GdeP’s laatste openbare toespraak vond plaats
op een van de geregelde zondagbijeenkomsten aan het Hoofdkwartier
in Covina op 20 september 1942. De verhuizing uit Point Loma was drie
maanden eerder voltooid, de Theosophical Endowment Corporation had
haar oprichtingsakte die week ontvangen, en de wereld was diep verwikkeld
in de Tweede Wereldoorlog. Na de lezing stond GdeP op, zoals zijn
gewoonte was, om enkele afrondende opmerkingen te maken. Het was de
tijd van de herfstequinox, het heilige jaargetijde van het Grote Heengaan,
en hij sprak kort over de god in ons. Aan het einde was hij stil,
en daarna spreidde hij zijn armen met een groots gebaar open en verklaarde:
‘Consummatum est!’ (‘Het is volbracht!’).
Een week later zakte hij tijdens de dagelijkse wandeling op het terrein
vóór het ontbijt plotseling in elkaar en stierf. Deze
toespraak is opgenomen in Wind van de Geest, blz. 323-6.
– Red.

Schoonheid kent geen grenzen, en deze bestaan evenmin voor de machtige
vleugels van de liefde; ze kan overal doordringen en doet dat ook; deze
gedachte kwam vanmiddag bij me op toen ik luisterde naar de spreker
die ons prachtige, diepzinnige fragmenten liet horen uit de archaïsche
wijsheidsleringen van de mensheid, leringen die niet tot een bepaald
ras behoren of tot een bepaald tijdperk en die, omdat het essentiële
waarheden zijn, ook in sferen moeten worden onderwezen die niet aards,
maar goddelijk zijn, zoals ze hier op aarde aan ons mensen worden gegeven.
Want het trof me dat de kern van zijn prachtige toespraak was dat wij
mensen, net als alle andere dingen en wezens waar ook, slechts delen
zijn van één groots kosmisch geheel en nauw met elkaar
zijn verbonden, ondanks onze gebreken en misstappen bij het verwezenlijken
van onze gemeenschappelijke bestemming. Daarom geven we in verhouding
tot ons eigen individuele begrip gehoor aan de kosmische bron, die de
christen God noemt, maar die ik liever het goddelijke noem, waaruit
we voortkwamen, waarvan we niet en nooit te scheiden zijn, en waarnaar
we weer terugkeren op onze eeuwenlange pelgrimstocht. O, konden we maar
deze ene gedachte in ons hart laten leven en ons denken iedere dag erdoor
laten stimuleren; hoe zou dat de scherpe kanten van het menselijk leven
verzachten en ons leren onze broeders te behandelen als broeders in
plaats van als bittere vijanden!
Ziet u niet dat deze leer zo schitterend is omdat ze geniaal is? Alles
is erin besloten, de hele Wet en alle Profeten. En wat is deze leer?
Beknopt weergegeven komt het eenvoudig hierop neer: het kosmische leven
is een kosmisch drama waarin ieder wezen, of het een supergod, god of
halfgod, mens of dier, monade of atoom is, zijn of haar eigen rol speelt;
en al die vertegenwoordigers van dit drama zijn aaneengesmeed, wat zal
leiden tot één immense kosmische climax – die, tussen
haakjes, geen anticlimax kent. Elke dag die wij mensen beleven, komen
we dus dichter bij het moment in de onmetelijk verre toekomst dat wij
allen, opnieuw verenigd, de diepe schoot ingaan van het hoogste kosmische
Zijn – noem het God, het goddelijke, geest of wat u maar wilt.
Dan heeft het drama zijn einde bereikt. Het doek valt en pralaya, de
rustperiode, begint. Maar zoals in het menselijk leven de dag weer aanbreekt
als de nacht voorbij is, zo daagt er, als de nacht van pralaya eindigt,
een nieuw manvantara, een nieuwe kosmische dag. Opnieuw gaat op het
kosmische toneel het doek omhoog. Dan begint elke entiteit, ieder wezen
zijn kosmische spel of zijn rol te spelen, precies op dat metafysische
en mathematische punt waar het eindigde toen pralaya de bel deed luiden
voor het vallen van het kosmische doek voor het juist afgelopen manvantara
of wereldtijdperk. Alles begint opnieuw net als een klok of een horloge
dat, na te zijn gestopt en weer is opgewonden, precies op hetzelfde
punt begint te lopen waar de wijzers bleven stilstaan.
Welnu, dit ene beeld dat de mens identiek is met de kosmos, samen met
alles wat dit in religieus, filosofisch, wetenschappelijk en moreel
opzicht inhoudt, is ouder dan de denkende mens. Wij zijn één
en toch weten we het niet en zien we dat niet in; daarom doen we op
het toneel van het levensdrama allerlei dwaasheden en wordt tragedie
tot komedie en komedie, helaas, door onze eigen schuld tot tragedie.
Ik wil graag iets citeren dat me erg aanspreekt, al sinds mijn jongensjaren.
Ik heb het als kind leren kennen en toen ik me later als jongeman bij
de TS aansloot, vond ik het terug in De Geheime Leer van HPB.
Het is het volgende: het gaat om een hindoegoeroe of -leraar. Een leerling
staat of zit voor hem en de leraar onderzoekt wat deze leerling weet
van de lessen die de leerling heeft ontvangen. Hij zegt: ‘Chela,
kind, zie je in het leven van hen die je omringen iets dat anders is
dan het leven dat in jouw aderen stroomt?’ ‘Er is geen verschil,
O goeroedeva. Hun leven is hetzelfde als mijn leven.’ ‘Kind,
richt nu de blik omhoog en zie naar het violette, nachtelijke gewelf.
Let op die prachtige sterren, die wezens die stralen en schitteren vanuit
de kosmische luister boven ons. Zie je dat kosmische vuur dat in alle
dingen brandt en zo prachtig fonkelt in al die schitterende hemellichamen
daarboven? Kind, zie je enig verschil tussen dat kosmische licht, dat
kosmische leven en dat wat onze eigen dagster uitstraalt of dat wat
dag en nacht in je eigen hart brandt?’ En het kind zegt, ‘O,
goeroedeva, ik zie geen verschil tussen leven en leven, tussen licht
en licht, en kracht en kracht, en geest en geest, behalve in graad.
Het licht dat in mijn hart brandt is hetzelfde als het licht dat in
het hart van alle anderen brandt.’ ‘Je ziet het goed, kind.
Luister nu naar wat de kern is van deze leer: AHAM
ASMI PARABRAHMA.’
En het kind, dat Sanskriet heeft geleerd, het vedische Sanskriet, begrijpt
het en buigt zijn hoofd, ‘prañjali’. Dit
betekent: ‘Ik ben het grenzeloze, ikzelf ben parabrahma, want
het leven dat in mij klopt en mij doet bestaan, is het leven van het
goddelijkste van het goddelijke.’ Het is geen wonder dat het kind
het heeft begrepen. Ben ik een kind van God? In wezen is dit het enige
dat ik ben; en als ik niet erin slaag het te verwezenlijken, is dat
niet de schuld van het goddelijke, maar van mijzelf.
U vindt deze leer over het goddelijke in alle grote stelsels die het
menselijk genie heeft voortgebracht. Het is religie; de filosofie
ontstond eruit; de wetenschap groeit nu ernaartoe en krijgt een vaag
besef van wat het betekent. Bedenk eens hoe zelfs in onze eigen kleine
menselijke aangelegenheden – klein vergeleken met de onmetelijke
kosmische majesteit die ons zo zorgzaam beschut – stel u eens
voor dat iedere man en vrouw op aarde volkomen overtuigd was van de
absolute werkelijkheid van deze kosmische waarheid! Nooit zou iemand
meer een hand opheffen tegen een medemens. De uitgestrekte hand zou
er altijd een zijn van steun en broederschap. Want ik ben mijn broeder
– in de kern van ons wezen zijn we één.
En als we gescheiden zijn komt dat door de kleinzieligheden die ons
als het ware tot een atoom maken, in plaats van de geestelijke monade
die voor ieder van ons de bron is. Die monade is gevormd uit hetzelfde
materiaal als het goddelijke. De avatara Jezus heeft dit weergegeven
in zijn prachtige gezegde: ‘Ik en mijn Vader zijn één’
– de Vader en de goddelijke vonk, de godsvonk, die identiek is
met het kosmische leven, met de universele oceaan van leven, om een
ander beeld te gebruiken. Het was deze gedachte van de kosmische oceaan
van leven, waarvan wij allen in onze diepste en hoogste kern een druppel
zijn, waarop Gautama de Heer Boeddha zinspeelde toen hij sprak over
dat uiteindelijke doel van alle wezens en dingen; want, zei hij, alle
wezens en dingen zijn in hun innerlijk wezen Boeddha en zullen eens
zelf Boeddha worden, wanneer, zoals Edwin Arnold het zo prachtig heeft
geformuleerd, de dauwdruppel in de glinsterende zee glijdt.
Consummatum est