Onlangs ontving ik een brief van een jongeman waarin hij een persoonlijke
ervaring beschreef:
Velen vinden (in dit leven) nooit het goddelijke
binnenin zichzelf, maar ik ‘zie’ dit dagelijks. Voor mij
is er geen twijfel aan dat dit het goddelijke is. Het laat me geen
andere keus dan het spirituele pad te zoeken, en nadat de scheidslijn
is overgestoken, is terugkeer uitgesloten.
Voordien leefde ik in afzondering, voelde me spiritueel
niet op mijn plaats, en in een poging de leemte te vullen, vulde ik
mijn leven met gehechtheden. Ik voel me nu een deel van het goddelijke,
verbonden met de hele santenkraam. Nu besef ik dat het belangrijkste
in het leven is het leven te leven – een goed leven!
Wat hij beweert is niet zonder betekenis. Een serieuze studie van vergelijkende
religies laat zien dat zulke ervaringen mogelijk zijn; dat ieder van
ons na verloop van tijd een instrument voor dezelfde goddelijke tegenwoordigheid
kan worden waarvan de gevorderde intelligenties, die levende wezens
leiden en beschermen, zijn vervuld.
Om ons te helpen inzien hoe dit mogelijk is, bieden de wijzen van vele
beschavingen een verscheidenheid aan verklaringen. De meesten van hen
beginnen met een beschrijving van de aanvang van de wereld, en beschrijven
verder de wetten die het mechanisme van de innerlijke en uiterlijke
rijken van het zijn besturen. Zij definiëren dit begin als een
geleidelijke emanatie vanuit het goddelijke, als een zich uitbreiden
of ontplooiing van wat gedurende voorafgaande perioden van manifestatie
omwikkeld was, precies zoals mensen in iedere incarnatie uitdrukking
geven aan talenten die in vroegere levens zijn ontwikkeld en karma dat
daarin is vergaard.
Sommige scholen karakteriseren deze emanerende ontplooiing van goddelijke
intelligentie als iets dat plaatsvindt via diverse ‘kringen’
of niveaus van spiritueel, etherisch en materieel bestaan, waarbij elke
kring vol is met wezens die passen bij zijn niveau van ervaring. Christenen
zijn bekend met dit denkbeeld door de hemelse hiërarchie van Dionysius.
Deze hiërarchie bestaat uit tien categorieën van hemelse intelligenties
die via tien niveaus of toestanden van zijn voortkomen uit het goddelijke
en daaruit neerdalen. Van het goddelijk-spirituele naar het etherisch-materiële
wordt de goddelijke energie overgebracht van hen die zich het dichtst
bij god bevinden, de serafijnen, cherubijnen en tronen, naar de heerschappijen,
krachten en machten en verder naar de vorsten, aartsengelen en engelen
die de mensen op een meer directe wijze bijstaan. Elke groep die op
zijn eigen niveau of wereld leeft, brengt zijn wonderen tot stand naar
gelang zij de goddelijke essentie ontvangen en op hun beurt doorgeven
aan hen die lager staan dan zij.
De Griekse mythologie laat een vergelijkbare opeenvolging zien met
haar reeksen goden, titanen, halfgoden, goddelijke helden, en helden.
In feite verhalen hun legenden over de tijd toen de goden zich onder
de mensen begaven om ze te helpen, begaafdheden te verlenen, en te onderrichten
in de wetten en vaardigheden van beschaving. Zelfs de eenvoudigste boer
van die tijd ‘stuurde nooit een vreemdeling die bij hem aanklopte
weg, voor het geval dat hij een god zou zijn die gaven bij zich had’.
We kunnen dit tegenwoordig niet altijd doen, maar we kunnen wel uitzien
naar gaven die in de vorm van denkbeelden en kansen tot ons komen.
De stoïcijnen presenteerden dit denkbeeld van de afdaling en manifestatie
van het goddelijke in wetenschappelijke termen, zoals de hindoes dit
deden met hun leer van het ontplooien van de tattva’s of elementen
van de natuur. Zulke voorstellingswijzen helpen ons een beeld te vormen
van de manier waarop ons leven en de wereld zijn verbonden met onzichtbare
wezens, van goden tot elementalen, en hoe onzichtbare werelden de onze
doordringen. Diogenes Laërtius vatte de stoïcijnse kosmogonie
als volgt samen:
God (theos) is hetzelfde als de rede, het noodlot
en Zeus; hij heeft ook veel andere namen. Aanvankelijk bestond hij
op zichzelf, hij transformeerde alle substantie door middel van lucht
tot water, . . . en paste de stof aan zichzelf aan met het oog op
het volgende scheppingsstadium. Daarna schiep hij eerst de vier elementen,
vuur, water, lucht, aarde . . . .
De wereld ontstaat volgens hen wanneer haar substantie
eerst uit vuur is veranderd in vocht door middel van lucht, en wanneer
daarna het grovere deel van het vocht tot aarde is gecondenseerd,
terwijl dat gedeelte waarvan de deeltjes fijn zijn in lucht is veranderd;
en dit proces van ijler worden zet zich voort tot het vuur voortbrengt.
Vervolgens worden uit deze elementen dieren en planten en alle andere
soorten wezens gevormd door hun vermenging.
– Lives of Eminent Philosophers,
naar Eng. vert. Hicks, II.7.136, 142
Deze voorstelling van zaken lijkt veel op de denkbeelden die tegenwoordig
door de theosofie worden verkondigd, waarin wordt beschreven hoe de
planeetgeest met zijn vracht monaden vanuit vroegere belichamingen vanuit
zijn nirvanische rust tot aanzijn komt en door elk van de fasen van
de elementalenrijken gaat. Terwijl hij dit doet, maakt hij de patronen
of vormen die in de loop van de daaropvolgende tijdperken de woning
zullen verschaffen voor de rijken van de mineralen, planten, dieren
en mensen.
Wanneer we vanuit theosofisch standpunt dieper op deze denkbeelden
ingaan, kunnen we spreken van zeven elementen of stadia. In het begin
bracht de naamloze, het pleroma of de ‘volheid’ uit zichzelf
een nakomeling voort, eveneens naamloos omdat deze het menselijke begripsvermogen
te boven gaat. Dit naamloze kind emaneerde de essentie van de aether,
die in zichzelf de zaden of het potentieel van de lagere elementen bevatte.
Vervolgens ontplooide de aether vanuit zichzelf de geest of primaire
essentie van vuur – niet het vuur dat wij kennen, maar zijn essentie
die uit ontelbare vurige zaden en wezens bestaat. Door zijn eonenlange
evolutiecyclussen maakte het vuur vorderingen, terwijl het in toenemende
mate dichter en stoffelijker werd en zichzelf tot uitdrukking bracht
door middel van al de gebieden en subgebieden van spirituele, intellectuele,
emotionele en fysieke werelden.
Gedurende dit proces ontplooide het element vuur vanuit zichzelf de
essentie van lucht. En bij het doorlopen van haar evolutiebanen concretiseerde
en materialiseerde lucht zich tenslotte tot de hoedanigheid van lucht
zoals wij die kennen en die ons omringt en gaande houdt. Al die tijd
draagt lucht de essenties van vuur, aether, de naamloze en zijn kind
in zich, zoals dit ook in haar meest stoffelijke aspect wordt weerspiegeld
in de schoonheid, kracht en symmetrie die we overal om ons heen zien,
vooral in regenbogen, zonsondergangen, zonsopgangen en de vredige pracht
van de nachtelijke hemel.
Op dezelfde manier bracht lucht het beginsel water voort, dat zich
uiteindelijk voldoende materialiseerde om door ons te worden gezien
als de vloeistof die onze oogsten besproeit, onze dorst lest, ons voedt,
reinigt en het leven op aarde verfrist en bovendien de energie helpt
verschaffen waarmee veel van onze geavanceerde technologie wordt uitgedacht.
Tenslotte werd uit water het element aarde geboren dat als basis en
voertuig dient van water, lucht, vuur, aether en de naamlozen. Niet
alleen onze planeet is de houder van de elementen, maar ook wij zijn
dat. Overal in ons hele wezen houdt hun aanwezigheid ons gaande, bevordert
zij de groei, en wanneer onze kringlopen zijn voltooid trekken ze zich
terug: stof keert weer tot stof, water tot water, lucht en vuur tot
lucht en vuur, en de hoogste elementen tot hun goddelijke bron.
Wanneer de levensperiode van bijvoorbeeld onze planeet is verstreken,
is er volgens de stoïcijnen sprake van een geleidelijke intrekking
van de elementen; aarde wordt vloeibaar en gaat over in water, water
gaat over in lucht, lucht in vuur en alle worden weer in hun bron teruggetrokken.
Daarna volgt een periode van rust, waarna het proces zich herhaalt tijdens
een nieuwe cyclus van ontwikkeling.
Zulke uiteenzettingen van de vorming van de wereld waren algemeen bekend
bij de middeleeuwse theosofen, vuurfilosofen, kabbalisten, rozenkruisers
en vrijdenkers, en we vinden haar toegelicht in hun geschriften samen
met vermelding van de bijzondere invloed en kenmerken van de elementale
wezens: vuursalamanders, luchtgeesten, waternimfen en aardmannetjes.
Bij de hindoes breidt Brahma, de ontvouwer-schepper, zich uit en doet
ontelbare onzichtbare en zichtbare werelden en hun bewoners ontstaan,
die hun levens leiden en uiteindelijk weer worden ingevouwen of ingeademd
in de schoot van de allerhoogste. In het westen heeft Hermes Trismegistus
ditzelfde denkbeeld met de woorden van zijn tijd tot uitdrukking gebracht:
Voorwaar, volkomen juist, ongetwijfeld de diepste
waarheid; dat wat boven is, is als dat wat beneden is, en dat wat
beneden is, is als dat wat boven is, om de wonderen van de kosmos
tot stand te brengen. Omdat alle dingen afkomstig zijn uit het Ene,
door de bemiddeling van de Een, . . . ontstonden alle dingen uit dit
Ene Ding door te evolueren . . .
Dit is één manier om te zeggen dat we, als we onszelf
begrijpen, in het bezit zullen zijn van een blauwdruk waarmee we ieder
wezen en niveau van leven kunnen begrijpen, want levende wezens, van
de laagste tot de hoogste, zijn geworteld in het goddelijke, hebben
overeenkomstige eigenschappen, essenties en gedragspatronen, die slechts
gradueel verschillen waar het hun uitdrukkingsvorm betreft. Alle worden
gestimuleerd door dezelfde energie, beheerst door dezelfde wetten, werken
op elkaar in en zullen uiteindelijk naar dezelfde goddelijke bron terugkeren.
Wat een visioen wordt hier geboden! Beschouw uzelf: elk deel van onze
natuur is een schaduw van de schaduw van het allerhoogste, een uitdrukking
van het goddelijke. Goddelijke intelligentie en kracht – voor
zover hun dit mogelijk is – stromen door heel onze samengestelde
natuur. Geen wonder dat Shakespeare Hamlet liet uitroepen:
Wat een meesterwerk is de mens! Hoe edel door de
rede! hoe oneindig rijk in vermogens! in vorm en manier van bewegen,
hoe bijzonder en bewonderenswaard! in daden hoe gelijk een engel!
in begrip, hoe gelijk een god! – Tweede
bedrijf, tweede toneel
Boeddhisten zeggen ons dat alles uit een onkenbare, grenzeloze leegte
of volheid te voorschijn komt; ook, dat uit deze leegte alle schepselen
worden geboren en dat ze door de eonen [zie over eonen ook G. de Purucker,
Beginselen
van de Esoterische Filosofie,
blz. 471-2] van uiteenlopende substanties worden gevormd. Terwijl
deze goddelijke kracht door ieder deel van onze natuur stroomt, worden
er zaden van toekomstige mogelijkheden tot ontwaking gebracht, worden
deze verzorgd en tot ontwikkeling gebracht. Zij maken dit indrukwekkende
proces met vier woorden duidelijk: Om mani padme hum! (Om,
het juweel in de lotus) – dat wil zeggen, het juweel, de godheid,
is binnenin en brengt zich tot uitdrukking door de stadia van ontplooiing
of de ‘bloembladen’ van de kosmos, ongeacht of die kosmos
een heelal, een mens of een ander bewust wezen is.
Voorts wordt deze overdracht van het goddelijke beschreven als Avalokitesvara
die zich op ons niveau manifesteert in heroïsche daden en geniale
werken, en ook in ons dagelijks verwoorden van zijn schoonheid, waarheid
en barmhartigheid. Door de eeuwen heen werd Avalokitesvara gepersonifieerd,
eerst als een mannelijke godheid, daarna als Kwan Yin, godin van genade
en liefde, die de steun, gids en beschermster van alle levende wezens
is. Schitterende beelden die dit ideaal van vriendelijkheid belichamen,
sieren overal ter wereld tuinen en musea. Sommige zijn gesneden uit
jade, andere gegoten in brons of gemaakt van fijn porselein. In enkele
gevallen wordt Kwan Yin uitgebeeld met acht armen die duiden op de vele
manieren waarop ze troost schenkt aan hen die in nood verkeren, inspiratie
aan de moedelozen en verlichting aan hen die aspiraties hebben –
allemaal overeenkomstig het bodhisattva-ideaal: streef nooit naar verlossing
[voor jezelf] voordat alle wezens van hun lijden zijn bevrijd. In mystieke
zin is Kwan Yin ons hogere zelf, onze beschermengel. Aanvankelijk zijn
we geneigd ons dit voor te stellen als iets buiten ons, een engel op
onze schouder of een die onverwachts verschijnt als een vriend in tijd
van nood. Langzamerhand komen we tot het besef dat het goddelijke ons
werkelijke zelf is.
De Midden-Amerikanen stelden de godheid symbolisch voor als een gevederde
slang. Het gevederte van de regenboogkleurige quetzal-vogels duidt op
de hoogste uitdrukking van de godheid, en slangen die op en in de aarde
verblijven, op de laagste. Ieder jaar tijdens de lente- en herfstequinoxen
aanschouwen kijkers een schitterende slang van licht en schaduw, die
zich materialiseert op het noordelijke zijvlak van de Piramide van Kukulkan
in Chichén Itzá. Zij zien dan dat deze slang – waarvan
het lichaam is samengesteld uit zeven lichtgevende driehoeken –
geleidelijk de trappen van de piramide afdaalt totdat hij de laagste
heeft bereikt en daar zijn grote stenen kop laat rusten. Dit schijnbaar
wonderbaarlijke beeld, ontworpen door bekwame handwerkslieden om het
licht van de zon te doen richten op de trappen van de piramide, illustreert
de afdaling van het goddelijke dat er altijd op uit is de mensheid bewust
te maken van de wijsheid en liefde die rechtstreeks vanuit de zon in
de ziel stromen.
De Maya’s van Yucatán geven nog altijd dagelijks uitdrukking
aan hun liefde met gezegden zoals In Lak’ech Yelir,
‘ik ben een ander gijzelf’, ‘ik ben gij, wij zijn
dezelfde’. Dit is de grondslag van de broederschap die iedere
religie tracht te bevorderen: de erkenning dat wij allen kinderen zijn
van het goddelijke dat we instinctief tot uitdrukking proberen te brengen.
Inderdaad, we zijn tempels van God, en de Geest van het Hoogste woont
in ons!
Een ander voorbeeld, ontleend aan een commentaar op de Desatir:
Want in alles en bij iedere handeling heeft u Mij
bij u: en vindt u Mijn licht in ieder ding en op iedere plaats: en
neemt u de grootsheid van de Eenheid van Mijn Wezen waar door al zijn
schaduwen: en begrijpt u heel de luister van Mijn bestaan, en hoort
u van iedereen Mijn woord in ieder ding, omdat allen op zoek zijn
naar Mij: . . . en u bent Mij zeer na. –
blz. 68
Hoe kunnen we ons bewust worden van deze goddelijke kracht? Hoe kunnen
we de kanalen naar deze tegenwoordigheid openen? Iedere religie geeft
hierop antwoorden door ons te zeggen ons leven spiritueler te maken,
de eeuwenoude deugden in praktijk te brengen, of eenvoudig elkaar lief
te hebben. Want liefde is de goddelijke tegenwoordigheid, de
energie die de vreugde opwekt die ons hart vervult, de inspiratie en
het begrip, en de erkenning van de eenheid van alle dingen. Liefde is
de energie waarmee de leliën in het veld hun schoonheid uiten,
waarmee dieren en insecten, bloemen en bomen, mineralen en de elementen
de wonderen die we aanschouwen tot uitdrukking brengen.
De goddelijke Krishna brengt ons dit in herinnering. Toen hij op het
punt stond te sterven, verzekerde hij degenen die hem liefhadden dat,
wanneer zij aan hem dachten, hij aanwezig was en met hen de grote Dans
van het Leven danste. Wat een prachtige gedachte! Het goddelijke –
onze godheid – is hier, en danst met ons de grote Dans van het
Leven!
Christus verklaarde ook: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’,
een gedachte die Robert Browning heeft vereeuwigd in zijn gedicht ‘Paracelsus’:
De waarheid is binnenin onszelf; zij komt niet
voort
Uit uiterlijke dingen, wat uw geloof ook mag zijn.
Er is een diepste centrum in ons allen,
Waarin de waarheid in volheid woont; en daaromheen,
Muur achter muur, het grove vlees dat haar omsluit,
Deze volmaakte, heldere visie – die waarheid is.
Een verwarrend en verwrongen zinlijk netwerk
Bindt haar, en maakt alles fout; en weten,
Bestaat eerder in het openleggen van een weg
Vanwaar de gevangen luister kan ontsnappen,
Dan in het verschaffen van toegang aan een licht
Waarvan men meent dat het vanbuiten komt. Let goed op
Bij het aantonen van een waarheid, let op haar geboorte,
En u kunt de uitvloeiing terugvoeren tot haar oorsprong
En bron binnenin ons; . . .
Voor hem woont de goddelijke tegenwoordigheid in het hart van ieder
wezen.