Goddelijke afdaling
Gerald J. Schueler, PhD en Betty J. Schueler, PhD

 

Veel religieuze tradities geven de cyclische inwijding die wordt geassocieerd met de lentenachtevening weer als een afdaling naar de onderwereld. Jezus zou bijvoorbeeld in die periode drie dagen in de hel hebben doorgebracht. Een soortgelijk verhaal betreft de reis van de Noorse God Hermod, zoon van Odin, door de zwarte mist van Niflheim naar de onderwereld. Zijn broer Balder, de zonnegod, was met een twijg van de maretak gedood door de blinde god Höder, geleid door Loki, en Hermod nam het op zich hem te bevrijden uit het rijk van Hel, de dochter van Loki.

Gedurende zijn reis reed Hermod negen nachten schrijlings op Sleipnir, het merkwaardige achtbenige paard van zijn vader, door de inktzwarte duisternis van een diepe vallei die grensde aan het ijzige gebied van het rijk van Hel. Toen hij de woeste rivier de Gjoll overstak, kwam hij tegenover de bewaakster van de brug te staan, die onmiddellijk wist dat Hermod tot de levenden behoorde. Maar vastbesloten zijn doel te bereiken passeerde hij haar en reed zonder in te houden naar de massieve poorten die naar het paleis van Hel leidden.

Omdat hij nog leefde kon Hermod de poorten niet openen of de ijsmuren van het paleis doordringen. Omdat hij weigerde het op te geven spoorde hij Sleipnir aan in de richting van de poorten en met een enorme sprong kwam hij over de muur. Hij passeerde de afschuwelijke rijen lijken en steeg af bij de deuren van Hel en liep stoutmoedig de enorme zaal binnen. Duizenden gezichten, miljoenen ogen staarden hem aan – hij wist dat dit de wanhopige doden waren, gevangen in het paleis van de onderwereld. Algauw zag hij zijn blonde broer rustig op een hoge zetel zitten aan één kant van de met mist gevulde ruimte.

Hermod wachtte in stilte geduldig de hele nacht tot eindelijk Hel de zaal binnentrad om hem te groeten. De helft van Hels gezicht en lichaam waren die van een levende vrouw, maar haar andere helft was die van een verrot, weggeschrompeld lijk. Hermod vertelde haar dat heel Asgard rouwde om zijn ongelukkige broer en vroeg of ze ermee kon instemmen dat Balder met hem terugkeerde. Ze antwoordde langzaam dat ze het niet eens was met het feit dat Balder door iedereen werd gemist en bood Hermod een test aan: ‘Als alles in de negen werelden, dood en levend, weent om Balder’, beloofde ze met een sluwe glimlach, ‘laat hem dan terugkeren naar Asgard. Maar als ook maar één ding bedenkingen heeft, moet Balder in Niflheim blijven.’

Zonder te rusten reed Hermod terug naar het hemelse Asgard, en het bericht over de belofte van Loki’s dochter deed snel de ronde naar alle negen werelden. Algauw weende alles. Toen de boodschappers van Asgard terugkeerden, overtuigd van het succes van hun missie, kwamen ze een reuzin tegen die alleen in een grot zat. Zij was de enige die weigerde om Balder te wenen: ‘Ik kan hem niet gebruiken’, antwoordde ze op al hun smeekbeden. ‘Laat Hel houden wat ze heeft.’ Aldus werd beschikt dat Balder bij Hel moest blijven. Toen de goden dit hopeloze nieuws hoorden, wisten ze dat de reuzin niemand anders was dan de vormveranderaar, Loki.

De legende van het doden van Balder is kenmerkend voor ‘stervende goden’ zoals Tammuz, Adonis, Attis en Osiris. Het is het verhaal van een goddelijk wezen dat afdaalt naar een lagere sfeer of bestaansgebied. Veel van deze goden keren weer terug naar hun eigen gebied zoals vegetatie terugkomt in het voorjaar. Maar sommigen, zoals Balder, blijven in de lagere rijken, om pas naar hun rechtmatige plaats terug te keren nadat ‘alles in de negen werelden, dood en levend, weent’.

In het boeddhisme wordt zo’n persoon een bodhisattva genoemd, en de onderwereld is onze eigen aarde. Een bodhisattva is echter geen god, maar een spiritueel verlicht mens. Zoals sommige goden afdalen in de onderwereld, zo zouden verlichte geesten af en toe afdalen in een stoffelijke manifestatie; ze worden dan geboren in onze wereld om de waarheid onder de mensheid levend te houden en om alle levende wezens zoveel mogelijk te helpen. De ware bodhisattva belooft plechtig om in de wereld te incarneren zolang ook maar één mens zijn hulp nodig heeft. Ofschoon ze zeker de hemelse rust verdienen in de gelukzaligheid van het goddelijke, weigeren ze resoluut elke persoonlijke beloning en blijven tot de hele wereld de vruchten plukt van hun geweldige daad van zelfopoffering. Wij doen dit misschien in beperkte mate telkens wanneer we ons, om anderen te helpen, in een sfeer of omgeving begeven die ons anders zou afstoten. Elke keer dat we alles in het werk stellen om een ander van dienst te zijn, nemen we deel aan de grote inwijdingscyclus waartoe ook de lentenachtevening behoort. Misschien dat daarom zoveel mensen in de wereld in deze tijd van het jaar een sterk gevoel van hoop ervaren.

 
Artikelen over Oud-Noorse wijsheid
 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 2000

© 2000 Theosophical University Press Agency