Het is tijd
Dat de wereld wordt bezield met nieuwe hoop,
Dat nieuwe openbaringen een nieuw licht doen dagen bij een volk,
Dat zo lang terneergeslagen is geweest en zo lang is vergeten.
– Robert
Browning, Paracelsus
Er is beweerd dat de opstanding van Jezus de meest verbazingwekkende
gebeurtenis in de hele geschiedenis is, maar als we kijken naar de literatuur
van India, Egypte, Griekenland en andere volkeren uit de oudheid, zien
we dat het geen unieke gebeurtenis is, maar een terugkerende ervaring
– en daarom niet minder maar meer inspirerend en betekenisvol.
Er is niet één volk dat geen heiland of messias, avatara
of boeddha had, die hen onderrichtte en hen het ware levenspad toonde.
Er waren vele christussen in de eeuwen vóór Christus over
wie dezelfde legenden en wonderen worden verteld. India had haar Krishna,
en later Gautama Boeddha; China, Fo-hi en Yu; in Egypte, Osiris en Horus;
Perzië had de lijn van Zarathoestra’s; in Griekenland vinden
we Apollo en Dionysus van de mysteriën; in Amerika, Quetzalcoatl.
Er kunnen nog anderen worden genoemd die ‘goddelijk’ ontvangen
werden, uit een ‘maagd’ geboren, die zijn afgedaald naar
Hades, uit de dood zijn opgestaan, en opgestegen naar de onsterfelijken.
Er is één Zeus, één zon,
één onderwereld,
Eén Dionysus, één enkele God in het geheel
luidt een orfisch gezang. Zo vinden we achter de verbijsterende reeks
godheden in het Egyptische pantheon, ook één absolute
godheid met ‘vele goden’ die haar manifestaties of attributen
weergeven. En in het Dodenboek of ‘Het ritueel van het
overdag te voorschijn komen’ vinden we het volgende:
Een ogenblik van mij behoort jou toe, maar mijn eigenschappen
behoren tot mijn eigen domein.
Ik ben de onbekende Ene.
Ik ben gisteren en ik ken morgen; want ik word steeds
opnieuw geboren. Ik ben het mysterie van de ziel.
‘Ik die de diepten ken’ is mijn naam. Ik maak de cyclussen
van de stralende miljoenen jaren; en miljarden zijn mijn afmetingen.
Is het dan verwonderlijk dat er mede door zulke opvattingen van de
godheid, nadruk wordt gelegd op het goddelijke en de onsterfelijkheid
van de mens en zijn opstanding? De oude Egyptenaren beschouwden de opstanding
namelijk niet als een eenmalige gebeurtenis in het leven van Osiris,
maar eerder als een mogelijke ervaring van de ziel voor hen die daarvoor
in aanmerking kwamen. We lezen in het Ritueel over ‘een lijdende
en een stervende God’ van wie het hart wordt gewogen tegen de
veer van de waarheid en, als blijkt dat het geen onwaarheid bevat, wordt
hij ‘één met Osiris’, een ‘zoon van
de zon’.
De opvatting in het christendom is echter dat Jezus de eniggeboren
Zoon van God is die voor de zonden van de wereld heeft geleden, die
werd gekruisigd en begraven, en na drie dagen is opgestaan, die overwinnaar
van de dood is, Verlosser van de mensheid; en door zijn lijden en dood
zullen voortaan allen die in hem geloven en die deelnemen aan het mystieke
sacrament van de eucharistie, één met hem worden en delen
in de glorie van zijn opstanding. Nog opmerkelijker is dit als we ons
realiseren dat vijfhonderd jaar voordat de Nazarener kwam, de Griekse
toneelschrijver Euripides de rite van de doop en de viering van de eucharistie
als essentiële kenmerken van de orfische mysteriën beschreef.
Over Dionysus, de mystieke verlosser, zegt hij:
Aan Gods grote banket, als
Het druivenbloed glanst, opgevlamd naar de hemel
. .
.
Aan al wat leeft, geeft Hij zijn wijn,
Smarteloos en onbevlekt.
. .
.
Ja, omdat Hij God is, wordt het bloed van hem opgedragen
Als offer aan de goden, opdat wij in zijn naam worden gezegend.
. .
.
Want waarlijk God zelf huist in ons, en zegt ons wie we zijn.
– Bacchae
(naar Eng. vert. Murray)
Eigenlijk vond een aantal van de heiligste riten en ceremoniën,
die door velen als uitsluitend christelijk werden beschouwd, hun oorsprong
bij de zogenaamde heidenen. Eerw. Robert Taylor vertelt ons:
De mysteriën van Eleusis, of het sacrament van
het laatste avondmaal des Heren, was de meest verheven van alle heidense
ceremoniën die werden gevierd, en wel in het bijzonder elke vijf
jaar door de Atheners ter ere van Ceres, de godin van het
graan, die, in allegorisch taalgebruik, ons haar vlees te eten
had gegeven; zoals Bacchus, de wijngod, ons op dezelfde wijze
zijn bloed te drinken had gegeven . . . Uit deze ceremoniën
is evenzo de naam afkomstig die verbonden is aan ons christelijke
sacrament van het laatste avondmaal des Heren – ‘die
heilige mysteriën’; en niet één of twee,
maar werkelijk alle gebruiken die in onze christelijke plechtigheid
in acht worden genomen. – Diegesis,
blz. 212
Als we onze aandacht richten op het verre noorden, vinden we het verhaal
van Odin, zoals verteld in de Scandinavische Edda. Hoewel hij
vader van de goden was, schepper van de mensen en de personificatie
van wijsheid, was hij ook een ‘lijdende en stervende God’,
die door zijn kruisiging de verlosser van de mensheid werd. In zijn
Runelied zegt Odin:
Ik weet dat ik aan een boom hing die door de wind
heen en weer werd gewiegd, negen lange nachten,
Gewond door een speer en aan Odin geofferd – mijzelf aan mijzelf
–
Aan die boom waarvan niemand weet uit welke wortel hij is voortgekomen.
In vroegere tijden leerde men dus een meer universele voorstelling
van de opstanding. Ze was het hoogste doel van inwijding, de maagdelijke
geboorte van de ziel, die ieder voor zichzelf moet bereiken. ‘Als
een mens niet is wedergeboren kan hij het koninkrijk niet binnengaan.’
Maar om deze wedergeboorte, deze opstanding te bereiken, moet er eerst
een mystieke dood plaatsvinden, een overwinning of kruisiging van alle
aardse hartstochten, en een afdaling naar de onderwereld. Onze eigen
ziel moet zich in zichzelf ontmoeten en triomferen over al de machten
van de duisternis en, zoals Dionysus en Christus en Odin, één
worden met haar God.
Het verhaal over het lijden, de dood en de opstanding van de leraar
uit Nazareth zoals het wordt weergegeven in de evangeliën, is in
essentie hetzelfde als het verhaal dat eeuwen daarvoor over andere verlossers
werd verteld: dezelfde leringen, dezelfde riten en sacramenten, dezelfde
kruisiging van het zelf, dezelfde hoop op opstanding, die nu in het
christendom worden gevierd. Dit vormde de kern van de wijsheidsleringen
uit de oudheid die behoren tot het grootste erfgoed dat aan ons is overgeleverd,
aan elk volk en elke eeuw overgebracht door zijn goddelijke verlosser
die zijn leven heeft gegeven, niet alleen voor zijn eigen volk, maar
voor de hele mensheid.
De terugkeer van de lente is het bewijs van de natuur, zoals de opstanding
het goddelijke bewijs is, dat er voor de ziel geen dood bestaat. Het
zaadje verdwijnt in de grond en weldra ontspringt er een bloem, een
tarwehalm, een boom. Toch moest de uiterlijke vorm eerst afsterven voordat
de levenskracht binnenin naar het licht kon groeien. De weg van de natuur
is een kalme en toch constante opeenvolging van dag en nacht, zomer
en winter, geboorte en dood, tot tenslotte, na vele cyclussen, alles
wat de aarde ons te leren heeft, zal zijn geleerd. Maar de ‘dood’
en ‘wedergeboorte’ zoals in de oude scholen werd onderwezen
was wel iets meer dan waarvan wij elk jaar getuige zijn, hoe inspirerend
dit ook is. De methode en het doel van ‘de mysteriën’
waarover Jezus sprak is een versneld proces – voor hen die de
moed hebben deze taak op zich te nemen – de overwinning van het
zelf, de triomf over de dood, de opstanding van de Christos die woont
in het hart van de mens.
Dit is de betekenis van Pasen: de verzoening met de godheid zelf. Voor
de vrijmetselaar betekent dat het steeds weer beoefenen van de Koninklijke
Kunst. Het is het in de ziel ontwaken van die macht door middel waarvan
de mens medewerker wordt van de godheid, een ware medewerker van alle
Groten uit het verleden, het heden en de hele toekomst. Hiervan spreekt
Walt Whitman in ‘Aan Hem die werd gekruisigd’:
. . . we werken allemaal hard en dragen dezelfde
taak en nalatenschap over,
Wij, een klein aantal gelijken, voor wie het niet
uitmaakt uit welk land of uit welke tijd men komt,
Wij, die geen continenten, geen kasten buitensluiten,
wij die alle geloofsovertuigingen toestaan,
Wij die meedogend, opmerkzaam zijn, die een goede
verstandhouding hebben met de mensen,
Wij houden ons stil bij twistgesprekken en beweringen,
maar wijzen de redetwisters niet af, noch iets dat wordt beweerd,
Wij horen het geschreeuw en het kabaal, . . .
Toch lopen we ongedwongen en vrij over de hele aarde,
en reizen we heen en weer tot we onze onuitwisbare indruk op de tijd
en de verschillende tijdperken hebben gemaakt,
Tot we tijd en tijdperken doordringen, opdat de mannen
en vrouwen van alle rassen in de eeuwen die komen, broeders zullen
blijken te zijn en elkaar zullen liefhebben zoals wij.
Tegenwoordig zijn we getuige van ontstellende gebeurtenissen. Komt
dit door de afsluiting van één eeuw en het begin van een
nieuwe? Kan de nieuwe komen? Het verleden is onherroepelijk, maar het
heden behoort ons toe, en de toekomst zal hieruit voortkomen. Welke
taken en kansen liggen er dan in onze tijd? Is er geen beroep op ons
gedaan om een herleving van de geest van broederschap in te luiden zoals
de wereld nog nooit heeft meegemaakt? Dat is, denk ik, wat de boodschap
van deze paastijd is, de moeilijke taak van de Christos in deze tijd,
om te zien of wat we belijden geen loze woorden zijn, maar een levende
macht is. Ikzelf ben er zeker van dat de wereld wordt bezield met nieuwe
hoop, dat er nieuw licht daagt, dat er nieuwe onthullingen worden gedaan.