De grote religies en filosofieën van de wereld zijn stromingen
voortgekomen uit een gemeenschappelijke bron en draaien om dezelfde
vragen. Hoewel ze op het eerste gezicht verschillend lijken, hebben
deze stelsels veel basiskenmerken gemeen: de zoektocht naar onze oorsprong
en bestemming die gepaard gaat met een poging om niet langer alleen
op de materiële kant van het bestaan gericht te zijn; uitleg over
hoe de wereld en de mens tot ontwikkeling zijn gekomen, waaronder vragen
over het komen en gaan van het heelal en delen daarvan, en over de aard
en structuur van de kosmos en de mens; en het verkondigen van ethische
richtlijnen die een harmonieus leven van de mens mogelijk maken. De
specifieke presentatie verschilt met de cultuur, het klimaat, en de
manier van leven van het desbetreffende volk. Maar de basisprincipes
blijven dezelfde, al verschilt de uiterlijke vorm van geschiedenis en
taal.
Theosofie, ‘goddelijke wijsheid’, is een term
die wordt gebruikt voor de essentiële basis van alle grote denkstelsels
sinds onheuglijke tijden. Ze houdt zich bezig met het goddelijke zelf
in ons en in het heelal; met het zich ontvouwen van de godheid tijdens
kosmische en aardse cyclussen; en met ethiek – gebaseerd op de
feiten van het universele leven – die leidt tot geestelijke groei.
Zo’n ethisch raamwerk is door alle culturen en in alle tijden
aangereikt. De Gulden Regel, bijvoorbeeld, is door de volgende volkeren
onder woorden gebracht:
Bij de indianen: Grote Geest, geef dat ik
mijn buurman niet beoordeel voor ik een mijl in zijn mocassins heb
gelopen.
In het boeddhisme: Op vijf manieren zou
iemand zijn vrienden en bekenden van dienst moeten zijn – met
edelmoedigheid, hoffelijkheid, welwillendheid, door hen te behandelen
zoals hij zichzelf behandelt, en door zijn woord gestand te doen.
Christendom: Alles nu wat u wilt dat u de
mensen doen, doet u hen ook aldus, want dit is de wet en de profeten.
Confucianisme: ‘Is er enig woord’,
vroeg Tse Kung, ‘dat als gedragsregel voor het leven kan dienen?’
De meester antwoordde: ‘Is sympathie niet dat woord? Doe niet
aan anderen wat u voor uzelf niet wenst.’
Griekse filosofie: Doe niet aan anderen
wat uzelf niet wenst te ondergaan (Isocrates). Behandel uw vrienden
zoals u door hen behandeld wilt worden (Aristoteles).
Hindoeïsme: Men moet zich tegenover
anderen niet gedragen op een manier die ons onaangenaam zou zijn.
Dit is het wezen van plicht (dharma). Al het overige komt voort uit
zelfzuchtige verlangens.
Islam: Niemand van u is een gelovige voordat
hij zijn broeder toewenst wat hij voor zichzelf wenst.
Joodse leer: U moet uw broeder niet haten
in uw hart; . . . maar u moet uw naaste liefhebben als uzelf.
De leer van Zarathoestra: Alleen dat karakter
is goed dat anderen niet aandoet wat niet goed is voor hemzelf.
– Geciteerd in James A. Long, Mens,
vonk der eeuwigheid, 4de herziene druk, 2000, blz. 62-4
Van tijd tot tijd zijn er leraren verschenen om deze oude wijsheid
aan de mens door te geven. De Upanishads van de hindoes (8ste-4de eeuw
v.Chr.) zijn één voorbeeld waarbij zo’n geestelijke
inspanning tot bloei is gekomen. Ze richten zich op het overwinnen van
onwetendheid door de onthullingen door geestelijke bewustwording. Door
het ontvouwen van geestelijke kwaliteiten, zeggen ze, kan kennis over
de werkelijke essentie van het zijn worden verkregen. De Bhagavad-Gita,
die in deze traditie is geworteld, gaat over de strijd die in ons innerlijke
zelf plaatsvindt. Ze is een episode uit het Mahabharata en
vertelt over mensen die strijden, en verliezen of overwinnen. Ze zet
een filosofie van handelen uiteen gebaseerd op een filosofie van de
geest, de hoeksteen van metafysisch inzicht. Het koninkrijk van de geest
staat niet los van het koninkrijk van het materiële leven, en de
Gita laat de onderlinge verbondenheid van deze ogenschijnlijk
onafhankelijke beginselen zien. Haar boodschap van eeuwige waarden en
de betekenis van het leven vormen de basis voor de harmonie van hart
en denken die zo belangrijk is voor het eenzijn van alle mensen.
Gautama Boeddha (6de eeuw v.Chr.) kwam voort uit de hindoetraditie.
Zijn leringen wijzen een weg naar waarheid en komen wat hun mededogen
betreft overeen met de geboden van Jezus. Het boeddhistische denken
is gebaseerd op het idee dat aan het menselijke lijden een einde kan
worden gebracht door juist te denken en juist te handelen, door meditatie,
en door het beoefenen van deugden zoals barmhartigheid en geduld.
Heel weinig weten we over het leven van de Chinese wijze Lao-Tse (6de
eeuw v.Chr?), het meest bekend door zijn boek, de Tao te Ching.
Daarin wordt Tao, de waarheid achter de uiterlijke verschijningen, ook
wel de bron van energie, de moeder, het begin en het einde genoemd –
toch is dit alles onvoldoende om de essentie ervan te beschrijven. De
wereld van de 10.000 dingen (de manier van Lao-Tse om de onbeperkte
verscheidenheid van wezens uit te drukken) is in essentie één
met Tao, waarvan het licht onuitblusbaar in elke ziel brandt. In het
taoïsme is het ontwikkelen van innerlijke vermogens en geestelijke
krachten eveneens gebaseerd op een juiste manier van leven.
We vinden deze theosofische traditie ook in het oude Europa. Het doel
van de Griekse filosoof Plato, bijvoorbeeld, was de transformatie van
een mens tot hij gelijk het goddelijke is door dichterbij het begrip
het goede te komen. Zijn symbool voor het goede was de zon, die met
zijn geestelijke licht ons pad verlicht en ons helpt de bron van ons
wezen te herkennen. Het doel van deze transformatie is de herinnering
of ‘het zich weer te binnen brengen’ (anamnese)
van ons geestelijke begripsvermogen en tegelijkertijd te herkennen wat
schaduw (illusie) is en wat werkelijkheid.
Het woord theosofie werd in de derde eeuw gebruikt door de leerlingen
van Ammonius Saccas, grondlegger van het neoplatonisme. Hij probeerde
de essentie van de vele religies van zijn tijd samen te brengen in een
synthese die tegenwoordig het eclectische theosofische stelsel wordt
genoemd. Hij leerde dat het belangrijkste doel van het leven is om een
weg naar onze geestelijke natuur te vinden. Om dit te bereiken moet
de ziel zich bevrijden van zijn materiële gehechtheden, en zijn
oorspronkelijke eenheid met zijn goddelijke aspecten herstellen.
Over de hele wereld kunnen vergelijkbare sporen worden gevonden in
religies, filosofieën, mythen, en symbolen – onder de oude
Egyptenaren, Perzen, Maya’s en Inca’s, druïden, joden
en islamieten, om er een paar te noemen. Maar in de loop van de tijd
zijn veel van deze oude wijsheidsleringen voor bepaalde culturen verloren
gegaan, zoals we zien in het moderne Europese denken. In de Middeleeuwen,
bijvoorbeeld, verdween in het westen het idee van de onderlinge verbondenheid
van al het leven bijna geheel. De kennis dat in elk deeltje een goddelijke
vonk huist – dat deze innerlijke essentie overal in het heelal
identiek is ondanks verschillende niveaus van ontvouwing – verdween
uit het openbare denken. Onze kijk op onszelf en op onze relatie met
alles in de natuur om ons heen hangt samen met dit onderwerp, bijvoorbeeld
voor onze ideeën over evolutie. Door de christelijke opvattingen
over de schepping werd de evolutiegedachte eeuwenlang buitengesloten.
Toen werd in de tweede helft van de negentiende eeuw de darwinistische
theorie ontwikkeld, die het wetenschappelijke en populaire denken in
hoge mate heeft beïnvloed. Volgens dit model is evolutie zuiver
een fysiek proces dat tot vooruitgang naar hogere niveaus van ontwikkeling
leidt door de wijziging van lichaamsstructuren en gedragskenmerken.
Evolutie wordt daarbij gestuwd door externe factoren en is afhankelijk
van de omgeving en van natuurlijke selectie in combinatie met genetische
aanpassingen. Het Latijnse woord evolvere betekent echter ‘ontvouwen,
ontrollen’, en duidt op het geleidelijk tevoorschijn brengen van
kwaliteiten die innerlijk al latent aanwezig zijn. Volgens deze traditionele
zienswijze is het hart van elk wezen een godheid die ernaar streeft
tot uitdrukking te komen, en zijn het de pogingen tot ontvouwing van
deze goddelijke vonk die ontwikkeling en groei teweegbrengen. Daarbij
zijn bewustzijn en geest van even groot belang als materie – een
opvatting die sommige denkers nu opnieuw onder woorden beginnen te brengen.
Door een vergelijkende studie van wetenschappen, religies en filosofieën
verruimen onze zienswijze en gevoelens van sympathie zich. Onze aandacht
wordt gericht op nog niet verkende wetten van de natuur en op krachten
die in ons latent zijn. De werken van mystici, filosofen, wetenschappers
en kunstenaars – verschillende uitdrukkingsvormen van dezelfde
werkelijkheid – bieden uitgangspunten voor onze eigen ontdekking
van een steeds groeiend bewustzijn. Maar de gids bij deze zoektocht
naar waarheid hoort ons intuïtieve hart te zijn, niet alleen maar
intellect of een zelfzuchtig verlangen. Kennis alleen is nooit genoeg:
ze moet tot uitdrukking komen in ons dagelijks leven en ons hart opwekken
tot voortdurende activiteit. Dramatische acties zijn niet nodig; de
nauwgezette vervulling van onze dagelijkse plichten is genoeg. Alleen
op deze manier kan kennis tot wijsheid worden en daardoor een zegen
voor de hele mensheid.