Toen de aarde en alles binnen haar grenzen ontstond, kwamen zij en
droegen de mogelijkheden in zich die ze in vorige existenties hadden
verworven, en die ze tot uitdrukking zouden brengen tijdens deze grote
cyclus van leven in velerlei vormen en activiteiten. Dit idee is door
vele culturen uitgedrukt in hun leringen over karma en wederbelichaming:
twee interessante en belangrijke ‘natuurwetten’. Interessant,
door de verhelderende manier waarop deze ideeën zijn gepresenteerd;
en belangrijk, omdat we door een begrip van haar werking zowel onszelf
kunnen bevrijden van lijden als onze groei en evolutie kunnen versnellen.
De meesten van ons zijn bekend met bijbelse verwijzingen naar reïncarnatie.
Toen Jezus aan zijn discipelen vroeg: ‘Wie zeggen de mensen dat
ik ben?’ antwoordden ze, ‘Johannes de Doper; maar sommigen
zeggen, Elia; en anderen zeggen, dat een van de oude profeten opnieuw
is opgestaan’ (Lucas 9:18-19). En ook, toen Jezus en zijn discipelen
een blinde man tegenkwamen, vroegen ze hem: ‘Meester, wie heeft
gezondigd, deze man, of zijn ouders, dat hij blind werd geboren?’
Bij deze gelegenheid weidde Jezus uit over de gebruikelijke verklaring,
‘wat gij zaait, zult gij oogsten’, door te antwoorden dat
‘Noch deze man, noch zijn ouders hebben gezondigd: maar de werken
Gods moesten in hem openbaar worden’ (Johannes 9:2-3). Hiermee
doelde hij op een soort karma waarbij iemands innerlijke god of hogere
zelf het lagere menselijke ego conflicten en kwellingen geeft zodat
het geduld, sympathie, wijsheid en misschien mededogen leert.
Dat karma de manier van de natuur is om harmonie in stand te houden
en groei te bevorderen wordt op een knappe manier aanschouwelijk gemaakt
in de boeddhistische Jatakaverhalen, waarin wordt getoond hoe de reeks
oorzaken en gevolgen door ontelbare incarnaties van de boeddha-in-wording
heeft gewerkt, vanaf de tijd dat hij voor het eerst besloot om voor
het welzijn van anderen te leven. Aantrekkelijke verhalen beschrijven
hoe deze edele ziel, in leven na leven, anderen behoedde voor pijn,
lijden, honger en gevaar, waarbij hij vaak zijn eigen leven opgaf om
anderen te redden. Door dit te doen groeide zijn hart en geest bovenmatig,
en wenkte nirvana. Maar zo’n ontsnapping trok hem niet: hij bleef
om zijn medemensen te helpen en te onderwijzen en om de mensheid het
pad te laten zien dat naar waarheid en vrede leidt.
Sommige van Boeddha’s leringen werden aan het westen gebracht
door Sir Edwin Arnold in zijn geïnspireerde gedicht, Het Licht
van Azië. De gedeelten over karma en reïncarnatie zijn
bijzonder treffend:
De Boeken zeggen terecht, mijn Broeders! Dat het
leven van ieder mens
De uitkomst van zijn vorige leven is:
Vroegere fouten brengen zorgen en leed,
Zegen volgt op vroegere deugd.
Dat wat je zaait zul je oogsten. Zie gindse velden!
Het sesamzaad was sesamzaad, het koren
Was koren. De stilte en de duisternis wisten!
Zo is het lot van de mens geboren.
Hij komt, oogster van de dingen die hij zaaide,
Sesamzaad, koren, zoveel oorzaken in vorige geboorten;
En zoveel onkruid en vergif, die
Hem en de lijdende aarde ontsieren.
Als hij goed zal werken, deze laat wortelen,
En hele zaaiplanten daar plant waar ze groeien,
Vruchtbaar en schoon en rein zal de grond zijn,
En rijk de te verwachten oogst. –
Boek 8
Dezelfde denkbeelden zijn uitgedrukt in de Bhagavad-Gita in
het gesprek van Krishna met zijn leerling Arjuna:
Zoals een mens oude kleding weggooit
en nieuwe aantrekt, zo handelt ook de bewoner van het lichaam, die
zijn oude sterfelijke voertuig heeft verlaten, en andere binnengaat
die nieuw zijn. . . .
Zowel jij als ik zijn door vele geboorten gegaan.
De mijne ken ik, maar jij kent de jouwe niet. –
2:22;4:5
Deze ‘bewoner in het lichaam’, ons hogere zelf, werd door
de Egyptenaren weergegeven als een phoenix, die fabelachtige vogel van
grote schoonheid die 500 jaar leeft, periodiek verjongd opstaat uit
de as van het verleden om zijn weg te gaan door opklimmende stadia van
evolutie. Bij de Grieken was het de vlinder die, zichzelf transformerend
van ei tot rups tot gevleugeld wonder, de transmigratie voorstelde van
lichaam naar lichaam, die zij metensomatose noemden.
De grote Duitse denker Goethe somde deze gedachten op: ‘Ik ben
er zeker van dat ik hier duizend maal eerder ben geweest, zoals ik hier
nu ben, en hoop duizend keer terug te komen’.1
Hiermee nam hij de angst voor de dood weg en gaf ons hoop op grootsere
levens die vóór ons liggen.
Maar als dit waar is, waarom herinneren we ons onze vorige levens niet?
We herinneren het ons wèl! De herkenning van vrienden en bekende
plaatsen, onze speciale interesses, talenten, overtuigingen en vooroordelen
zijn het geheugen van onze ziel. Details van het verleden ontglippen
ons, gelukkig, zoals dat ook in dit leven gebeurt. Platonisten verzekeren
ons echter dat door discipline en vasthoudendheid we onze hogere vermogens
kunnen ontwikkelen en het ‘mystieke inzicht’ kunnen verkrijgen
dat ons in staat stelt te zien wat geweest is en wat zal zijn. Het is
eenvoudig een kwestie van ‘herinnering’:
De ziel dan, die onsterfelijk
is, en vele malen werd geboren, en alle dingen die bestaan heeft gezien,
hetzij in deze wereld of in de onderwereld, heeft kennis van dit alles;
en het is geen wonder dat zij in staat zou moeten zijn zich alles
te herinneren wat ze ooit wist over deugd, en over alles; omdat de
hele natuur verwant is, en de ziel alle dingen heeft geleerd, is het
niet moeilijk voor haar om al het andere te ontdekken of zoals men
zegt alles te leren uit één enkele herinnering, als
een mens ijverig is en niet verzwakt; want al het onderzoeken en alle
kennis is slechts herinnering.
– Plato, Meno §81
Tegenwoordig zijn er talloze boeken over deze en verwante onderwerpen
en een overvloed aan informatie op het internet. Als we die lezen, kunnen
we fascinerende details ontdekken over hoe deze ideeën in het verleden
werden gezien. De vroege kerkvader Origenes, bijvoorbeeld, schreef uitgebreid
over deze onderwerpen. Hij verklaarde dat zielen bij de geboorte niet
nieuw worden geschapen, maar dat ze al bestonden, en dat ze, omdat ze
immaterieel zijn, noch beginpunt noch eindpunt hebben. Hij onderwees
ook dat er een constante opwaartse vooruitgang is, met iedere wereldorde
beter dan de vorige, en dat het onderwijzen van de zielen in elkaar
opvolgende werelden wordt voortgezet. Helaas werden zijn ideeën
later anathema verklaard en uit de leringen van de kerk geschrapt.
Middeleeuwse soefi- en kabbalistische filosofen spraken van metempsychose,
‘het bezielen na bezielen door de monade’ van haar zich
stap voor stap ontwikkelende manifestaties in verscheidene fysieke vormen,
een proces beschreven door de Perzische dichter Jalaluddin Rumi:
Ik stierf als mineraal en werd een plant,
Ik stierf als plant en stond op als dier,
Ik stierf als dier en werd mens.
Waarom zou ik bang zijn? Wanneer werd ik minder door te sterven?
Nog eenmaal zal ik sterven als mens, om me te verheffen
Tot de gelukzaligheid van de engelen; maar zelfs vanuit het engelendom
Moet ik verdergaan . . . – Mathnawi
Verschillende aspecten van deze onderwerpen hebben tot misverstanden
geleid; bijvoorbeeld dat karma fatalistisch is, iets dat men slechts
kan ondergaan. Het woord karma – afgeleid van het Sanskrietwerkwoord
kri, dat ‘doen, handelen, maken’ betekent –
geeft daarentegen aan dat iedere situatie en omstandigheid een gelegenheid
voor verandering en verbetering is. Ook denken veel mensen dat ze in
hun volgende leven kunnen terugkeren als een dier. Blijkbaar begrijpen
ze niet dat als we eenmaal het menszijn hebben bereikt, we niet kunnen
terugvallen. Het leven gaat vooruit: eens een mens, altijd een mens,
of iets dat edeler is. In ieder leven ontwikkelen we meer vaardigheden,
lossen we conflicten op, en worden, hopelijk, menselijker. Daarom is
het duidelijk dat iemand, van wie het leven wordt geplaagd door problemen,
als hij dat kon inzien, gezegend is met kansen om te groeien, om anderen
te helpen, en om kwaliteiten te ontwikkelen die hem grootser maken.
Een interessant aspect van wedergeboorte is onder de publieke aandacht
gebracht in de film Little Buddha van Bernardo Bertolucci.
Tegen de achtergrond van het schitterende portret van het leven van
de Boeddha wordt het verhaal verteld van de zoektocht van een oude lama
naar de reïncarnatie van zijn leraar. Volgens de Tibetaanse traditie
komt de ziel van een gevorderde leraar die is gestorven terug door op
de normale manier te incarneren, of door een levende persoon te overschaduwen,
of door het lichaam van een kind binnen te gaan dat bij de geboorte
of kort daarna stierf. De erkenning van zo’n reïncarnatie
wordt bepaald door het herkennen door het kind van voorwerpen die voorheen
door de overledene werden gebruikt of gekoesterd. Natuurlijk is zo’n
wedergeboorte die een tulku wordt genoemd, of de incarnatie
van een ‘levende boeddha’, alleen mogelijk voor hen die
spiritueel vergevorderd zijn.
De terugkeer van zielen wordt ook genoemd in de laatste verzen van
het Lied van Hiawatha van Henry Wadsworth Longfellow. Als hij
op het punt staat te vertrekken in zijn berkenhouten kano, keert Hiawatha,
de geliefde vriend van allen, zich om en belooft:
Ik ga, o mijn mensen,
Op een lange en verre reis;
Vele manen en vele winters
Zullen zijn gekomen, en zullen zijn gegaan
Vóór ik terugkom om jullie weer te zien . . .
Kahlil Gibran drukte dezelfde overtuiging uit:
Kort slechts ben ik bij jullie
geweest, korter nog waren de woorden die ik heb gesproken. Maar mocht
mijn stem vervagen in je oren en mijn liefde uit je herinnering verdwijnen,
dan zal ik weerkeren, en met een rijker hart en nog meer aan de geest
toegewijde lippen zal ik spreken. Ja, ik zal weerkeren met het getij,
en ook al zou de dood mij verbergen en de grotere stilte mij omhullen,
toch zal ik opnieuw je begrip zoeken. . . . Een korte wijle, een ogenblik
rusten op de wind, en een andere vrouw zal mij dragen.
– De profeet, blz. 79-80, 91
Instinctief begrijpen velen tegenwoordig wat Benjamin Franklin uitdrukte:
Ik geloof dat ik in deze of gene vorm altijd zal
bestaan; en met alle ongemakken waaraan het menselijke leven onderhevig
is, zal ik geen bezwaar hebben tegen een nieuwe editie van het mijne,
hopend echter dat de fouten uit het laatste worden gecorrigeerd.2
Inderdaad, als kinderen van de aarde zullen we, samen met de bomen
en de bloemen, insecten en dieren, terugkeren, en periodiek opstaan
uit onze lange slaap om onze reis voort te zetten – voor altijd.
Noten
- Aangehaald in Reincarnation: The Phoenix Fire
Mystery door Joseph Head en Sylvia L. Cranston, blz. 281.
- Brief aan George Whatley, 23 mei 1785; aangehaald
in Reincarnation: The Phoenix Fire Mystery, blz. 271.