De altijd veranderende vervolmaking van het moment van nu
Harry Young

 

Klim naar de top van de hoogste boom
Stap op de tak waarvan je vreest dat die zal breken onder je gewicht
Laat hem breken!      – Clarissa Pinkola Estes

De manier waarop ideeën worden geboren, zich vermengen, en tot nieuwe manieren van denken leiden is altijd boeiend. Men kan zich niet lang met een denkbeeld bezighouden zonder een ander denkbeeld daarbij te betrekken. Wanneer de aandacht wordt geconcentreerd op een bepaald idee, zullen er algauw verwante gedachten in het denken ronddraaien zoals blaadjes in de werveling van de wind. Sommige van deze gedachten lijken onbeduidend of niet van toepassing, maar zoals kleine satellieten die hun baan beschrijven om een groter voorwerp, vormen ze allemaal het geheel en verschaffen ons een ruimere kijk op de werkelijkheid.

In het dagelijks leven ontstaan omstandigheden die dit patroon laten zien, en hierop doelde H.P. Blavatsky toen ze zei:

Had u maar aandacht geschonken aan deze ongelukjes en kleine voorvallen, dan zou alleen al het plaatsvinden daarvan u een leidende hand hebben kunnen onthullen. . . . Maar toch is het de eerste regel in het dagelijks leven van de onderzoeker van het occultisme, nooit de aandacht te laten verslappen voor de kleinste gebeurtenis die zich kan voordoen, . . .

. . . Elke stap die hij doet, ieder mens die hij ontmoet, elk woord dat wordt gesproken kan een woord zijn dat opzettelijk in de zin van die dag is aangebracht met het doel een bepaald belang te hechten aan het hoofdstuk waartoe het behoort en deze of gene (karmische) betekenis aan het levensboek.
     – Brief aan een Londense Groep, 1887

Toen ik, kort geleden, met dit in gedachte, het populaire liedje hoorde – ‘de wetten van de natuur blijven ons als een vriend vertellen . . .’ werd ik herinnerd aan de kern van een passage in Brieven die me hebben geholpen door William Quan Judge:

Ieder bewustzijn heeft een groef en is van nature niet geneigd om in de groef van een ander bewustzijn te lopen. Daarvan komt vaak wrijving en ruzie. Stel u de opstaande rand van het wiel van een locomotief voor die op de rails loopt. Hij kan niet van dat spoor afwijken of op een spoorbaan lopen met breder of smaller spoor en is zodoende tot één spoorbreedte beperkt. Neem de flens weg en maak de velg van het wiel breder en dan kan hij op iedere weg rijden die men zich denken kan. De menselijke aard is in het algemeen zoals die locomotief, hij heeft een opstaande rand en kan maar op één bepaalde spoorbreedte lopen; maar de occultist, of wie het zou willen zijn, moet de flens wegnemen en een breed wiel gebruiken dat zichzelf aan een andere geest en aard kan aanpassen. Op deze wijze kunnen we zelfs in één leven de vruchten plukken van vele levens, want de levens van andere mensen worden naast ons geleefd, onbenut en onopgemerkt door ons, omdat ons wiel geflenst is, òf te breed òf te smal. Dit is beslist niet gemakkelijk te veranderen, maar er is in de hele wereld geen betere gelegenheid om de verandering aan te brengen dan u van uur tot uur wordt geboden. Ik zou graag zo’n kans hebben, die karma mij heeft onthouden, en ik zie het verlies dat ik iedere dag lijd door die kans noch hier noch elders te krijgen.      – blz. 110-1

De woorden van Judge illustreren de universele noodzaak van verandering. Als we terugkijken op ons leven, kunnen we maar al te goed zien hoe we onbewust zijn veranderd. Mogelijk zijn de dingen niet gelopen zoals we hadden gepland, maar als we terugzien schijnt er toch een soort samenhang te zijn tussen al die gebeurtenissen, een programma zo u wilt. Maar in dat geheel zitten ook alle beslissingen die we zelfbewust hebben ge–nomen. Het lijkt vaak alsof een verborgen deel van ons aanzet om met groot enthousiasme, energie en vertrouwen een nieuw levensgebied te verkennen of uit te kiezen – misschien is het een nieuwe zienswijze, een uitdaging op het werk of thuis, of een ethische houding – maar dat brengt ons niet verder dan halverwege en het laat het zelfbewuste deel van ons zitten met de inspannende strijd om de poging niet op te geven. We beschikken dus over een tweevoudige natuur. Judge wijst erop dat het onze taak is te trachten ons beperkte alledaagse bewuste zelf uit te breiden.

Als onze persoonlijkheid het niet eens is met het plan dat ons hogere zelf heeft voor onze levensomstandigheden, dan voelen we weerstand, vooral als we het gevoel hebben dat we moeten veranderen en een begin moeten maken met een beter leven. Verandering kan een angstaanjagend vooruitzicht zijn als we niet weten wat er van ons zal worden of waar we terecht zullen komen. In de afgrond springen of je wagen in onbekende gebieden, is voor velen afschrikwekkend, en er is moed voor nodig en concentratie. Maar waar zijn we bang voor? We hoeven nooit angst te hebben: de zachte, meedogende stem die we in ons horen behoort tot dat deel van ons dat weet wat het beste is, omdat het altijd aan ons leven leiding heeft gegeven. Het zetelt bij de goden en spoort ons aan het oude pad te volgen naar het hart van het universum, waar geen menselijk lijden meer is.

Wat is het, in de eerste plaats, dat onze goede en slechte omstandigheden tevoorschijn brengt? De wet van karma is altijd actief – een onophoudelijke stroom gebeurtenissen die elk wezen of verzameling van wezens in het heelal omvat, waarbij elk voorval werkt als een potentieel gewicht om de andere in evenwicht te brengen. Vandaar dat karma in alle natuurrijken voortdurend bezig is het verloren evenwicht te herstellen, en als zodanig is het ook de wet van gerechtigheid. Als we hierover even nadenken, wordt duidelijk dat we, individueel of samen met anderen, de mogelijkheid hebben onze vroegere handelingen in evenwicht te brengen. Het moeilijke dilemma of het aangename gevoel dat we vandaag ervaren is niet meer dan een gelegenheid die de natuur ons verschaft om een sprong vooruit te maken of fouten te verbeteren en het evenwicht te herstellen dat we ergens in ons verleden moeten hebben verstoord. Zo gezien is de natuur als een dierbare vriend, die zich er helemaal voor inzet dat we ieder ogenblik onszelf kunnen verbeteren.

Als we bedenken dat we de huidige omstandigheden zelf hebben gemaakt, dan ontmoeten we daarin werkelijk ons vroegere zelf, hier en nu. Tegenwoordig is het niet ongewoon te horen, ‘ik vraag me af wie ik was of hoe ik was in een vorig leven’, alsof het een onkenbaar mysterie is. Onze vroegere levens mogen dan geheimzinnig zijn, maar het is niet nodig onze toevlucht te nemen tot gevaarlijke regressie‘therapieën’ om ons huidige leven te begrijpen, en evenmin hoeven we te wachten op een openbaring. In deze ‘Eeuw van onderzoek’ zitten zo velen van ons ‘te wachten op het moment, terwijl het moment al die tijd al zit te wachten’. Door in de afgrond van het nu te springen, verdwijnt ons kleine, persoonlijke zelf naar de achtergrond en komen we van aangezicht tot aangezicht te staan met het verborgen deel van ons dat dichter bij het ware zelf staat. Maar ons ‘ware zelf’ kan ons een verontrustende schok geven als het weer verschijnt. Maar zouden we niet blij moeten zijn onszelf weer te ontmoeten – we zijn toch goede vrienden van onszelf?

Voor het grootste deel hebben we vrede met hoe we zijn, maar soms zijn we niet gelukkig met de gedachten die we denken of met onze manier van doen. Onze gedachten zijn vaak een echo van de mens die we in vorige levens waren; onze huidige persoonlijkheid is het resultaat van onze inspanningen en daden in die incarnaties, de negatieve gedachten herinneren ons eraan hoe niet te handelen in dit leven. Maar zulke gedachten moeten niet altijd als volkomen slecht worden beschouwd, en hoeven ook niet een belemmering te zijn; en daarin ligt de moeilijkheid. Door het ik van het verleden te verwelkomen, maar het niet noodzakelijkerwijs weer te worden, ontvangen we wat op ieder moment nodig is – een ‘ik’ dat door ontelbare levens en ervaringen heeft gereisd, en dat tenslotte samenkomt met het ‘ik’ van het nu dat voortdurend in beweging is. Het is wellicht voor ons eigen welzijn of dat van iemand anders – dat zullen we misschien nooit weten – maar zeker is dat deze steeds doorgaande cyclus voortkomt uit een goddelijke oorsprong en daarom absoluut meedogend moet zijn. Dit is één reden waarom de heilige leringen ons zeggen nooit over iemand te oordelen, want zelfs achter een niet veelbelovende persoonlijkheid kan een grote ziel zitten.

Dit voortdurende komen en gaan van gebeurtenissen is wel voorgesteld als een Boek van het Lot, waarvan elk voorval een hoofdstuk is, een alinea, zin, woord, of zelfs een letter in het drama van ons leven. Elk voorbijgaand moment is een magisch punt dat we hebben geschapen. Dit draaiboek wordt voortdurend herschreven door onze dagelijkse gedachten en handelingen op precies hetzelfde moment als het wordt gelezen. Literatuurstudenten worden eraan herinnerd dat hoe meer ze de tekst bestuderen, de intrige, de sub-intriges, relaties tussen de figuren, stijl van het verhaal en taalbijzonderheden, des te beter ze de schrijver en zijn bedoeling zullen begrijpen. Men zou kunnen zeggen dat al onze levens meesterwerken zijn van natuurlijke literatuur. De opgave om de auteur te leren kennen – het werkelijke goddelijke zelf in ons – is een verraderlijke bergbeklimming; maar niemand is beter bevoegd om de intrige te interpreteren dan de schrijver ervan, en nadat hij dit heeft gedaan, is het uitzicht dat dit oplevert weergaloos, zoals zij die de beklimming hebben volbracht ons vertellen. Maar de eerste uitlopers van het gebergte vinden we door zorgvuldig waar te nemen wat er zich voordoet in de kleinste bijzonderheid van ons innerlijke en uiterlijke leven. Dan krijgen we de inspiratie om een uitgewogen en verfijnd levensverhaal op papier te zetten van eindeloze en prachtige mogelijkheden die zegenrijk zijn voor onszelf en voor allen met wie we in aanraking komen.

 
Andere artikelen over het spirituele pad
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 2000

© 2000 Theosophical University Press Agency