Een verkenning van de theosofische traditie
Elisabeth Prent

 

De grote religies en filosofieën van de wereld zijn stromingen voortgekomen uit een gemeenschappelijke bron en draaien om dezelfde vragen. Hoewel ze op het eerste gezicht verschillend lijken, hebben deze stelsels veel basiskenmerken gemeen: de zoektocht naar onze oorsprong en bestemming die gepaard gaat met een poging om niet langer alleen op de materiële kant van het bestaan gericht te zijn; uitleg over hoe de wereld en de mens tot ontwikkeling zijn gekomen, waaronder vragen over het komen en gaan van het heelal en delen daarvan, en over de aard en structuur van de kosmos en de mens; en het verkondigen van ethische richtlijnen die een harmonieus leven van de mens mogelijk maken. De specifieke presentatie verschilt met de cultuur, het klimaat, en de manier van leven van het desbetreffende volk. Maar de basisprincipes blijven dezelfde, al verschilt de uiterlijke vorm van geschiedenis en taal.

Theosofie, ‘goddelijke wijsheid’, is een term die wordt gebruikt voor de essentiële basis van alle grote denkstelsels sinds onheuglijke tijden. Ze houdt zich bezig met het goddelijke zelf in ons en in het heelal; met het zich ontvouwen van de godheid tijdens kosmische en aardse cyclussen; en met ethiek – gebaseerd op de feiten van het universele leven – die leidt tot geestelijke groei. Zo’n ethisch raamwerk is door alle culturen en in alle tijden aangereikt. De Gulden Regel, bijvoorbeeld, is door de volgende volkeren onder woorden gebracht:

Bij de indianen: Grote Geest, geef dat ik mijn buurman niet beoordeel voor ik een mijl in zijn mocassins heb gelopen.

In het boeddhisme: Op vijf manieren zou iemand zijn vrienden en bekenden van dienst moeten zijn – met edelmoedigheid, hoffelijkheid, welwillendheid, door hen te behandelen zoals hij zichzelf behandelt, en door zijn woord gestand te doen.

Christendom: Alles nu wat u wilt dat u de mensen doen, doet u hen ook aldus, want dit is de wet en de profeten.

Confucianisme: ‘Is er enig woord’, vroeg Tse Kung, ‘dat als gedragsregel voor het leven kan dienen?’ De meester antwoordde: ‘Is sympathie niet dat woord? Doe niet aan anderen wat u voor uzelf niet wenst.’

Griekse filosofie: Doe niet aan anderen wat uzelf niet wenst te ondergaan (Isocrates). Behandel uw vrienden zoals u door hen behandeld wilt worden (Aristoteles).

Hindoeïsme: Men moet zich tegenover anderen niet gedragen op een manier die ons onaangenaam zou zijn. Dit is het wezen van plicht (dharma). Al het overige komt voort uit zelfzuchtige verlangens.

Islam: Niemand van u is een gelovige voordat hij zijn broeder toewenst wat hij voor zichzelf wenst.

Joodse leer: U moet uw broeder niet haten in uw hart; . . . maar u moet uw naaste liefhebben als uzelf.

De leer van Zarathoestra: Alleen dat karakter is goed dat anderen niet aandoet wat niet goed is voor hemzelf.

– Geciteerd in James A. Long, Mens, vonk der eeuwigheid, 4de herziene druk, 2000, blz. 62-4

Van tijd tot tijd zijn er leraren verschenen om deze oude wijsheid aan de mens door te geven. De Upanishads van de hindoes (8ste-4de eeuw v.Chr.) zijn één voorbeeld waarbij zo’n geestelijke inspanning tot bloei is gekomen. Ze richten zich op het overwinnen van onwetendheid door de onthullingen door geestelijke bewustwording. Door het ontvouwen van geestelijke kwaliteiten, zeggen ze, kan kennis over de werkelijke essentie van het zijn worden verkregen. De Bhagavad-Gita, die in deze traditie is geworteld, gaat over de strijd die in ons innerlijke zelf plaatsvindt. Ze is een episode uit het Mahabharata en vertelt over mensen die strijden, en verliezen of overwinnen. Ze zet een filosofie van handelen uiteen gebaseerd op een filosofie van de geest, de hoeksteen van metafysisch inzicht. Het koninkrijk van de geest staat niet los van het koninkrijk van het materiële leven, en de Gita laat de onderlinge verbondenheid van deze ogenschijnlijk onafhankelijke beginselen zien. Haar boodschap van eeuwige waarden en de betekenis van het leven vormen de basis voor de harmonie van hart en denken die zo belangrijk is voor het eenzijn van alle mensen.

Gautama Boeddha (6de eeuw v.Chr.) kwam voort uit de hindoetraditie. Zijn leringen wijzen een weg naar waarheid en komen wat hun mededogen betreft overeen met de geboden van Jezus. Het boeddhistische denken is gebaseerd op het idee dat aan het menselijke lijden een einde kan worden gebracht door juist te denken en juist te handelen, door meditatie, en door het beoefenen van deugden zoals barmhartigheid en geduld.

Heel weinig weten we over het leven van de Chinese wijze Lao-Tse (6de eeuw v.Chr?), het meest bekend door zijn boek, de Tao te Ching. Daarin wordt Tao, de waarheid achter de uiterlijke verschijningen, ook wel de bron van energie, de moeder, het begin en het einde genoemd – toch is dit alles onvoldoende om de essentie ervan te beschrijven. De wereld van de 10.000 dingen (de manier van Lao-Tse om de onbeperkte verscheidenheid van wezens uit te drukken) is in essentie één met Tao, waarvan het licht onuitblusbaar in elke ziel brandt. In het taoïsme is het ontwikkelen van innerlijke vermogens en geestelijke krachten eveneens gebaseerd op een juiste manier van leven.

We vinden deze theosofische traditie ook in het oude Europa. Het doel van de Griekse filosoof Plato, bijvoorbeeld, was de transformatie van een mens tot hij gelijk het goddelijke is door dichterbij het begrip het goede te komen. Zijn symbool voor het goede was de zon, die met zijn geestelijke licht ons pad verlicht en ons helpt de bron van ons wezen te herkennen. Het doel van deze transformatie is de herinnering of ‘het zich weer te binnen brengen’ (anamnese) van ons geestelijke begripsvermogen en tegelijkertijd te herkennen wat schaduw (illusie) is en wat werkelijkheid.

Het woord theosofie werd in de derde eeuw gebruikt door de leerlingen van Ammonius Saccas, grondlegger van het neoplatonisme. Hij probeerde de essentie van de vele religies van zijn tijd samen te brengen in een synthese die tegenwoordig het eclectische theosofische stelsel wordt genoemd. Hij leerde dat het belangrijkste doel van het leven is om een weg naar onze geestelijke natuur te vinden. Om dit te bereiken moet de ziel zich bevrijden van zijn materiële gehechtheden, en zijn oorspronkelijke eenheid met zijn goddelijke aspecten herstellen.

Over de hele wereld kunnen vergelijkbare sporen worden gevonden in religies, filosofieën, mythen, en symbolen – onder de oude Egyptenaren, Perzen, Maya’s en Inca’s, druïden, joden en islamieten, om er een paar te noemen. Maar in de loop van de tijd zijn veel van deze oude wijsheidsleringen voor bepaalde culturen verloren gegaan, zoals we zien in het moderne Europese denken. In de Middeleeuwen, bijvoorbeeld, verdween in het westen het idee van de onderlinge verbondenheid van al het leven bijna geheel. De kennis dat in elk deeltje een goddelijke vonk huist – dat deze innerlijke essentie overal in het heelal identiek is ondanks verschillende niveaus van ontvouwing – verdween uit het openbare denken. Onze kijk op onszelf en op onze relatie met alles in de natuur om ons heen hangt samen met dit onderwerp, bijvoorbeeld voor onze ideeën over evolutie. Door de christelijke opvattingen over de schepping werd de evolutiegedachte eeuwenlang buitengesloten. Toen werd in de tweede helft van de negentiende eeuw de darwinistische theorie ontwikkeld, die het wetenschappelijke en populaire denken in hoge mate heeft beïnvloed. Volgens dit model is evolutie zuiver een fysiek proces dat tot vooruitgang naar hogere niveaus van ontwikkeling leidt door de wijziging van lichaamsstructuren en gedragskenmerken. Evolutie wordt daarbij gestuwd door externe factoren en is afhankelijk van de omgeving en van natuurlijke selectie in combinatie met genetische aanpassingen. Het Latijnse woord evolvere betekent echter ‘ontvouwen, ontrollen’, en duidt op het geleidelijk tevoorschijn brengen van kwaliteiten die innerlijk al latent aanwezig zijn. Volgens deze traditionele zienswijze is het hart van elk wezen een godheid die ernaar streeft tot uitdrukking te komen, en zijn het de pogingen tot ontvouwing van deze goddelijke vonk die ontwikkeling en groei teweegbrengen. Daarbij zijn bewustzijn en geest van even groot belang als materie – een opvatting die sommige denkers nu opnieuw onder woorden beginnen te brengen.

Door een vergelijkende studie van wetenschappen, religies en filosofieën verruimen onze zienswijze en gevoelens van sympathie zich. Onze aandacht wordt gericht op nog niet verkende wetten van de natuur en op krachten die in ons latent zijn. De werken van mystici, filosofen, wetenschappers en kunstenaars – verschillende uitdrukkingsvormen van dezelfde werkelijkheid – bieden uitgangspunten voor onze eigen ontdekking van een steeds groeiend bewustzijn. Maar de gids bij deze zoektocht naar waarheid hoort ons intuïtieve hart te zijn, niet alleen maar intellect of een zelfzuchtig verlangen. Kennis alleen is nooit genoeg: ze moet tot uitdrukking komen in ons dagelijks leven en ons hart opwekken tot voortdurende activiteit. Dramatische acties zijn niet nodig; de nauwgezette vervulling van onze dagelijkse plichten is genoeg. Alleen op deze manier kan kennis tot wijsheid worden en daardoor een zegen voor de hele mensheid.

 
Andere artikelen over theosofie
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 2000

© 2000 Theosophical University Press Agency