Tat savitur varenyam bhargo devasya dhimahi,
dhiyo yo nah prachodayat.
Brahmanen reciteren deze oude hymne van de hindoes zowel tijdens hun
ochtend- als avondgebeden. G. de Purucker geeft in zijn Occulte
Woordentolk (blz. 57) hiervan de volgende parafrase:
O gij gouden zon van verheven luister, verlicht ons
hart en vervul ons gemoed opdat wij, onze eenheid beseffend met het
goddelijke, dat het hart is van het heelal, het pad dat voor ons ligt
mogen zien en volgen naar het verre doel van volmaking, aangemoedigd
door uw eigen stralende licht.
Wie of wat is de zon in deze invocatie? Is het de gouden ster die we
haar licht en warmte over de aarde zien uitstralen? Het antwoord is
ja en nee. Evenals ieder ander wezen gebruikt de zon een fysiek lichaam
om haar innerlijke essentie te manifesteren en in contact te komen met
andere wezens – kortom, om door te gaan met haar omzwervingen
door de grenzeloze ruimte en tijd. Wat we zien is dit uiterlijke gewaad
dat de zon omhult die in deze hymne wordt aangesproken.
Hoe komt het dat we een band kunnen hebben met het geestelijke hart
van de zon? In de kern van ieder wezen woont een vonk van dezelfde essentie
als die van de zon. Ons werkelijke zelf is potentieel een zon –
en het ontvouwt in de loop van eonen en eonen zijn latente vermogen
om een ster te worden.
De zon zendt voortdurend oneindige aantallen stralen uit; en één
daarvan klopt op de deur van ieder menselijk hart. Als we er genoeg
op letten, kunnen we de deur openen en deze straal binnenlaten in ons
wezen zodat hij onze eigen goddelijke vonk kan ontmoeten. In dit proces
schept de zon niet iets in ons; hij biedt eenvoudig een helpende hand
aan een medepelgrim op het pad. Hij wordt een leraar die helpt bij het
naar buiten brengen van alle eigenschappen die in ons liggen te sluimeren.
Hoe meer we ons ervan bewust worden dat we fundamenteel identiek zijn
met de zon, hoe meer ons hart verlicht wordt, en die kwaliteit wordt
een bepalende factor in ons leven. Dan wordt onze geest vervuld van
de zon, en ons denken wordt steeds meer afgestemd op het edelste in
ons. Lagere neigingen verliezen hun greep op ons naarmate we steeds
meer de goddelijke tegenwoordigheid binnenin ons voelen. Dit is de werkelijke
taak voor de mens – hoewel deze, zoals we allemaal weten, een
uitdaging vormt. En toch, hoe meer we over deze ideeën nadenken,
hoe verder de deur zal opengaan. Iedere kleine overwinning op de lagere
eigenschappen stelt ons in staat een volgende trede te beklimmen naar
het licht, zodat de innerlijke zonnestraal valt op ‘het pad dat
voor ons ligt’. Het is juist hier, vlakbij ons, dat we licht nodig
hebben: hier ligt onze plicht en ons werk, hier ontmoeten we medemensen
die eveneens hulp nodig hebben en licht op hun pad.
De zon doorloopt onpersoonlijk haar baan door volmaaktere sferen: haar
hulp bereikt ons ongeacht wat we ermee verkiezen te doen. En toch, vervolmaking
ligt niet ver weg achter de horizon. Er is geen kloof tussen ons en
de essentie van de zon; de kloof bestaat in ons bewustzijn, in ons gebrek
aan een dieper inzicht in wie we werkelijk zijn. De dagelijkse oefening
waarbij we de kleine taken in het leven vervullen, scherpt ons bewustzijn
het best en zorgt ervoor dat we deze nabijheid voelen. De ‘verre
doeleinden van vervolmaking’ liggen latent in ons hart, en hulp
ligt vlak voor ons. En het is voor ieder van ons mogelijk dit pad te
betreden en medewerker te worden van de edelste doeleinden van de natuur.