De lering van de theosofie is dat evolutie –
of ontvouwing, loswikkeling, zelfexpressie, geleidelijke groei van
een entiteit – in cyclussen verloopt, zowel grote als kleine.
– G. de Purucker
Als we ons ervan bewust waren dat ons leven op elk ogenblik en op elke
plaats kan eindigen, zouden we dan niet anders leven? Zouden we dan
niet proberen onze tijd verstandiger te gebruiken en broederlijker omgaan
met onze medemensen? De arts Melvin Morse beschrijft hoe bijna-dood-ervaringen
veel mensen die terugkeerden hebben veranderd:
De ervaring van het licht heeft mensen een nieuw
doel in het leven gegeven. Daarmee bedoel ik niet dat ze door God
werden gered om een geneesmiddel tegen kanker te bedenken of om de
wereld te beschermen tegen vernietiging door kernenergie. Niet zoiets
hoogdravends.
Hun doel is heel eenvoudig en kan gemakkelijk worden
samengevat: heb eerbied voor het leven en zie overal in de natuur
de complexe samenhang ervan.
. .
.
De aan deze kinderen van het licht gegeven boodschappen
zijn niet nieuw of aanvechtbaar. Ze zijn zo oud als de mensheid zelf
en hebben gediend als de voornaamste brandstof voor onze grote religies:
‘Heb uw naaste lief en heb respect voor het
leven.’
‘Behandel anderen zoals je wenst dat ze jou
behandelen.’
– Closer
to the Light, blz. 163
Leven en dood zijn in wezen één, zoals ook energie en
materie, of geest en substantie, twee kanten van hetzelfde zijn. De
dood is eenvoudig een overgang naar een ander aspect van het leven,
precies zoals de geboorte dat is. Het werkelijke zelf is het innerlijke
zelf, niet het lichaam. Vuur noch wapens, niets kan het werkelijke zelf
vernietigen; alleen het lichaam en andere lagere delen van de constitutie
van de mens zijn sterfelijk en worden aan het einde van een incarnatie
als lege schillen achtergelaten. Bij de dood begint het innerlijke zelf
of het reïncarnerende ego aan een prachtige reis die ons met diepe
eerbied zou moeten vervullen.
Volgens de theosofie1 begint het natuurlijke
stervensproces vele maanden vóór de lichamelijke dood
plaatsheeft. Terwijl de hogere facetten van de menselijke constitutie
zich langzaam beginnen terug te trekken, gaat er een schok door het
hele organisme, die een aanduiding is van de naderende gebeurtenis.
Het sterven van het lichaam vangt pas aan als de eeuwige pelgrim gereed
is om te vertrekken.
Laten we meer in detail kijken naar de overgang vanuit de fysieke naar
de geestelijke wereld. In de Mahatma Brieven wordt verklaard:
Op het laatste ogenblik wordt het hele leven in ons
geheugen weerspiegeld en komt het uit alle vergeten hoeken en gaten
te voorschijn, beeld na beeld, het ene voorval na het andere. Het
stervende brein maakt met een uiterste krachtsinspanning het geheugen
vrij, en het geheugen herstelt getrouw iedere indruk die in de periode
van activiteit van het brein eraan werd toevertrouwd. . . . De mens
kan vaak dood lijken. Maar vanaf de laatste polsslag, vanaf en tussen
de laatste hartenklop en het moment waarop de laatste vonk van dierlijke
warmte het lichaam verlaat – denkt het brein en doorleeft het
ego in die luttele korte seconden opnieuw zijn hele leven. . . . Spreek
fluisterend, zeg ik, om de rustige stroom van gedachten niet te verstoren
en het verleden niet te hinderen dat druk bezig is zijn weerkaatsing
op de sluier van de toekomst te werpen. –
blz. 184-5
Wat we het geheugen noemen is het vermogen om de mentale, emotionele
en fysieke indrukken min of meer correct te lezen die gedurende ons
leven op ons innerlijke wezen zijn afgedrukt. Tijdens dit panoramische
visioen worden talloze indrukken losgemaakt die door ons dagelijkse
bewustzijn niet waren opgemerkt omdat we er niet ontvankelijk voor waren.
Bij het sterven beleven we alles opnieuw en nemen we ook verborgen dingen
waar; ons bewustzijn is grotendeels bevrijd van de belemmeringen van
het fysieke brein en wordt helder.
Wanneer de laatste gedachte wordt bereikt, de laatste emotie weer wordt
doorleefd, begrijpt het ego de oogst van dit leven en welke zaden voor
de volgende incarnatie zijn geplant. Zonder angst, zonder veroordeling
van zichzelf, zonder verdriet of vreugde is het ego zich bewust van
wat in het pas geëindigde leven is bereikt vanuit het gezichtspunt
van zijn eigen hogere zelf.
Op dezelfde manier kunnen we voor het naar bed gaan ons de dag voor
de geest halen, vaststellen wat we goed of verkeerd hebben gedaan en
wat we zouden moeten veranderen. Deze geestelijke oefening is een goede
voorbereiding voor het panoramische visioen, want de dood is een volkomen
of meer uitgebreide slaap. Als we iedere avond onze fouten erkennen
en bereid zijn die te verbeteren, heeft het denken de neiging rustig
te worden en vallen we vredig in slaap.
Zodra het panoramische visioen is geëindigd, begint er een proces
waarnaar in de Chhandogya Upanishad wordt verwezen:
Wanneer een mens op het punt staat te sterven, omringen
zijn familieleden hem, tonen hem genegenheid en zeggen: ‘Ken
je mij? Ken je mij?’ Zolang zijn spraak niet opgaat in zijn
denken (manas), zijn denken in het leven (prana), het leven in het
vuur (tejas), het vuur in de hoogste godheid – zolang weet hij.
Wanneer nu zijn spraak is opgegaan in het denken,
het denken in het leven, het leven in het vuur, het vuur in de hoogste
godheid – dan weet hij niet.
Dat wat in hem het uiterst kleine (ani) is, dat is
zijn essentie, dat is alles, dat is waarheid (satya), dat is atman.
Dat zijt gij, Svetaketu. – 6.15.1-3
Zo treedt de goddelijke straal terug en rollen de beginselen zich een
voor een naar binnen. Hoe? Omdat het panoramische visioen ten einde
loopt, trekt de verbinding tussen het fysieke lichaam en het innerlijke
wezen zich terug, begint daarmee bij de benen en stijgt langzaam op
naar het hart, dan door de ruggengraat naar de hersenen. Het moment
komt dat de levensdraad onherroepelijk breekt en de polariteit van het
lichaam verandert. Het fysieke gevolg is dat de verstijving begint;
de in het lichaam nog aanwezige levenskrachten vallen terug in een vegetatieve
toestand en veroorzaken lichamelijke stijfheid. Naarmate deze pranische
krachten het lichaam verlaten, verslappen de ledematen.
De respectieve prana’s stromen door elke opening van het lichaam
weg. De voortplantingsorganen, anus en navel laten de lagere prana’s
gaan. Enkele hogere facetten van het astrale lichaam gaan weg door de
mond en de neusgaten, andere door de oren en ogen. De prana’s
die hun plaats hebben in het hart stijgen door de ruggengraat op naar
de hersenen. En de geestelijke, verheven, intelligente delen van de
constitutie verlaten het lichaam door een mystieke opening nabij de
pijnappelklier aan de bovenkant van het hoofd. Na het terugtrekken van
de prana’s begint de chemische ontbinding van het fysieke lichaam.
H.P. Blavatsky geeft deze toelichting:
Het is de werking van fohat [kosmische elektriciteit]
op een samengesteld of zelfs een enkelvoudig lichaam, die leven voortbrengt.
Als een lichaam sterft, gaat het over in dezelfde polariteit als zijn
mannelijke energie en het stoot daarom het werkzame agens af dat,
omdat het zijn greep op het geheel verliest, zich aan de
delen of moleculen vasthecht. Deze werking noemt men chemisch. Vishnu,
de instandhouder, verandert zich in Rudra-Siva, de vernietiger –
een verband dat aan de wetenschap onbekend schijnt te zijn.
– De Geheime Leer, 1:579vn
We zijn samengestelde wezens, en de levensatomen die de verschillende
delen van onze constitutie vormen moeten na de dood naar hun respectieve
gebieden terugkeren om hun eigen cyclus te vervolgen: aarde naar aarde,
water naar water, lucht naar lucht, vuur naar vuur. De lagere delen
van de samenstelling, waartoe ook de stoffelijke kant van het denkvermogen
hoort, vallen uiteen in verschillende klassen van levensatomen en circuleren
door de natuurrijken.
De afscheiding van de lagere elementen van het onsterfelijke wezen
is een zuiveringsproces. Deze ‘tweede dood’ is omschreven
als het gaan door kamaloka, Hades of het vagevuur. De sterfelijke delen
scheiden zich van de onsterfelijke en deze worden opgetrokken in de
nog hogere elementen van het geestelijke zelf. Hoe sterker we zijn verbonden
met de stoffelijke kant van de natuur, des te langer duurt dit proces.
En omgekeerd, hoe geestelijker ons leven en denken zijn geweest, hoe
gemakkelijker onze overgang naar de geestelijke wereld.
Na deze tweede dood wordt alles wat in het afgelopen leven geestelijke
waarde had, opgenomen in onze onsterfelijke monadische essentie. Vervolgens
begint er een prachtige reis door de innerlijke sferen en rust het reïncarnerende
ego in volmaakte vrede en geluk. Het verwekt en assimileert de ervaringen
van het afgelopen leven, maakt ze tot deel van zijn karakter, op dezelfde
manier als in de slaap voedsel wordt opgenomen en weefsel wordt hersteld.
De droomtoestand, of devachan, draagt bij ieder mens het specifieke
kenmerk van zijn edelste gedachten en aspiraties.
De innerlijke reis van de monade betekent echter veel meer dan een
vergoeding voor verdriet tijdens het leven op aarde. Het geestelijke
zelf gaat door het innerlijke wezen van de aarde, waar het zich op elke
bol korte tijd in een geschikt voertuig belichaamt. Vervolgens trekt
het via de heilige planeten naar het hart van ons zonnestelsel, de zon.
Daarna begint de terugreis. De monade neemt op iedere heilige planeet
het omhulsel weer aan dat ze op haar heenreis heeft afgelegd. Tenslotte
komt er een nieuw panoramisch visioen van het veelbelovende ochtendgloren
van onze nieuwe incarnatie en zien we een beeld van de bergen en dalen
van het komende leven. We kijken naar de zaden die we hebben meegebracht,
ons karmische lot. Maar vóór de geboorte drinken we uit
de rivier de Lethe het water van de vergetelheid, want op dit punt van
onze ontwikkeling zijn we nog niet klaar om voortdurend bewust van ons
verleden te leven. Het reïncarnerende ego schept dan de omstandigheden
voor een nieuw leven als mens.
Hoewel de dood een toegang is tot een geestelijke wereld, is het ook
een tijd van passiviteit. In die toestand kunnen we niets veranderen,
we kunnen alleen dromen hebben die we in de geestelijke kant van ons
leven hebben verweven. De dood waarschuwt ons dat we op de juiste manier
moeten leven, want na het sterven kunnen we de loop van het leven niet
meer wijzigen.
Ik moet denken aan het kinderboek van Otfried Preussler, De geschiedenis
van sterke Vanya. Als een eenvoudige boer die tsaar gaat worden,
ontmoet Vanya veel beproevingen in zijn leven, maar ondergaat ze allemaal
moedig, met beslistheid, wilskracht en vertrouwen in zijn bestemming.
De sleutel tot dit verhaal ligt in de manier waarop hij zijn leven leidt.
Bij ieder kruispunt gooit hij kruis of munt om vast te stellen of hij
naar rechts of naar links moet gaan. Het zilveren muntstuk had zijn
moeder hem gegeven en hij draagt het aan een koord om zijn hals, vlak
boven zijn hart. Als we aandacht willen schenken aan de cyclussen van
de ontwikkeling moeten we bij iedere beslissing dag in dag uit ons geestelijke
hart raadplegen, onze innerlijke moeder, om te ontdekken welk pad we
moeten volgen. We staan niet op een bepaalde dag plotseling tegenover
de grote beproeving; we staan eerder bij iedere ademhaling tegenover
veel kleine beproevingen. Door deze beproevingen te doorstaan en zo
de juiste weg te volgen, zullen we tenslotte de grote proef afleggen
en ‘tsaar’ worden – heerser over de rijken van de
natuur en haar hoogste dienaar.
De dood is een doorgang naar een prachtige wereld en niemand zou er
bang voor moeten zijn. Ze spoort ons aan ons leven verstandig te gebruiken
om onze toekomstige dagen vorm te geven en onze goddelijke mogelijkheden
actief en bewust toe te passen. Alleen zo kunnen we de innerlijke latente
krachten ontplooien en ze aanwenden als een zegen om iets tot stand
te brengen.
Laten we ons elk ogenlik gereedmaken om goed voorbereid door de poorten
van de dood te gaan. Hermann Hesse heeft die gedachte mooi onder woorden
gebracht in zijn gedicht ‘Fasen’:
Iedere bloem moet verwelken,
Maar elk stadium van het leven zal bloeien, ook de wijsheid,
En iedere deugd bloeit – en verflauwt vervolgens.
Bereid je hart voor om te voldoen aan de eisen van het leven,
Zeg daarna vaarwel en ga naar iets nieuws,
Moedig, zonder spijt,
Neem nieuwe, andere verplichtingen op je.
In ieder nieuw begin schuilt een magie
Die ons beschermt en ons in het leven helpt.
We zouden verheugd moeten proberen van de ene plek naar de andere
te gaan
En nergens blijven vastzitten alsof het ons huis was.
De geest wil ons niet inkapselen,
Hij wil ons stap voor stap verheffen en bevrijden.
Als we zouden vastroesten,
Konden we suffig en tevreden worden.
We moeten klaarstaan om op te breken en ons te verplaatsen
En het verlammende web van de routine afschudden.
Misschien zal het uur van de dood
Ons, nog jong, naar onbekende plaatsen sturen,
En het leven zal nooit ophouden een beroep op ons te doen.
Ga eropaf, mijn hart, neem afscheid, en het ga je goed.
Verwijzing
- Zie G. de Purucker, Bron van
het Occultisme, afdelingen 11-12, ‘De
dood en de circulaties van de kosmos’.