Voedsel voor de goden
Elsa-Brita Titchenell

 

De mens is een bewust wezen, meester over een heel kleine kosmos van energieën. De leidende godheid van zijn wezen is evengoed deel van de goddelijke essentie als het licht van de zon. Ze neemt vele vormen aan: we horen haar stem in de muziek van de pijnbomen, we zien haar schaduw in de glinstering van het meer, in het zacht opengaan van een bloem en in de trotse moed van een dier in het nauw. Elke vorm van goddelijkheid vindt weerklank in het hart van de mens. Op zoek naar zijn verbinding met de goddelijke natuur ontdekt de mens een weg zonder einde, een jakobsladder, waarvan de hoogste sporten aan de greep van waarneming ontsnappen: het goddelijke is niet beperkt tot de grenzen van het verstand; ons hele wezen is zich bewust van de Tegenwoordigheid. Niet ververwijderd op een troon voorbij de met sterren bezaaide ruimten, maar door nauwe banden verspreid in alle sterfelijke wezens. Op zoek naar het goddelijke schieten we aan ons doel voorbij doordat we te ver reizen. We moeten niet buiten onszelf maar in onszelf op reis gaan om het bolwerk van bewustzijn te vinden.
     Wat is dit bolwerk? Is het het lichaam waarin we een tijdje verblijven? Nee, de levenskracht ervan verspreidt zich wanneer het bewustzijn vertrekt. Is het het modelpatroon waarnaar het lichaam wordt gevormd? Ook dit is afhankelijk van de ontwikkeling van de mens en van veranderingen in zijn karakter. Bestaat het uit de emotionele of impulsieve verlangens die vaak onze handelingen leiden? Ook deze zijn aan verandering onderhevig. Vaak worden we beheerst door koppige gevoelens, maar eerlijk onderzoek zal aantonen dat het om een vrijwillige onderwerping gaat die door het hogere bewustzijn zelden wordt goedgekeurd. Is het dan het denken, dat een tegenstrijdige natuur heeft en in een strijd met zichzelf is verwikkeld? Men kan twee verschillende denkvermogens onderscheiden, het ene houdt zich met wereldse taken bezig, het andere streeft geestelijke doelen na. Er is keuze mogelijk en het bewustzijn kiest: het denkvermogen gehoorzaamt.
     Gehoorzaamt wat? Vanaf hier wordt de verkenning een individueel avontuur, want wie kan de diepten van een ander peilen? Sommigen verkrijgen misschien een panoramisch visioen waar anderen een schijnbaar blinde muur van ego aantreffen. Diegenen die dit egoïsche centrum overstijgen vinden misschien verdere schakels in de keten die leidt naar de daarachter liggende bron van bewustzijn – een niet-egoïsche universele toestand waarin het ego als slechts een atoom van een universeel zelf wordt gezien.
     Alles wat we doen vindt zijn oorsprong in het ego, dat wil dat die dingen worden gedaan. Aan ons is de keuze, die we voortdurend opnieuw maken, tussen eigenbelang of belangeloosheid. Eigenbelang omvat alle handelingen die gericht zijn op persoonlijk succes en comfort. Belangeloosheid beslaat het hele gamma van handelingen die voor anderen worden ondernomen waarbij al de talenten van het ego volledig worden gewijd aan een altruïstisch ideaal.
     Met elke oprechte poging om de krachten van het zelf in dienst van de weldadige processen van de natuur te stellen, wordt evenzoveel verzamelde kracht toegevoegd aan de goddelijke krachten die werken aan de evolutie van werelden. Of we nu wel of niet aan dit werk van de natuur bijdragen, de evolutie gaat verder, hoewel gehinderd door menselijke onwil, of versneld door het streven van diegenen die het vaste besluit nemen dienstbaar te zijn aan het goddelijke doel.
     Dit is menselijke opoffering. Opoffering [sacrifice] betekent heilig [sacred] maken. We kunnen onze menselijke vermogens heilig maken door ze in dienst te stellen van het goddelijke doel dat ons wezen inspireert. Bij dit offer voorzien wij in de nectar waar de goden van leven.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1999

© 1999 Theosophical University Press Agency