Boekbespreking: De
Goden wachten op ons, Katherine Tingley
‘Het licht wacht slechts op onze erkenning’, zei Katherine
Tingley.1 Hoe aangenaam dichtbij klinkt
dat, zoals zij het zegt – maar hoevelen nemen de moeite het te
zoeken, of herinneren zich in welke richting ze ernaar moeten uitzien?
Voor diegenen van ons die nu en dan door dit zoeken worden afgeleid
of ontmoedigd, zijn KT’s woorden in een pas verschenen uitgave,
De Goden wachten op ons, kaarsen in de duisternis.2
De bezieling van haar visie straalt door de tijd en haar treffende welsprekendheid
wordt op papier overgebracht zonder iets van haar kracht te verliezen:
ze moet een hartveroverend spreekster zijn geweest, met een gehoor waarop
de slaap nooit enige vat kreeg. Haar ideeën zijn fris en krachtig
en klinken bij het lezen als een strijdleus, die onze geestdrift stimuleert
en onze moed versterkt.
Als maatschappelijk activiste, internationaal kruisvaarder voor wereldvrede,
filantroop, hervormer en opvoeder, was KT niet onbekend met de kwalen
van de wereld; haar idealisme was noch utopisch, noch theoretisch. Ze
werkte met gevangenen en de behoeftigen van haar hulpmissies in New
York City. Als leider van de Theosophical Society van 1896 tot 1929
was ze de altijd geestdriftige activiste, die een tenthospitaal opzette
voor de behandeling van terugkerende veteranen uit de Spaans-Amerikaanse
oorlog, die scholen stichtte voor arme kinderen op Cuba en hulpzendingen
organiseerde voor Porto Rico. Ze voorzag en vestigde het internationaal
bekende TS hoofdkwartier in Point Loma, waar ze leiding en richting
gaf aan de Raja-Yoga Academie, de Vredestempel, het Griekse Theater,
de Theosofische Uitgeverij, activiteiten op landbouwgebied, zowel als
kunst, kunstnijverheid en muziek- en toneeluitvoeringen van de 500 inwonende
leden en studenten. Onder haar supervisie werden theosofische tijdschriften
gepubliceerd in de V.S., Engeland, Nederland, Duitsland en Zweden. Ze
hield wijd en zijd lezingen over wereldeenheid en riep in 1913 het Internationale
Theosofische Vredescongres bijeen op het eiland Visingsö, in het
Vättern Meer, Zweden.
Ofschoon jaren van toegewijd werk voor de lijdenden, daklozen en behoeftigen
haar ervan hadden overtuigd dat lichaamsverzorging alleen niet voldoende
was, zag ze er nooit tegenop op dat terrein te handelen als ze zag dat
dit nodig was en ging ze, zelfs als wereldvermaard spreekster, door
met het voeden en onderwijzen van de armen en met haar werk voor gevangenen.
Gedeelten uit enkele van deze lezingen die in de Verenigde Staten en
andere landen werden gehouden, zijn opgenomen in De Goden wachten
op ons. Uit haar woorden klinkt een vurig enthousiasme. Ze spreekt
met een gevoeligheid en echtheid die is gebaseerd op haar eigen ervaringen
en weet op dichterlijke wijze esoterische inzichten, praktische voorbeelden
en veel gezond verstand tot een harmonieus geheel te vormen.
Hartstochtelijk vraagt ze ons dieper te zoeken, om een innerlijke visie
op onze ware grootsheid te ontwikkelen. Stop met gemakzuchtig op meningen
van anderen te steunen en begin zelf na te denken, is haar raad. De
waarheid kan worden ontdekt en gekend, maar we worden maar
al te vaak verblind door de valse schijn van het oppervlakkige en vergankelijke.
Daardoor niet bevredigd menen we het gemis goed te maken door meer en
meer bezittingen, en door gewoonten van hebzucht, zelfzucht en genotzucht
aan te kweken. Ze nodigt ons uit deze gerichtheid op onszelf om te buigen
door onze horizon te verbreden: ‘We moeten ons denken afwenden
van ons kleine zelf, onze bekrompen omgeving en de nietige goden die
we in ons hart en huis een plaats hebben gegeven . . .’ (blz.
8).
Ze moedigt ons aan de ware innerlijke godheid te ontdekken, en herinnert
ons eraan dat het koninkrijk der hemelen in ons is. Ze wil dat we niet
langer steunen op een autoriteit buiten ons en dat we de verantwoordelijkheid
op ons nemen voor onze eigen evolutie en verlossing, zodat onze ‘slapende’
god kan gaan groeien en bloeien. Hij wacht slechts op onze roep.
Ze probeert niet alleen verantwoordelijkheid voor onze eigen vooruitgang
wakker te roepen, maar ook begrip voor de verbondenheid van ieder mens
met en zijn verantwoordelijkheid voor het geheel. Lang voordat voorstanders
van natuurbehoud en politieke activisten de slagzin bedachten ‘Denk
mondiaal en handel lokaal’, hield KT voor haar toehoorders over
de hele wereld een vurig pleidooi om de eenheid van de wereld te zien,
waarin iedereen zijn onderlinge afhankelijkheid van alle anderen beseft
en zich ervan bewust wordt dat zoiets als een toeschouwer niet bestaat
– allen zijn deelnemers; ‘als men de menselijke natuur op
enig punt raakt, raakt men de hele mensheid’ (blz. 153).
Door dieper te zoeken naar de oorzaken van het lijden, zag ze onze
neiging onszelf te beschouwen als beperkte en machteloze wezens, die
bezig zijn persoonlijke verlangens te bevredigen als een soort troostprijs.
Als we de god in ons zouden oproepen en onze band met het heelal zouden
ervaren, zouden we het gevoel van machteloosheid kunnen omzetten in
een gevoel van kracht en overtuiging. Door niet langer toe te geven
aan een soort onevenwichtige energie die ons aanzet om te vechten en
te sterven voor wat we geloven, zouden we ons bewust worden van de helpende
kracht die het ons mogelijk maakt in praktijk te brengen wat
we geloven.
Katherine Tingley herinnert ons aan de onmetelijke kracht van het denken
en waarschuwt ons ervoor teveel op verstandelijke kennis te steunen.
We kunnen onszelf misleiden door op onze persoonlijke meningen te vertrouwen
– ze raadt ons aan verder te kijken. ‘We beperken de godheid
naar de maat van ons eigen verstand en stellen ons het grenzeloze voor
als persoonlijk omdat we onwetend zijn van alles behalve het persoonlijke
in onszelf’ (blz. 151). Herhaaldelijk vertelt ze ons dat we groter
zijn dan we weten en spoort ons aan niet bang te zijn om naar waarheid
te zoeken. We zouden de kracht van het goddelijke ogenblikkelijk kunnen
vinden – ieder ogenblik – zodra we leren om met
onze innerlijke geest te zien.
Al weet ze welke hoogte we kunnen bereiken, ze koestert beslist geen
illusies over onze tegenwoordige tekortkomingen. Ze begrijpt dat het
heel gemakkelijk is de fouten van anderen te zien, en beveelt daarom
zelfanalyse aan als een werkelijkheidscontrole, een oefening die zeker
tot mededogen leidt.
Ze voelde bijzondere sympathie voor gevangenen. Het langste hoofdstuk
is gewijd aan deze ongelukkigen, hun mentale gesteldheid, hun vroegere
huiselijke omstandigheden, hun wanhoop en de mogelijkheden tot verbetering.
KT’s edelmoedige en meedogende natuur weerhield haar niet ervan
onbevreesd vast te stellen wat de oorzaken zijn van crimineel gedrag
en welke remedies daarvoor zijn – ook geloofde ze niet dat alle
criminelen achter de tralies zitten. Hoewel het gevangenissysteem werkt,
zoals men ze noemt, als huizen tot ‘verbetering’ is het
niet werkelijk bedoeld voor rehabilitatie. Menselijk falen is altijd
het gevolg van onwetendheid en ze legt uit dat criminelen meer als invaliden
zouden moeten worden behandeld, en verzorging en opvoeding nodig hebben
om een gezond en evenwichtig leven te herkrijgen. Ze moeten worden aangemoedigd
en voortdurend eraan worden herinnerd dat zij de kracht bezitten om
zich in harmonie te brengen met de innerlijke wetten van het leven en
hun huidige zwakheden te overwinnen.
KT gaat zonder moeite over van de meest ernstige overtreders naar hen
die meester over het leven zijn geworden. De beschrijving van haar eerste
ontmoeting met H.P. Blavatsky’s leraar is verhelderend en stemt
ons tot bescheidenheid. Haar advies aan ouders over het opvoeden van
kinderen is ze lief te hebben, maar niet op sentimentele wijze; haar
bespreking van reïncarnatie is praktisch. Ze geeft ons de verzekering
dat het besef van onze goddelijke essentie ons kan helpen onze problemen
op te lossen. Als we begrijpen dat we oude zielen zijn op een pelgrimstocht
door een oneindig heelal, dan verruimt dat ons perspectief en helpt
dat ons om vooroordelen los te laten en onze verbeeldingskracht te stimuleren.
Een serieuze poging onszelf te begrijpen is noodzakelijk vóór
we elkaar kunnen helpen: ‘Niemand – niet de grootste hervormer,
niet de grootste geleerde van de mensheid – kan het middel vinden
tegen de kwalen van het leven als hij die sleutel niet in zichzelf heeft
gevonden’ (blz. 101). Er is zoveel lijden in de wereld, zoveel
wreedheid en onwetendheid dat ze ons aanspoort van ieder moment gebruik
te maken. We leven niet alleen voor vandaag, we handelen voor de eeuwigheid,
‘we bouwen aan de toekomstige beschaving’ (blz. 34), en
de goden, onze vertrouwde en bereidwillige metgezellen, wachten op ons.
Verwijzingen
- Theosofie:
Het Pad van de Mysticus, blz. 25, Theosophical University
Press Agency, Den Haag, 1980, 172 blz., gebonden.
- De
Goden wachten op ons, vertaling van de 2de herziene editie, Theosophical
University Press Agency, Den Haag, 2000, 180 blz., paperback.