De wijsheid van liefde
Coen Vonk

 

Ieder mens heeft iets in zich dat naar mededogen, liefde, geluk en vrede verlangt. Aan dit verlangen wordt te vaak door onszelf of, zoals we veelal denken, door onze medemensen geen aandacht besteed. Maar is er iets van groter belang dan deze aandrang die vanuit ons hart stroomt?

We beginnen in deze wereld als kleine levenszaden. Al snel verzamelt het menselijke zaadje substantie om zich heen, waar de zorgdragende moeder ons van voorziet. De baby groeit en verlaat na negen maanden de baarmoeder om het levenstoneel te betreden. Maar met welk doel? Er is een doel en dat is van goddelijke aard, zoals we zullen zien.

De baby maakt vele ervaringen door en groeit en leert wonderbaarlijk snel. We weten allemaal wat een baby het meest nodig heeft: liefde en zorg. En, hoewel we naar waarheid zeggen dat een baby geen wijsheid heeft, weet de kleine toch hoe hij de zorgdragende ouders liefde en geluk kan schenken. Wanneer we ons van kind tot volwassene ontwikkelen, wordt het moeilijker deze gave van het doorgeven van liefde in het dagelijks leven als offer te brengen. Wat is er veranderd? Zeker is dat de baby in de tussentijd een mate van zelfbewustzijn heeft verworven, zodat de kleine kan nadenken en waarnemen. Tijdens de eerste jaren leert de baby zijn zintuigen gebruiken om onderscheid te maken tussen zichzelf en voorwerpen, en leert ook praten. Spraak zet gedachten om in klanken die anderen kunnen begrijpen, wat op zijn beurt de mogelijkheid biedt voor het uitwisselen van ideeën.

Rond de leeftijd van zeven breekt een nieuwe belangrijke fase aan. Er worden dan vaak diepgaande vragen gesteld door het kind, met een vasthoudend verlangen om dingen te willen weten over zijn of haar oorsprong, bestemming, en de wonderen van moeder natuur die ons omringen. Omdat het jonge kind vragen kan stellen die zo diep ingaan op de essentiële onderwerpen van het bestaan, worden de ouders dikwijls volkomen van hun stuk gebracht.

De evolutie van het denken bereikt een nieuw kritiek punt tijdens de vaak angstaanjagende jaren van de puberteit. De tiener begint duidelijker in te zien dat hij of zij een individu is, dat een deel van deze wereld is, van dit grootse plan, een individu dat recht heeft om zelf wat verantwoordelijkheid te krijgen; en verder, een individu dat ernaar verlangt zelf keuzen te maken, dat zijn evolutie in eigen hand wil nemen en daarbij zijn eigen denken wil gebruiken.

Dit recht hebben we inderdaad, maar hoe zullen we het gebruiken? Hetzelfde proces heeft zich in de geschiedenis van de mensheid bij ons allemaal voltrokken. En het proces gaat verder, want de geschiedenis is nog niet volledig geschreven. Inderdaad, hoe zullen we verder gaan? De wortels van het denken kunnen worden teruggevoerd tot de periode van ‘onschuld’ toen de baby instinctmatig uit de wortels van zijn wezen stromen van liefde uitstortte. Kunnen we niet zeggen dat het denken zich ontwikkelt om dit zelfbewust te doen in plaats van alleen instinctmatig? Het denken is dan inderdaad noodzakelijk om uitdrukking te geven aan het algemene goddelijke erfgoed dat we met ons meebrengen vanaf de andere oever van het leven, en dat we na verloop van tijd op een zelfbewuste en verantwoordelijke manier leren kennen. Dit is ons voornaamste doel, onze belangrijkste taak, onze edele plicht.

Het bestuderen van onze oorsprong, aard en bestemming verruimt in toenemende mate ons bewustzijn omdat we ontdekken dat we meer zijn dan we ooit hadden gedroomd, dat onze bestemming grootser is dan we ooit durfden hopen, en dat onze oorsprong helemaal niet is te beschrijven. G. de Purucker schreef over zeven ‘juwelen van wijsheid’. Het grootse perspectief van deze tijdloze ideeën geeft ons leven zin en betekenis, en daagt ons uit wanneer we ons erop richten en ze toepassen. Deze juwelen houden nauw verband met kennis over hoe en waarom we kunnen liefhebben, ons denken verheffen, in harmonie kunnen leven, en deugdzaam zijn.

Wat zijn deze juwelen? Het eerste is wederbelichaming. Het vertelt ons dat het innerlijke wezen zich keer op keer belichaamt om zich te manifesteren, ervaring op te doen, te leren, te worden. De leer over wederbelichaming verruimt onze blik op het leven. Het wordt duidelijk dat we niet slechts één keer leven – wat niets is op een kosmische tijdschaal – maar vele keren. Bovendien laat ze zien dat het werkelijke individu het innerlijke wezen is, dat elke keer nieuwe gewaden aantrekt zowel bij de geboorte als na de dood, die alleen een verandering van toestand en sfeer is. De lering wordt helderder wanneer we ons realiseren dat ook universums, planeten, eendagsvliegen, en zelfs atomen ‘van kleding verwisselen’. Nieuwe sterren ‘gaan aan’ in hun lichamen van interstellair stof en ‘gaan uit’ wanneer hun levensperiode is verstreken, en laten het interstellaire stof waarvan ze gebruik hebben gemaakt achter. Kunnen we niet naar waarheid zeggen dat de werkelijke ster komt en gaat?

Het tweede juweel betreft karma of oorzakelijkheid. Het laat ons zien dat alles in voortdurende beweging is en dat alle wezens met elkaar zijn verbonden door een oneindige keten van actie en reactie. De lering over karma – of volmaakte rechtvaardigheid – kan nieuwe betekenis aan ons leven geven. Ze maakt duidelijk dat de geringste daad die we doen of het geringste dat op ons pad komt is geworteld in het verleden en zich uitstrekt tot in de toekomst. Ze laat zien dat wijzelf ons leven gelukkig of ongelukkig kunnen maken. Als we de lering over karma in verband brengen met die over wederbelichaming wordt duidelijk dat deze keten van oorzaak en gevolg, die ons maakt tot wat we zijn, ontelbare levens teruggaat en uit oneindig veel levens in de toekomst zal bestaan. Met andere woorden, deze leer houdt in dat we alleen zullen oogsten wat we hebben gezaaid. Als we er zorg voor dragen daden van liefde en mededogen te zaaien, kunnen we vertrouwen hebben in de resultaten.

Het derde juweel is de leer over hiërarchieën van wezens die werelden vormen, en die allemaal door middel van elkaar werken en op elkaar inwerken, het grote omvat het kleine. Wanneer we gaan beseffen dat onze wereld één van de vele in dit enorme universum is, worden we ons bewust van de mooie, maar verantwoordelijke reis die we maken. Waarom verantwoordelijk? Omdat onze handelingen wat betreft hun gevolgen niet beperkt zijn tot onszelf, want wij, van het kleinste atoom tot het grootste universum, zijn verbonden met het Al. Alles in het hele bestaan is onderling afhankelijk.

Het vierde juweel onderwijst de essentiële individualiteit van elk wezen. Het is de lering over zelfwording, het uit zichzelf voortbrengen van de essentiële karakteristieke eigenschappen die in het hart van elk individu liggen besloten. In het hart van iedereen leeft een monade (geestelijk wezen) die

zelf slechts tot ontwikkeling [kan] komen door lagere zielen en psychische voertuigen te verheffen tot zelfbewuste entiteiten, die zó op hun beurt zelf monaden worden. DAT IS HET UNIVERSELE EN VOLLEDIGE EVOLUTIEPLAN OP ALLE GEBIEDEN. Dat is onze grote taak. Dat is onze verheven bestemming. Ons hoogste zelf, onze paramatman, onze opperste monade, de top van onze hiërarchie doet dat werk bewust; wij als zelfbewuste mensen doen het op onze bescheidener manier; ... Geen mens kan alleen voor zichzelf leven; geen mens kan zich alleen tot de geest verheffen. Het ligt in het wezen van de natuur dat hij, of hij wil of niet, ontelbare andere entiteiten en lagere zelven met zich mee omhoog of omlaag moet voeren langs het opgaande of neergaande pad.
     – G. de Purucker, Beginselen van de Esoterische Filosofie, blz. 184-5

Hieruit blijkt dat er een geestelijk wezen in het hart van ons is dat probeert te helpen, ons probeert in te wijden. Dit is geen fatalisme, want wij moeten het initiatief nemen als we hulp willen ontvangen. Met de woorden van de Boeddha, wij moeten ‘onze eigen verlossing bewerkstelligen’, wat ook betekent dat we onszelf onder ogen moeten zien. Dit geestelijke wezen is zoals een ouder voor een baby; het is onze leraar, onze innerlijke meester. Toch moeten we onze eigen meester te voorschijn roepen, door onszelf ontwikkeld of voortgebracht. Dit is een heel subtiele gedachte. Het is te vergelijken met advies dat we ontvangen van een wijze man of vrouw, maar voordat we er baat bij hebben moeten we het eerst zelf in praktijk brengen, misschien telkens opnieuw, omdat we de gedachte nog niet volledig genoeg begrijpen – we zijn haar nog niet volledig geworden. Ieder van ons weet hoe moeilijk het kan zijn om wijze raad in praktijk te brengen omdat ons persoonlijke zelf zich verzet en we een deel van ons beperkte zelf moeten opgeven. We moeten los kunnen laten en verder gaan.

Deze lering laat geen ruimte voor een almachtige, verlossende God die het voor ons zal doen. Ze betekent niet dat we uiteindelijk in een heelheid zullen samensmelten waarin we onze individualiteit volledig verliezen, en ook niet dat we niet hoeven na te denken. Integendeel, het wijst op een idee dat door een oosterse dichter zo schitterend tot uitdrukking is gebracht – dat we allemaal onze essentiële karakteristieke bijdrage kunnen leveren aan het grote plan waarin we leven en bestaan, en dat ook doen:

Zijn we niet de melodieën van dezelfde ene zang?
Zijn we niet de sterren van dezelfde ene vlam?
Zijn we niet de gedachten van dezelfde ene idee?
Zijn we niet de golven van dezelfde ene zee?

Wat een hoop, wat een perspectief – toch kent deze grootse symfonie noodzakelijk ook dissonanten. Ze zijn nodig voor de compositie, maar we hoeven niet ervoor te kiezen ze zelf te spelen. Maar niemand heeft het recht om anderen te veroordelen voor het spelen van een valse toon. Bovendien zouden we ons nauwlettend moeten concentreren op het spelen van onze eigen melodie en ervoor zorgen dat deze in harmonie is met de meeromvattende symfonie.

Het vijfde juweel, evolutie, betekent van binnen naar buiten ontwikkelen, en van buiten naar binnen inwikkelen. De drang die nodig is voor evolutie kan worden teruggevonden in het voorafgaande denkbeeld van zelfvoortbrenging: we brengen onszelf voort uit de diepten van ons wezen omdat de drang die uitstraalt vanuit ons geestelijke zelf ons hart raakt – op het moment dat we gereed zijn het te worden is het er, op datzelfde ogenblik. Dit is ongetwijfeld zo, omdat we alles in potentie hebben, alles is besloten in het kleinste levenszaadje waaruit de grote levensbomen opbloeien. Die drang kan onze slapende en dromende mogelijkheden wekken, ons wakker maken uit onze diepe slaap, maar onze slaap kwam daarmee ook ten einde, en terwijl we sluimerden, verlangden we er al naar om op te staan. En waarom staan we op? Om ons verder te ontwikkelen, zodat onze vermogens die een tijdje rustten zich verder kunnen ontplooien om zo de oneindige mogelijkheden die elk bevat tot uitdrukking te brengen. Dit wonderbaarlijke proces vindt elke morgen in het klein plaats, en het tegenovergestelde ervan elke avond. Daarin kunnen we een voorbeeld zien van de toepassing van diepgaande kennis bij het leren begrijpen van ons dagelijks leven, en hoe het grote in het kleine ligt besloten, en het kleine in het grote.

In vogelvlucht gaan we naar het zesde juweel waar we de twee paden leren kennen: het geestelijke pad voor zichzelf, en het pad van onsterfelijkheid dat het opgeven van het zelf inhoudt. Dit juweel daagt ons uit om onze motieven te verdiepen. Het is van het grootste belang om na te denken over de wonderbaarlijke mysteries van het leven, en wat het zou betekenen als we ze zouden kunnen ontsluiten, want wie of wat willen we ermee van dienst zijn? Onszelf? Anderen? De mensheid? Wijzelf èn anderen? Eerst wijzelf, dan anderen? Anderen eerst, maar dan ook wijzelf? Er zijn veel mogelijke motieven om te handelen. Evenals onze gedachten bestaan onze motieven meestal uit een mengeling van onbaatzuchtige en zelfzuchtige elementen. Onze motieven zouden zo helder moeten zijn als het water van een bergmeer. Het opwaartse pad van geestelijke groei is gebaseerd op altruïsme. Het hele kosmische plan steunt op wezens die tijdens hun evolutie wezens beneden hen verheffen door hen het pad van groei te laten zien; deze wezens beneden hen evolueren zelf en verheffen andere wezens daar weer beneden, enzovoort, in een oneindige keten van leraar en leerling, ouder en kind.

Dit juweel leert over het opwaartse pad dat aan het einde tweevoudig is. Het eerste pad wordt BEVRIJDING genoemd of de ‘open weg’, en leidt tot het onuitsprekelijke geluk van nirvana. Het tweede pad wordt VERZAKING genoemd of de ‘geheime weg’, waar de eeuwige pelgrim afstand van nirvana doet om een kracht ten goede in de wereld te worden. De pelgrim op het eerste pad gehoorzaamt slechts zijn hoogste zelf. De pelgrim op het tweede pad gehoorzaamt de WET der wetten – goddelijk mededogen:

Nu buig uw hoofd en luister aandachtig, O bodhisattva – Mededogen spreekt en zegt: ‘Kan er gelukzaligheid zijn wanneer al wat leeft moet lijden? Zult u gered worden en de hele wereld horen roepen om hulp?’      – H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte, Fragment III

De pelgrim zal zelf besluiten, maar de beslissing is gebaseerd op alle motieven, gedachten, en handelingen waaruit hij zijn pad omhoog heeft gehouwen.

Van het laatste juweel wordt gezegd dat dit het moeilijkste is om te begrijpen omdat het o.a. leert over ons hoogste zelf, de wortel van ons bestaan, en dus omvat het noodzakelijk alle andere juwelen. De essentiële betekenis ervan is hoe en waarom het Ene het vele wordt, de ene vlam vele sterren wordt, de ene idee vele gedachten voortbrengt, en de ene zee in vele golven breekt. En toch wordt het Ene nooit het vele, maar blijft eeuwig zichzelf – een verheven en wonderbaarlijke paradox. ‘Terwijl hij in de ene top van zijn eigen hyparxis alle dingen bevat, staat hij zelf geheel daarbuiten’ (Thomas Taylor, Proclus on The Theology of Plato, Bk. III). Dit is het moeilijkste probleem waar de menselijke geest voor komt te staan. Om het op te lossen moeten we het Ene worden, leven in het Ene, want de geestelijke straal ervan leeft in ons.

Dit zijn dan de juwelen van wijsheid in een korte schets. Om ze volledig te begrijpen vergt eeuwen werk. Wanneer we ons inzicht ontwikkelen met een heldere en flexibele geest krijgen we een steeds grotere bewustheid van hun betekenis, en wordt er keer op keer nieuw licht op geworpen. De enige manier om enige zekerheid te krijgen is om de leringen in ons leven te bezielen. En waardoor wordt dit mogelijk? Door ons denken te gebruiken om te groeien, te beschouwen, en ons steeds vollediger bewust te worden van ons hogere zelf en daarnaar te handelen. De kern van alles is liefde of mededogen, die alle wezens samenbrengt in één eeuwig worden, een universele broederschap.

 
Andere artikelen over theosofie
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1999

© 1999 Theosophical University Press Agency