Het Vishnu Purana beschrijft het ontvouwen van
de kosmos, het ontstaan van de elementen en alles wat daaruit wordt
samengesteld – het heelal, de aarde en haar levende wezens –
en de evolutie en leiding van de mensheid. Het boek vertelt ons dat
het voornaamste beginsel pradhana is: ongedifferentieerde substantie,
oermaterie, de schaduwachtige substantie of ‘sluier’ die
vóór of rondom Brahman, het universele zelf, is geplaatst.
Pradhana wordt beschreven als de ondeelbare of ongedifferentieerde oorzaak:
‘In dat beginsel lagen alle dingen besloten in de periode die
volgde op de laatste ontbinding van het universum, en voorafgaand aan
de schepping.’ Het is zonder geluid, is niet tastbaar, en heeft
geen van de andere aspecten die later tot manifestatie komen. Oorspronkelijk
‘waren er dag noch nacht, hemel noch aarde, duisternis noch licht,
noch iets anders, behalve slechts het Ene, ondoorgrondelijk voor het
intellect, of Dat wat Brahma en Pums (geest) en Pradhana (materie) is’
(1:21-4). Vervolgens bracht het allerhoogste
die uit eigen wil materie en geest was
binnengegaan de veranderlijke en onveranderlijke beginselen in beroering,
omdat het seizoen van de schepping was aangebroken. Op dezelfde wijze
als geur louter door haar nabijheid de menselijke geest in beroering
brengt, en niet door onmiddellijke inwerking op de geest zelf, zo
beïnvloedde het Allerhoogste de elementen van de schepping.
– 1:27
Dit is een prachtige manier om te omschrijven hoe dat
wat boven de dualiteit van geest en materie staat de oorspronkelijke
beginselen binnenging en beïnvloedde. Hier zien we de eerste impuls
van de goddelijke wil uit het hart van het zijn. Met deze impuls begint
de evolutie.
Het Vishnu Purana beschrijft vervolgens de zeven
of negen ‘scheppingen’ of perioden van evolutie. Oorspronkelijk
waren de drie guna’s of kwaliteiten – sattva (goedheid),
rajas (hartstocht) en tamas (kalmte) – in evenwicht in pradhana.
Uit de ‘ongelijke ontwikkeling’ of manifestatie van deze
kwaliteiten komt mahat of kosmisch intellect voort, dat onder invloed
van de kwaliteiten drievoudig wordt (1:33-5). Mahat brengt manas (het
denkende beginsel) voort en ahankara (zelfheid, persoonlijkheid, of
het gevoel van ‘ik ben ik’). Volgens de theosofische opvatting
is mahat in werkelijkheid het geheel van de goddelijke en spirituele
intelligenties van de kosmos, de menigte dhyani-chohans. Aldus is de
eerste schepping de schepping van mahat of de menigte kosmische intelligenties.
De volgende twee scheppingen betreffen de oorsprong van
de elementen en de zintuigorganen uit ahankara, beïnvloed door
de drie hoedanigheden. Hier zien we het proces van differentiatie als
gevolg van illusie. Buddhi (de geestelijke ziel) als beginsel is in
hogere zin ondeelbaar: er is geen sprake van welke afgescheidenheid
dan ook. Het kosmische denkvermogen brengt scheidingen aan in afzonderlijke
dingen. In het universele zijn is ahankara het begin van zelf-gewaarzijn
van de verschillende dingen als zijnde duidelijk van elkaar gescheiden.
Met andere woorden, uit het kosmische denken komt de eerste schaduwachtige
omlijning van zelfheid voort. Zuiver (sattva) ahankara wordt hartstochtelijk
(rajas) en tenslotte rudimentair of initieel (tamas); het is de oorsprong
van elk bewust bestaan, en ook van alles wat ten onrechte onbewust bestaan
wordt genoemd.
De tweede of ‘elementale’ schepping is de
eerste differentiatie van universele ongedifferentieerde substantie.
Deze brengt de vijf tanmatra’s, ‘rudimentaire elementen’,
voort waaruit de ‘grove elementen’ (mahabhuta’s),
namelijk aarde, water, lucht, vuur en aether ontstaan. Deze tanmatra’s
zijn geluid, gevoel bij aanraking, vorm of het zichtbare, smaak en geur.
Geluid brengt aether voort, gevoel vuur, vorm of het zichtbare lucht,
smaak water en geur aarde. Dit is de tweede of elementale schepping,
die voortkomt uit het beginsel van ahankara onder invloed van tamas
(inertie, duisternis).
Dan volgt de derde of indriya-schepping van de zintuigorganen.
Van de tien zintuigorganen (oor, huid, oog, tong, neus, spraakorgaan,
handen, voeten, de uitscheidings- en voortplantingsorganen) wordt gezegd
dat ze het product zijn van ahankara onder invloed van rajas (hartstocht,
verdorvenheid); en de tien godheden die over hen heersen komen voort
uit ahankara onder invloed van sattva (goedheid), evenals het denken,
dat het elfde is.
Deze drie scheppingen die samen de primaire schepping
worden genoemd, worden voorafgegaan door of komen voort uit buddhi.
Dit, zo legt Blavatsky uit, is omdat buddhi noch een afzonderlijke noch
een ondeelbare grootheid is, maar deel heeft aan de aard van beide.
Op het vlak van illusie is ze een menselijke monade, maar eenmaal bevrijd
van de illusie van de drie vormen van egoïsme (ahankara) en van
het aardse denken, is buddhi werkelijk ononderbroken, zowel in tijd
als ruimtelijk, omdat ze eeuwig en onsterfelijk is. Blavatsky noemt
drie scheppingen die hun oorsprong vinden in buddhi, waarnaar in de
Purana’s slechts in bedekte termen wordt verwezen. Zoals het Vayu
Purana zegt: ‘de zes scheppingen die voortkomen uit de reeks
waarvan mahat de eerste is, zijn het werk van Brahma. De drie scheppingen
die met buddhi beginnen zijn elementaal’ (1:77n, vertaling van
Wilson).
Laten we bekijken hoe het wereldei tot aanzijn komt. Het
Vishnu Purana verklaart dat, wanneer ether, lucht, licht, water
en aarde met elkaar worden gecombineerd,
zij ten gevolge van het tot stand komen
van wederzijdse verbindingen het karakter aannemen van één
massa van volkomen eenheid; en, onder leiding van de geest, met de
zwijgende instemming van het ondeelbare beginsel, het intellect en
de rest tot en met de grove elementen, vormden ze een ei dat zich
langzaam uitbreidde als een luchtbel op het water. Dit enorme ei,
o wijze, dat is samengesteld uit de elementen en dat rust op de wateren,
was het uitmuntende natuurlijke verblijf van Vishnu in de vorm van
Brahma; . . . In dat ei, o brahmaan, bevonden zich de continenten
en zeeën en bergen, de planeten en onderverdelingen van het universum,
de goden, de demonen en de mensheid. En dit ei was uitwendig bekleed
met zeven natuurlijke omhulsels; door water, lucht, vuur, ether en
ahankara, de oorsprong van de elementen, ieder tienmaal de omvang
van dat wat het omhulde; vervolgens kwam het beginsel van de intelligentie;
en tenslotte werd het geheel omhuld door het ondeelbare beginsel;
aldus leek het geheel op een kokosnoot, vanbinnen gevuld met pulp
en vanbuiten bedekt met bast en schil. –1:38-40
De primaire schepping met haar drie stadia wordt gevolgd
door de secundaire schepping die de vierde en verdere evolutieperioden
omvat. Het Vishnu Purana beschrijft de vierde of mukhya-schepping
als ‘beginnend met onwetendheid en bestaande uit duisternis’
(1:69). Brahma, ondergedompeld in abstractie, schiep ‘de vijfvoudige
(onbeweeglijke) wereld, zonder intellect of bespiegelend vermogen, zonder
waarneming of gewaarwording, niet in staat tot gevoel of om zich te
bewegen’. Deze schepping omvat de vastzittende wezens: het mineralenrijk
en de vijf klassen van het plantenrijk.
De vierde schepping in deze wereld begint in feite met
de evolutie van de drie elementale of rudimentaire rijken. Volgens Blavatsky
gebeurde dit in omgekeerde volgorde ten opzicht van die in de primaire
periode, waar de volgorde was: het kosmisch denkvermogen, de rudimentaire
elementen en de zinnen. In de tweede schepping
zijn . . . de elementale krachten als
volgt gerangschikt: (1) de ontstaande krachtcentra (intellectuele
en fysische); (2) de rudimentaire beginselen – zenuwkracht,
om zo te zeggen; en (3) de bewuste waarneming die ontstaat
en die het mahat van de lagere rijken is; deze is in het
bijzonder ontwikkeld in de derde orde van elementalen. Deze worden
gevolgd door het objectieve mineralenrijk, waarin die bewuste waarneming
geheel latent is, om zich pas in de planten weer te ontwikkelen. De
mukhya-‘schepping’ is dus het punt dat ligt tussen
de drie lagere en de drie hogere natuurrijken, die de zeven esoterische
rijken van de Kosmos en ook van de aarde vertegenwoordigen.
– De Geheime Leer 1:498
Dan volgt de vijfde schepping: toen Brahma zag dat de
vierde onvolkomen was, ontwierp hij de dierlijke schepping. Het kenmerk
van de dieren was duisternis of onwetendheid; ze waren ‘verstoken
van kennis, onbeheerst in hun gedrag, en hielden dwaling voor wijsheid;
ze waren gevormd door egoïsme en gevoel van eigenwaarde en werkten
onder invloed van de achtentwintig soorten onvolmaaktheid [zoals blindheid,
doofheid, intellectuele gebreken, enz.], en manifesteerden inwendige
gewaarwording en verbonden zich met elkaar (naar hun soort)’ (Vishnu
Purana 1:71-2).
Brahma zag dat ook deze schepping onvolmaakt was en ging
over tot de zesde schepping, die vol was van de eigenschap goedheid.
De wezens die in deze schepping werden voortgebracht waren begiftigd
met plezier en vreugde, innerlijk en uiterlijk onbezwaard, en vanbinnen
en vanbuiten lichtgevend. Deze schepping wordt soms als de zesde beschouwd,
soms als de derde, en soms wordt deze weggelaten uit de opvolgingsreeks
van scheppingen van de secundaire periode omdat zij in feite behoort
tot de primaire periode, waarin de schepping van de godheden de derde
schepping was. Deze godheden waren, volgens Blavatsky, ‘slechts
de oervormen van het eerste ras, de vaders van hun ‘uit het denkvermogen
geboren’ nakomelingen met de weke beenderen. Zij brachten
de ‘uit zweet geborenen’ voort . . .’ (GL
1:500).
Brahma vond, hoewel hij verheugd was, zijn creatie toch
nog onvolledig, en vervolgde daarom met de zevende, achtste en negende
schepping:
Daarom, voortgaande met zijn meditaties,
ontsprong ten gevolge van zijn onfeilbare doelgerichtheid de schepping
van wat genoemd wordt de arvaksrota’s, . . . Deze zijn vervuld
van het licht van kennis [sattva]; maar de kwaliteiten van duisternis
[tamas] en verdorvenheid [rajas] overheersen. Daarom worden ze geteisterd
door het kwaad, en worden herhaaldelijk aangezet tot handelen. Ze
hebben zowel uiterlijke als innerlijke kennis en zijn de instrumenten
(voor het bereiken van het doel van de schepping, de bevrijding van
de ziel). Deze schepselen waren de mensheid.
. .
.
Er is een achtste schepping, genaamd
anugraha, die de eigenschappen van zowel goedheid als duisternis bezit.
. . . Maar er is een negende, de kaumara-schepping, die zowel primair
als secundair is. Dit zijn de negen scheppingen door de grote voorouder
van alles, en deze zijn, als primaire en als secundaire scheppingen,
de worteloorzaken van de wereld, voortkomend uit de hoogste schepper.
– Vishnu Purana 1:73,75-8
De Geheime Leer zegt dat de achtste schepping
die hier wordt genoemd helemaal geen schepping is; het is een versluiering
[Eng.: blind], want er wordt gedoeld op een zuiver mentaal
proces: het waarnemen van de negende schepping die, op haar beurt, een
gevolg is waarbij in de secundaire schepping dat tot manifestatie wordt
gebracht wat een werkelijke schepping was in de primaire. De achtste
schepping is volgens Blavatsky ‘‘die schepping die we
kunnen waarnemen’ – in haar esoterische aspect –
en ‘waarmee ons verstand instemt (anugraha), in tegenstelling
tot de organische schepping’. De juiste waarneming van
onze betrekkingen tot de hele reeks van ‘goden’ en vooral
van die tot de kumara’s – de zogenaamde ‘negende
schepping’ – vormt in werkelijkheid een aspect of weerspiegeling
van de zesde in ons manvantara . . .’ (GL 1:500).
De negende of kaumara-schepping is zowel primair als secundair,
zegt het Vishnu Purana. De kumara’s (letterlijk zij die
eeuwig jeugdig zijn) ‘‘zijn de Dhyani’s die rechtstreeks
zijn afgeleid uit het hoogste Beginsel, en die opnieuw verschijnen in
de Vaivasvata Manu periode [ons huidige manvantara] om de mensheid vooruit
te helpen’’ (GL 1:501). Zij kunnen inderdaad een
‘bijzondere’ of extra schepping aanduiden, zegt
Blavatsky, omdat zij ‘door zich te incarneren in de onbewuste
menselijke schillen van de eerste twee Wortelrassen en een groot deel
van het derde Wortelras, om zo te zeggen een nieuw ras
scheppen: dat van denkende, zelfbewuste en goddelijke mensen’
(GL 1:501n). Het Vishnu Purana voegt eraan toe dat
deze wijzen even lang leven als Brahma en dat ze alleen in de eerste
kalpa door hem worden geschapen. Esoterisch beschouwd zijn ze de voorouders
van het ware geestelijke zelf in de fysieke mens, niet de voorouders
van het model of type van de fysieke vorm. Aldus is de zogenaamde negende
schepping van de kumara’s geen werkelijke schepping, maar de incarnatie
van het reeds bestaande hoogste beginsel in de eerste drie wortelrassen.
De kumara’s treden verschillende malen op: als de zesde schepping
(die in werkelijkheid de derde is) zijn ze de prototypen van het eerste
ras van goddelijke mensen (en niet van de lagere of van de maan afkomstige
voorouders van de mens).
Laten we het hele beeld van de evolutie zoals dat in het
Vishnu Purana wordt gegeven samenvatten. Eerst was er de sluier
van Brahman – pradhana, het ondeelbare beginsel – waarin
de drie kwaliteiten van tamas, rajas en sattva in evenwicht waren. Vervolgens
wordt die schepping geactiveerd door Brahman via Vishnu die de oermaterie
en -geest binnengaat. Nauwelijks genoemd wordt buddhi of kosmische intelligentie,
vanwaaruit de drie rudimentaire scheppingen hun oorsprong vinden. Dan
volgt wat de Purana’s de eerste schepping noemen, die van mahat,
kosmisch denkvermogen of kosmische intelligentie, ten gevolge van de
ongelijke ontwikkeling van de drie kwaliteiten. Als gevolg van mahat
manifesteert zich het gevoel van zelfheid. In combinatie met de drie
kwaliteiten die dan niet meer in evenwicht zijn, vindt de drievoudige
primaire schepping van Brahma plaats. De tweede schepping is die van
de rudimentaire elementen, waar de grove elementen uit voortkomen; de
derde schepping is die van de zintuiglijke waarneming en de godheden
die daarover de leiding hebben.
Dan volgt de secundaire schepping – die de vierde
tot en met zevende schepping omvat – waarbij de vastzittende en
zich verplaatsende wezens, van mineralen en planten via dieren en de
prototypen van het eerste menselijke wortelras tot de (huidige) mens
tot ontstaan komen. De vierde schepping zelf begint met een drievoudig
proces om de drie graden van elementalenrijken te vormen, zich ontvouwend
in een volgorde tegengesteld aan die in de primaire periode. Deze drie
scheppingen plus de vierde tot en met zevende vormen in totaal zeven
scheppingen binnen de secundaire schepping. De zogenaamde achtste en
negende schepping zijn geen werkelijke scheppingen, maar verwijzen eigenlijk
naar de incarnatie van goddelijke wezens in de vroege wortelrassen van
de mensheid.