E = mc2 is een bedrieglijk eenvoudige vergelijking
die zegt dat energie en massa verwisselbaar zijn. Wanneer dit echter
wordt toegepast op de wereld van de verschijnselen, dan zijn de gevolgen
daarvan enorm. Op soortgelijke manier hebben wijzen en zieners door
de eeuwen heen unaniem een eenvoudige aansporing gegeven aan hen die
waar geluk willen vinden: ‘Heb uw naaste lief als uzelf’.
Het kost tijd, toegewijde wetenschappelijke studie en discipline om
E = mc2 praktisch te kunnen toepassen. In
de drukte van ons dagelijks leven is het liefhebben van uw naaste even
moeilijk uit te voeren. In beide gevallen is het voor het begrip en
voor een volledige waardering van de diepzinnige aard van deze schijnbaar
eenvoudige uitspraken nodig dat men er diep over nadenkt. Vervolgens
is de feitelijke toepassing van elk een taak die niet gemakkelijk wordt
opgevat.
Een schriftgeleerde vroeg aan Jezus:
Welk gebod is het eerste van alle?
Jezus antwoordde: Het eerste is: . . . heb de Heer,
uw God, lief met heel uw hart en met heel uw verstand en met heel
uw kracht.
Het tweede, daaraan gelijk, is dit: Heb uw naaste
lief als uzelf. Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.
– Marcus 12:28-31
Deze twee instructies klinken door in alle heilige teksten. De godheid
heeft door verschillende volkeren en in allerlei culturen vele namen
gekregen; maar toch spreken ze alle over hetzelfde onderliggende universele
beginsel dat alles doordringt. Noem het zoals u wilt – God, parabrahman,
DAT, geest, Krishna, Vishnu, atman – de
namen zijn er vele maar ze sluiten alle de gedachte in dat achter de
materiële wereld iets onsterfelijks en duurzaams is dat alles
bezielt – een transcendente uitstraling die de gemeenschappelijke
wortel is in en buiten het hele gemanifesteerde universum. Door deze
gedeelde afkomst is alles deel van dezelfde universele familie,
en nauw verbonden omdat ze gemeenschappelijke goddelijke ouders hebben,
ongeacht de omvang en de evolutionaire positie.
In het licht van deze gemeenschappelijke afkomst, wordt duidelijk dat
het eerste gebod ten grondslag ligt aan al het andere. Als we ons denken
en ons hart vervullen met wat dierbaar is voor onze ouder, het goddelijke
centrum in ons, zullen we ons gedrag beginnen te veranderen. De eerste
stap in een project is te begrijpen wat het doel van die taak is. Bij
de volgende stap, wanneer we een overzicht van het algemene plan hebben
gekregen, bedenken we een oplossing. In het leven is goddelijke liefde
de talisman. Door de aard van onze goddelijke ouder lief te hebben en
te proberen haar te begrijpen, kunnen we onze handelingen nauwer afstemmen
op het goddelijke plan. Zoals we als kinderen hebben geprobeerd te doen
wat onze moeder en vader zou plezieren, zo zouden in het leven onze
handelingen plezierig moeten zijn voor onze goddelijke ouder doordat
we altijd proberen te doen wat in overeenstemming is met onze geestelijke
essentie.
Jezus zegt dat het tweede gebod gelijk is aan het eerste en de reden
ligt voor de hand: als we deel uitmaken van dezelfde goddelijke familie
met het goddelijke in ons binnenste, dan betekenen ‘heb uw naaste
lief’ en ‘heb God lief’ hetzelfde. Het is onmogelijk
iets lief te hebben en tegelijk te verwerpen en te misbruiken. Als we
erkennen dat ons eigen innerlijke centrum wordt weerspiegeld in de wereld
om ons heen, wordt het gemakkelijker om ‘voor anderen te doen
wat wij willen dat zij voor ons doen’ – want we beïnvloeden
in feite een deel van onszelf. Het Vishnu Purana zegt dat iedereen
Vishnu zou moeten zien in alles waarnaar men ook kijkt. De reden voor
deze oefening is dat als we tegenover god [Vishnu] staan, we niet oneerbiedig
of kwetsend zullen zijn.
In een zich ontwikkelend heelal is vervolmaking, in de zin van voltooiing
en een definitief einde, niet mogelijk. Alle entiteiten worden tot manifestatie
aangezet door de dorst steeds meer van hun innerlijke goddelijke potentieel
te ontvouwen. Als we bij het verrichten van de dagelijkse taken met
mensen te maken hebben, dan leidt een beperkt begrip onvermijdelijk
tot spanningen en tegenstrijdige belangen, zodat er botsingen ontstaan.
Hoe staat het op die momenten met ‘heb uw naaste lief’?
Is het in de hitte van het moment, of wanneer we door schade en verwondingen
zijn getroffen, mogelijk een stap terug te doen en onze belager lief
te hebben?
De wijzen verzekeren ons dat dit mogelijk is. De sleutel ligt verborgen
in het eerste gebod. Zoals een ouder een stout kind toch liefheeft,
evenzo kunnen we, door te bedenken wat dierbaar is voor onze geest,
doorgaan de ‘werkelijke’ persoon lief te hebben, terwijl
we het oneens zijn met een individuele daad of reeks handelingen. Het
maken van een onderscheid tussen de handeling en de handelende persoon
helpt ons om de hartstochten van de persoonlijkheid tot bedaren
te brengen, en daardoor het voor ons mogelijk te maken dat we beginnen
een situatie te onderzoeken en de essentie of het motief achter de handelingen
pogen te achterhalen. Als we proberen te begrijpen waarom een
van ons op een bepaalde manier handelt, ontstaat empathie, de projectie
van onszelf door onze verbeeldingskracht in het hart van de ander –
letterlijk proberen we dan een mijl te lopen in de schoenen van de ander
– en uit die oefening groeit dan sympathie, en uiteindelijk altruïsme.