Veel religieuze tradities geven de cyclische inwijding die wordt geassocieerd
met de lentenachtevening weer als een afdaling naar de onderwereld.
Jezus zou bijvoorbeeld in die periode drie dagen in de hel hebben doorgebracht.
Een soortgelijk verhaal betreft de reis van de Noorse God Hermod, zoon
van Odin, door de zwarte mist van Niflheim naar de onderwereld. Zijn
broer Balder, de zonnegod, was met een twijg van de maretak gedood door
de blinde god Höder, geleid door Loki, en Hermod nam het op zich
hem te bevrijden uit het rijk van Hel, de dochter van Loki.
Gedurende zijn reis reed Hermod negen nachten schrijlings op Sleipnir,
het merkwaardige achtbenige paard van zijn vader, door de inktzwarte
duisternis van een diepe vallei die grensde aan het ijzige gebied van
het rijk van Hel. Toen hij de woeste rivier de Gjoll overstak, kwam
hij tegenover de bewaakster van de brug te staan, die onmiddellijk wist
dat Hermod tot de levenden behoorde. Maar vastbesloten zijn doel te
bereiken passeerde hij haar en reed zonder in te houden naar de massieve
poorten die naar het paleis van Hel leidden.
Omdat hij nog leefde kon Hermod de poorten niet openen of de ijsmuren
van het paleis doordringen. Omdat hij weigerde het op te geven spoorde
hij Sleipnir aan in de richting van de poorten en met een enorme sprong
kwam hij over de muur. Hij passeerde de afschuwelijke rijen lijken en
steeg af bij de deuren van Hel en liep stoutmoedig de enorme zaal binnen.
Duizenden gezichten, miljoenen ogen staarden hem aan – hij wist
dat dit de wanhopige doden waren, gevangen in het paleis van de onderwereld.
Algauw zag hij zijn blonde broer rustig op een hoge zetel zitten aan
één kant van de met mist gevulde ruimte.
Hermod wachtte in stilte geduldig de hele nacht tot eindelijk Hel de
zaal binnentrad om hem te groeten. De helft van Hels gezicht en lichaam
waren die van een levende vrouw, maar haar andere helft was die van
een verrot, weggeschrompeld lijk. Hermod vertelde haar dat heel Asgard
rouwde om zijn ongelukkige broer en vroeg of ze ermee kon instemmen
dat Balder met hem terugkeerde. Ze antwoordde langzaam dat ze het niet
eens was met het feit dat Balder door iedereen werd gemist en bood Hermod
een test aan: ‘Als alles in de negen werelden, dood en levend,
weent om Balder’, beloofde ze met een sluwe glimlach, ‘laat
hem dan terugkeren naar Asgard. Maar als ook maar één
ding bedenkingen heeft, moet Balder in Niflheim blijven.’
Zonder te rusten reed Hermod terug naar het hemelse Asgard, en het
bericht over de belofte van Loki’s dochter deed snel de ronde
naar alle negen werelden. Algauw weende alles. Toen de boodschappers
van Asgard terugkeerden, overtuigd van het succes van hun missie, kwamen
ze een reuzin tegen die alleen in een grot zat. Zij was de enige die
weigerde om Balder te wenen: ‘Ik kan hem niet gebruiken’,
antwoordde ze op al hun smeekbeden. ‘Laat Hel houden wat ze heeft.’
Aldus werd beschikt dat Balder bij Hel moest blijven. Toen de goden
dit hopeloze nieuws hoorden, wisten ze dat de reuzin niemand anders
was dan de vormveranderaar, Loki.
De legende van het doden van Balder is kenmerkend voor ‘stervende
goden’ zoals Tammuz, Adonis, Attis en Osiris. Het is het verhaal
van een goddelijk wezen dat afdaalt naar een lagere sfeer of bestaansgebied.
Veel van deze goden keren weer terug naar hun eigen gebied zoals vegetatie
terugkomt in het voorjaar. Maar sommigen, zoals Balder, blijven in de
lagere rijken, om pas naar hun rechtmatige plaats terug te keren nadat
‘alles in de negen werelden, dood en levend, weent’.
In het boeddhisme wordt zo’n persoon een bodhisattva genoemd,
en de onderwereld is onze eigen aarde. Een bodhisattva is echter geen
god, maar een spiritueel verlicht mens. Zoals sommige goden afdalen
in de onderwereld, zo zouden verlichte geesten af en toe afdalen in
een stoffelijke manifestatie; ze worden dan geboren in onze wereld om
de waarheid onder de mensheid levend te houden en om alle levende wezens
zoveel mogelijk te helpen. De ware bodhisattva belooft plechtig om in
de wereld te incarneren zolang ook maar één mens zijn
hulp nodig heeft. Ofschoon ze zeker de hemelse rust verdienen in de
gelukzaligheid van het goddelijke, weigeren ze resoluut elke persoonlijke
beloning en blijven tot de hele wereld de vruchten plukt van hun geweldige
daad van zelfopoffering. Wij doen dit misschien in beperkte mate telkens
wanneer we ons, om anderen te helpen, in een sfeer of omgeving begeven
die ons anders zou afstoten. Elke keer dat we alles in het werk stellen
om een ander van dienst te zijn, nemen we deel aan de grote inwijdingscyclus
waartoe ook de lentenachtevening behoort. Misschien dat daarom zoveel
mensen in de wereld in deze tijd van het jaar een sterk gevoel van hoop
ervaren.