De mysticus is iemand die steeds in het bewustzijn van zijn goddelijke
natuur leeft. Hij voelt intuïtief het goddelijke leven in alle
dingen. Hij ziet achter het uiterlijke, dat van voorbijgaande en vergankelijke
aard is, een innerlijk dat onvergankelijk en eeuwig is. Hij in wie de
ziel steeds werkzaam is, die hem telkens aanspoort tot mededogen in
denken en handelen – hij is de ware mysticus.
Het pad van de mysticus is in zekere zin een verborgen pad, en een
stil en schitterend pad. Toch is het toegankelijk voor alle mensen,
en het is zo eenvoudig en zo nabij dat velen die het willen betreden
zich toch ervan afwenden, en denken dat het iets anders is.
De moeilijkheid was en is dat de leerling die moet kiezen tussen plicht
en begeerte, altijd voor twee wegen staat. Hij kan de ijdelheid der
ijdelheden najagen, of het mysterie der mysteriën zoeken. De verkeerde
weg wordt ten onrechte de gemakkelijke weg genoemd. In werkelijkheid
is het de moeilijke weg. Het pad van zelfoverwinning is de gemakkelijke
weg, als we het maar zo goed mogelijk zouden volgen en zoals dat zou
moeten.
Zodra we ons denken afstemmen op de hoge beginselen van dienen en broederschap,
opent ons hart zich, wordt ons denken helder, en zal het nieuwe licht
waarnaar we verlangen, doorbreken.
Als zij die zich soms in een zee van vragen en verwarring bevinden,
slechts toevlucht wilden nemen tot de hulpbronnen van de ziel, wat een
kracht en vrede zou hun dan ten deel vallen! In zeker opzicht is de
ziel een vreemde voor ons, en toch is zij werkelijk een rijke bron,
en als we ons in ons denken en streven laten leiden door zuivere en
hoge motieven, beschikt zij altijd over de middelen om ons te dienen.
We hebben in deze tijd meer geloof en vertrouwen nodig en dan zullen
we in omstandigheden verkeren waarin alles mogelijk is; waarin alles
wat we aanraken zal opbloeien en vreugde en blijdschap aan anderen zal
schenken. Omdat we zelf onbeperkt en rijkelijk ontvangen van dat grote
en volle leven, dat alles in de universele ruimte bezielt, zullen we
graag en met een open hart geven, zodat er nooit een verarmd leven van
ons zal uitgaan.
Velen die een bepaald punt hebben bereikt, willen soms dat alles hun
volledig wordt verklaard, zodat ze op een of andere wijze uit deze kennis
persoonlijk voordeel kunnen trekken; maar zonder de stimulans van inspanning,
zonder vertrouwen, zonder geloof, is niets mogelijk. We gaan naar bed
in het volle vertrouwen dat we de volgende ochtend zullen opstaan. We
zaaien een zaad in het volle vertrouwen dat de natuur haar werk zal
doen, en het zaad zal opkomen en vrucht dragen.
Het is in de stilte dat we de sleutel zullen vinden, als we besluiten
ernaar te zoeken, die in ons eigen wezen boeken van openbaring zal openen.
We zullen daar een kracht vinden waarover we nooit tevoren hebben beschikt,
en nooit konden beschikken voor we dit pad zochten. We zullen daar een
vrede vinden die het begrip te boven gaat. Misschien komt ze niet onmiddellijk
en niet overeenkomstig onze kleine wensen en verlangens, maar als het
motief onzelfzuchtig is, zal ze komen.
Als een mens zich in de stilte bewust wordt van zijn eigen goddelijke
natuur, beseft hij, al is het maar een ogenblik, dat hij anders is dan
hij schijnt te zijn. Hij gaat inzien dat hij een god is; hij laat de
verbeelding zijn hart vervullen en tot hem spreken over machtige dingen
die het gewone begrip te boven gaan; hij begint iets te beseffen van
zijn plicht tegenover de mensheid. Dit is discipline.
Discipline wordt op velerlei manieren bereikt, maar theosofie laat
zien hoe een mens, zonder hulp van anderen of van boeken, toch zijn
eigen innerlijke kracht kan vinden, die niet langer slechts een mogelijkheid
is. Hij zal diep in zijn eigen wezen graven om wijsheid te vinden. Hij
zal in zichzelf een nieuw soort intuïtie ontdekken, en tenslotte
zal hij door de ‘aanraking’ met dit goddelijker leven, de
kracht van zelfdiscipline leren kennen, en kan hij opstaan en zeggen:
ik weet!
Hoe meer we in de stilte zijn verenigd en proberen onszelf te zuiveren,
hoe dichter we bij het licht staan. Nooit mogen we het licht, onze verplichtingen
of onze goddelijkheid uit het oog verliezen, als we het heilige karakter
van onze roeping willen beseffen.
Er groeit iets in ons hart en in ons dagelijks leven dat niet kan worden
beschreven, maar alleen kan worden gevoeld. Maar hebben we dit eenmaal
gevoeld, diep en intens, dan volgen we het juiste pad. We zuiveren de
atmosfeer; we heiligen het leven.
Er moet tijd zijn voor een kalme, nadenkende geesteshouding. Verdiep
u in de omstandigheden waarin u verkeert, in de motieven die u tot een
bepaald streven of werk aanzetten, en stel dan met volstrekte eerlijkheid
vast of zij zelfzuchtig, onzelfzuchtig, of van gemengde aard zijn. Dat
is een proces dat verheffend en verhelderend zal werken, omdat het geweten
actief is. Het is in werkelijkheid een bekentenis aan het hogere zelf,
de godheid in u.
In dat streven roept men de magische kracht op die in de stilten van
het leven sluimert. Onjuiste denkbeelden worden in dat proces geleidelijk
uitgeschakeld en juiste kunnen binnenkomen. Dingen die men vroeger voor
het persoonlijke leven noodzakelijk achtte, zijn dat niet langer; en
door zo een ruimer gebied van denken en streven te betreden, brengt
men zichzelf in harmonie.
Door zo te denken schakelt men zijn zwakheden uit, en leert tevens
één grote waarheid, een waarheid waarop de Nazarener de
nadruk legde: dat men geen twee heren kan dienen. Men kan niet tegelijkertijd
in tegenovergestelde richtingen gaan; men kan geen twee paarden tegelijk
berijden; en zij die dat proberen zullen ongetwijfeld vroeg of laat
tot de ontdekking komen dat ze niets bereiken en hoogstwaarschijnlijk
onder de hoeven van beide worden vertrapt.
We hoeven slechts de eerste stap te doen in de ware geest van broederlijkheid,
en alle andere stappen zullen op natuurlijke wijze volgen. We moeten
krijgers zijn en de oude strijd zonder ophouden strijden, maar in deze
eeuwenoude strijd hebben de menigten van het licht zich met ons verbonden.
Achter de mens, achter alle dingen, staat de onsterfelijke geest van
mededogen.