Een tijd van omwenteling
Kläre Baer

 

Alle gebeurtenissen zijn cyclisch en of ze nu waarneembaar zijn of niet, aan het begin van iedere cyclus is er sprake van een omwenteling als we aan een nieuw stadium van onze reis naar bredere inzichten beginnen. De voorbereidingen voor de snel naderende overgang naar de 21ste eeuw hebben een eeuw in beslag genomen en nog langer, want in werkelijkheid wordt gebruikgemaakt van de kennis die in de loop van miljoenen jaren is vergaard. Terugblikkend zien we dat de gebeurtenissen die de 20ste eeuw hebben ingeluid datgene hebben vernietigd wat passé was om plaats te maken voor het nieuwe. Al tastend en zoekend wisten veel mensen niet hoe ze met vreemde nieuwe ideeën moesten omgaan. De meesten zagen ongetwijfeld de wisselvalligheden, het plezierige en onplezierige om zich heen, maar schonken er weinig aandacht aan. Anderen wilden zich nauwkeurig oriënteren, en begrijpen wat er aan de hand was. Ze lazen boeken en tijdschriften, en spraken met hen die meer ervaring hadden. Niettemin moet ieder individu zelf ervaring opdoen.
     Tijdens het speuren naar inzicht worden de mensen òf geheel in beslag genomen door datgene waarmee ze in aanraking komen, verwerpen het, òf worden verscheurd door twijfels. Telkens opnieuw moet ieder van ons beslissen welk pad hij kiest. Een groot dichter heeft dit besluit als volgt verwoord:

     Elk pad is maar een pad, en het is geen vergrijp tegenover uzelf of anderen het op te geven wanneer uw hart dit eist. Bezie elk pad zorgvuldig, beproef het, en bestudeer het zo vaak als nodig is – en stel uzelf dan de vraag, alleen aan uzelf: is dit een pad van mijn hart? Zo ja, dan is het een goed pad, zo niet, dan is het een nutteloos pad.

Deze woorden bevatten een toetssteen, omdat ieder individu zelf de enige is die kan beoordelen wat juist handelen is.
     In de afgelopen honderd jaar hebben geweldig grote technische en wetenschappelijke veranderingen een krachtige invloed op ons denken en leven gehad. Eeuwen achtereen hebben we onderzoek gedaan naar de beginselen die ten grondslag liggen aan de natuurwetten, maar pas door de omwenteling die de 20ste eeuw inluidde kon de westerse mens met behulp van nieuwe instrumenten en methoden dieper tot de geheimen van de natuur doordringen om te speuren naar haar bouwstenen en de oorsprong van het heelal. Niettemin behoren onze ontdekkingen nog steeds tot de waarneembare wereld en in het algemeen zijn de mensen daar tevreden mee.
     Hoewel we er de voorkeur aan geven kennis te ontlenen aan herhaalbare empirische experimenten, doen nieuwe/oude begrippen in toenemende mate hun intrede in openbare discussies, hoewel het enige tijd kan duren voor ze algemeen worden aanvaard – in wetenschappelijke zin moet alles objectief worden bewezen. Bijvoorbeeld: de wetenschap hield vroeger geest en stof gescheiden en verdeelde de stof in ontelbare levenloze bouwstenen. We horen nu vaker dat geest en stof één zijn en dat zich daartussen vele gebieden bevinden. Nogmaals, het geloof dat geen enkel punt in het heelal zonder leven is, vindt steeds meer ingang. Volgens het oude denken is het heelal een organisme dat door pneuma in stand wordt gehouden, de kosmische adem waardoor alles tot bestaan kwam, zodat er overal leven is – dat komt, een korte poos blijft en zich daarna terugtrekt, alleen om weer terug te keren. Dit proces begint met monaden of geestelijke centra. Daarna komen atomen, mineralen, planten en dieren, totdat door middel van ervaring het menselijke stadium wordt bereikt. Daarboven komen de goden en supergoden en zo oneindig verder tot in het onbegrijpelijke.
     Maar in een bepaald evolutiestadium begon de mensheid zelf verantwoordelijk te worden. Het denkvermogen deed zijn intrede en daarmee verantwoordelijkheid: enerzijds om zich in geestelijke richting te ontplooien en anderzijds om zich verantwoordelijk te voelen tegenover de lagere natuurrijken. De verantwoordelijkheid om ondergeschikten niet uit te buiten berust juist op onze intellectuele superioriteit. Op de lange duur duldt de natuur geen afgescheidenheid aangezien er één goddelijk hart klopt in de vele verschillende wezens waaruit de kosmos is opgebouwd. Niemand kan bestaan zonder alle anderen, omdat alles onderling afhankelijk is: deze gedachten moeten op de voorgrond komen als we een reusachtige omwenteling willen voorkomen.
     Er ontstaat het idee dat er zowel spirituele als intellectuele vormen van denken moeten zijn. Het logisch redenerende denken maakt gebruik van het brein en kan gemakkelijk in woorden worden uitgedrukt. Spiritueel denken is hoofdzakelijk een intuïtief proces dat ver boven het intellect ligt. De meeste kennis komt via het verstand, maar sommige kennis kan worden verkregen in korte ogenblikken van inzicht in geestelijke gebieden. Zoiets kan zich in een flits voordoen als de sluier, die de geheimen van de natuur verbergt, een beetje wordt opgelicht. Dan is er niets afgescheiden, alles is EEN, alsof we opgaan in oneindigheid. Dit is voor het individu een moment van omwenteling. Uiteindelijk moeten we onszelf verheffen naar het geestelijke gebied, omdat de uiteindelijke werkelijkheid alleen door de eigen intuïtie kan worden beleefd en door geestelijk inzicht kan worden uitgebreid.
     Toen de Ouden naar meer kennis verlangden, trokken ze zich terug in de eenzaamheid van de bergen of het woud om diep na te denken over de onderlinge afhankelijkheid van de natuur. Hun ervaringen waren gebaseerd op direct inzicht door het observeren van het zelf en de natuur. Hoewel tegenwoordig wetenschappelijke experimenten kunnen worden herhaald door een ieder die op de hoogte is van de exacte experimentele procedure, blijven spirituele ervaringen voor het individu vaak ongeëvenaard. Maar waarom kunnen het wetenschappelijke en het geestelijke niet samengaan als de wereld één enkel organisme is? Als de mens het evenbeeld van de kosmos is, moet hij dan niet het evenbeeld zijn van alle processen in die kosmos?
     Zelfs als nog meer verfijnde instrumenten ons steeds dieper in de stof en het heelal laten doordringen, heeft ons onderzoek toch altijd zijn grenzen. We beseffen nog niet dat deze grenzen door ons eigen ethisch gedrag zijn vastgesteld. Als mens hebben we de gelegenheid om ervaring en kennis op te doen, en dat is onze plicht, maar ook ethiek dient hierbij een rol te spelen. De verworven kennis hoort niet alleen één individu of een kleine groep ten goede te komen, maar moet alle wezens ten dienste staan. En pas wanneer aan alle ethische voorwaarden is voldaan kunnen we verdere vooruitgang boeken op ons evolutiepad. We hebben het recht hogerop te gaan wanneer we ons door eigen inspanning hebben gereedgemaakt om meer te ontvangen, meer te zijn, meer verantwoordelijkheid te dragen. Ons leven en ons willen moeten zich voegen naar de stelregel van Kant dat de sterrenhemel boven hem en de morele wet binnenin hem voor iedereen de leidende elementen moeten zijn.
     Zij die voorstanders zijn van deze oude/nieuwe denkbeelden zouden al het mogelijke moeten doen deze kennis zo zuiver mogelijk naar het volgende millennium over te brengen; haar door te geven via deze nieuwe periode van omwenteling. Zij die het ernstige besluit nemen de mensheid te dienen, moeten als troost en aanmoediging deze woorden in gedachten houden die aan H.P. Blavatsky worden toegeschreven:

Er is een weg, steil en doornig, waar allerlei gevaren dreigen, maar toch een weg, en hij voert naar het diepste hart van het heelal: ik kan u zeggen hoe u hen kunt vinden die u de geheime poort zullen wijzen die alleen naar binnen toe opengaat en zich achter de neofiet voor altijd sluit. Er is geen gevaar dat niet door onverschrokken moed kan worden overwonnen; er is geen beproeving die niet door vlekkeloze reinheid kan worden doorstaan; er is geen moeilijkheid die niet door een krachtig intellect kan worden overwonnen. Voor hen die slagen is een beloning weggelegd die elke beschrijving te boven gaat – het vermogen de mensheid tot zegen te zijn en te behouden; voor hen die falen zijn er andere levens waarin men misschien succes zal hebben.      – H.P. Blavatsky Collected Writings, 13:219

     De eerste vereisten voor dit bewust gekozen geestelijke pad zijn: toewijding, een ideaal, en het vervullen van zijn plicht in het dagelijks leven. De vervulling van plicht brengt innerlijke vrede; angst en innerlijke strijd verdwijnen. Wanneer we een ideaal niet trouw zijn, zal er geen vooruitgang zijn. Zolang de oude ethische regels en levenswijze in acht worden genomen, zal succes zich te zijner tijd aandienen, ongeacht of de persoon dit weet of niet. En dit succes ligt in een uitbreiding van bewustzijn, die tenslotte tot inwijding leidt – tot een beslissende omwenteling die een belangrijke overgang in het persoonlijke leven kenmerkt.

 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1999

© 1999 Theosophical University Press Agency