De nalatenschap van een verlamde
dr. Howard A. Rusk

 

Jaren geleden ontving ik van een jonge veteraan een diepzinnige brief die me diep ontroerde. De schrijver was maar negentien jaar oud. Hij had zijn wervelkolom gebroken in de Stille Oceaan en was een van de eersten van wie de benen verlamd waren die werd behandeld volgens het programma van het veteranenziekenhuis. Hij woog maar zeventig pond omdat hij bijna niets at en steeds weer opmerkte, ‘Waarom zou ik?’

Er was een rodekruiszuster in het ziekenhuis die hem elke dag placht te bezoeken, en zij stelde hem altijd dezelfde vraag, ‘John, is er iets wat je vandaag zou wensen?’ en het antwoord was altijd hetzelfde, ‘Ja, ik wil sterven’. Dit ging zo wekenlang door, en op een dag zei ze, ‘John, is er niet iets dat je zou willen zeggen voordat je sterft?’ en na een lange pauze, zei hij, ‘Ja, ik denk van wel’. Er was een creatieve schrijfcursus in het ziekenhuis, waaraan befaamde schrijvers zoals John Hersey, Hervey Allen, John Mason Brown, en Meyer Berger meewerkten. Zij allen hielpen hem.

De eerste week van de cursus kostte het hem zoveel moeite zich te uiten dat hij alleen maar zijn naam opschreef. Toen hij begon te schrijven, begon hij te eten. Zijn gewicht nam toe en hij kon tenslotte het ziekenhuis verlaten. Hij ging naar zijn huis op Staten Island waar hij een speciale kamer had met boekenkasten rondom zijn bed die hij op elk moment van de dag en de nacht kon bereiken. Toen hij weer eens thuis kwam, zei hij, ‘Weet je, ik kon zelfs de middelbare school niet afmaken voordat ik de oorlog inging, maar nu kan ik lezen wanneer ik maar wil. Het is haast de moeite waard om verlamd te zijn.’

Zijn nalatenschap aan de wereld was een brief, een voorbeeld van moed en een levensfilosofie die in deze bewogen en verwarrende tijd zelfs welsprekender pleit voor de noodzaak van onderling begrip dan op de dag toen deze brief werd geschreven. Dit is zijn brief:

‘Ik heet John Crown. Ik ben verlamd in de onderste ledematen en lig in het Halloran General Hospital. Mijn fysieke verwonding is heel gering vergeleken bij mijn geestelijke wonden. Ik ben uit de dood teruggekeerd in een wereld die mij niet langer interesseert. Ik, die heb deelgenomen aan de grote strijd om de wereld te bevrijden van de tirannie, en die mijn kameraden heb zien sterven voor deze zaak, kan nu geen vrede vinden in de wereld of in mijn land.

‘Nadat ik twee jaar dichtbij de dood heb geleefd lijken de redenen waarom er geen vrede is uiterst onbenullig. Rusland wil de Dardanellen, Joegoslavië wil Triëst, de moslims willen India, arbeid wil meer loon, kapitaal wil meer winst, Jansen wil de auto vóór hem inhalen, de kinderen willen meer zakgeld. Tot hen zeg ik, is het nodig om mensen te doden en te verminken voor dit soort onbeduidende zaken?

‘Ieder die denkt dat een mensenlichaam zo goedkoop is dat het kan worden verhandeld voor een stuk land, een zilverstuk, of een paar vrije minuten zou moeten worden gedwongen dag en nacht te luisteren naar het gekerm van de stervenden en dat voor de rest van zijn leven.

‘Alle problemen van de wereld vinden hun oorsprong in de gewone mens. De zelfzuchtige en hebzuchtige manier van doen van de naties is precies de manier van doen van elke individuele mens honderd keer vergroot. Als de ethiek van de gewone mens terugvalt, dan gebeurt dat ook met de ethiek van het land en van de wereld.

‘Zolang onze individuele ethiek op een laag pitje staat, zal dat ook zo zijn met die van de wereld. Totdat ieder van ons ophoudt ‘de hele weg op te eisen’ met zijn auto, ophoudt ruzie te maken over een zitplaats in de bus, ophoudt met ruziën over wie het gras zal maaien, zal er geen vrede in de wereld zijn. Als de mensen weer vrede willen, moeten ze terugkeren tot het grote gebod, ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ om Gods wil.’

          – Met toestemming herdrukt uit The New York Times, 27 dec. 1970

 
Andere artikelen over waarheid en ethiek
 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 2000

© 2000 Theosophical University Press Agency