshift.vif.com;
blz. ii.
- G. de Purucker, Bron van het Occultisme,
Theosophical University Press Agency, 1990, blz. 89-90; Esoteric
Teachings, Point Loma Publications, 1987, 3: 28-30; The Esoteric
Tradition, 2de ed., Theosophical University Press, 1973, blz.
435-8vn.
- Paul LaViolette, Beyond the Big Bang: Ancient
Myth and the Science of Continuous Creation, Park Street Press,
1995, blz. 260-3, 268-75; Tom Van Flandern, ‘Did the Universe
Have a Beginning?’, Meta Research Bulletin, 3:3, 1994,
www.metaresearch.org.
- Zie Halton C. Arp, C. Roy Keys en Konrad Rudnicki,
red., Progress in New Cosmologies: Beyond the Big Bang, Plenum, 1993.
- Zie ‘Worlds within Worlds’, http://ourworld.compuserve.com/homepages/dp5
/worlds.htm.