Lotussen in vele kleuren groeien in Azië, Egypte, Noord- en Zuid-Amerika
en Australië, en op al deze plaatsen is hij als symbool gebruikt.
Volgens de theosofie verwijst dit symbool naar het ontvouwen van het
innerlijke goddelijke potentieel, en naar twee parallellen tussen spirituele
en fysieke gebieden en tussen kosmische schepping en geestelijke wedergeboorte.
Omdat het zaad ervan al volmaakt gevormde embryobladeren en hele plantjes
in zich bevat – zelfs tot de bloem toe – symboliseert deze
waterlelie het weer te voorschijn roepen van het universum vanuit het
Eeuwige aan het begin van de grote zonnecyclus. Ze verwijst ook naar
het verborgen zijn van de ideale wereld binnen het aardse, en het vermogen
om eerstgenoemde binnen te gaan via de laatste. De lotus wordt genoemd
‘het kind van het universum dat de gelijkenis van de moeder in
haar schoot draagt’. H.P. Blavatsky benadrukt dat ‘geestelijke
prototypen van alle dingen bestaan in de immateriële wereld voordat
die dingen op aarde worden gematerialiseerd . . .’1
Omdat ze bovendien knoppen, bloesems en zaaddozen tegelijkertijd aan
dezelfde plant heeft, symboliseerde ze verleden, heden en toekomst.
De oude Egyptenaren en Indiërs merkten op dat de lotus reageert
op de aanwezigheid of afwezigheid van licht en warmte, en zichzelf onderdompelt
in de nacht en opkomt bij de dageraad, waarbij hij symbolisch ‘de
zon vereert’. Door deze gewoonte om de zon lief te hebben werd
hij een symbool voor Horus, de Egyptische Christus/Krishna figuur, geboren
uit de wateren van schepping. De zonnegod Ra komt op uit de blauwe lotus,
zoals in de oorspronkelijke kosmologie toen hij opsteeg uit Nun, de
afgrond van de chaos. De zonneschijf van Ra/Horus werd verborgen door
de omsluitende bloembladeren van de lotus; toen deze zich openden, kwam
de zon op en vloog uit in de vorm van een kind dat een zonneschijf op
zijn hoofd droeg. De Papyrus van Ani beschrijft dat de overledene werkelijk
in een lotus verandert om gelijk te zijn aan Ra en Horus, met een hernieuwd
lichaam om de ‘hemel’ dag na dag binnen te gaan.2
Egyptenaren, hindoes en boeddhisten hadden eigen lotustuinen waar de
priesters dagelijks de eerste zonsopgang van de schepping naspeelden.
De lotus verschijnt ook in India in de hindoeverslagen van de schepping.
In één versie bracht de uitgestrekte oorspronkelijke oceaan,
na het uitspreken van het eerste Om, ‘een wonderlijke gouden lotus
voort, luisterrijk als de zon, die op de eenzame wateren dreef’.
Uit Om kwam de hindoedrieëenheid Brahma, Vishnu, en Siva voort,
die zittend op gouden lotussen worden afgebeeld. Dit doet denken aan
het scheppingsproces waarin het droge land verrijst uit een oceaan van
melk in een karn die op de schildpad van de wereld is geplaatst.
Een andere hindoeversie van de schepping beschrijft het tevoorschijn
komen van de hemelse mens, Purusha, uit het wereld-ei dat om hem heen
groeide nadat ‘begeerte eerst in Het ontstond’, waardoor
in de slapende ruimten leven werd opgewekt om de eerste differentiatie
te scheppen. De schepping van Vishnu volgde: hij sliep op een lotus,
en een lotusstengel ontsprong aan zijn navel. In De Geheime Leer
zegt Blavatsky dat het groeien van de lotus uit de navel van Vishnu,
terwijl hij in de wateren van de ruimte op de slang van oneindigheid
rust, de evolutie van het heelal illustreert vanuit de centrale zon,
‘de altijd verborgen kiem’ (1:414-5). De wateren zijn de
moederschoot van de ruimte en de steel is de navelstreng.
Uit deze lotus groeide Brahma, de schepper, die in de geboortehouding
op de lotus ging zitten, en contempleert over het eeuwige, en zo de
duisternis verdrijft en zijn begripsvermogen opent. Toen begon hij aan
zijn scheppende werk als demiurg, een daad die is opgebouwd uit de inspanningen
van warmte en water (geest en stof) in verband met de aardse en goddelijke
scheppers. Dit is misschien de reden waarom de hindoes de lotus gebruiken
als voorstelling van het voortbrengende vermogen van de natuur dat door
middel van vuur/water of geest/stof werkt.

Vishnu’s gemalin en vrouwelijke aspect, Lakshmi, welde bij haar
geboorte op uit de oceaan en stond op een witte lotus, die haar symbool
is. Als godin van wijsheid, liefde, en schoonheid, komt ze overeen met
de Europese Venus, die eveneens werd geboren door te midden van bloemen
uit het water op te rijzen. Lakshmi is het symbool van het eeuwige zijn.
Als moeder van de wereld is ze eeuwig en onvergankelijk; zoals Vishnu
aldoordringend is, is ook zij alomtegenwoordig.3
Een ander hindoepersonage die in verband wordt gebracht met de lotus
is Padmapani (‘lotusdrager’), de dhyan-chohan die een lotus
in een van zijn vier handen vasthoudt. In deze hoedanigheid is de lotus
een symbool voor de voortbrenging. Padmapani, in Tibet Avalokitesvara
genoemd, en in China Kwan-Yin, symboliseert het huidige grote tijdperk,
de Padma Kalpa, waarin Brahma voortkwam uit de lotus.
In het boeddhisme wordt Gautama Boeddha omschreven als ‘de bloem
van de menselijke boom die zich slechts eens in myriaden van jaren opent,
maar (als) ze eenmaal is geopend vult (ze) de wereld met de geur van
zijn wijsheid en de honing van zijn liefde, en vanuit de koninklijke
wortel zal een hemelse lotus groeien’.4
Toen hij onder de Jambuboom mediteerde over het lijden van het leven,
was er een vrouw die dacht dat hij een bosgod was en offerde hem voedsel;
hij vergeleek deze vriendelijkheid met druppels dauw die zich verzamelen
en uiteindelijk de kelk van de lotusbloem vullen – een verwijzing
naar de mantra Om mani padme hum, het leven van alles is een
dauwdruppel of ‘juweel in het hart van de lotus’.
In de nacht dat Gautama werd verwekt zou er een reusachtige lotus uit
de aarde zijn gegroeid. Deze lotus was synoniem met de gouden lotus,
die schijnt als de zon, waaruit Brahma tevoorschijn kwam, en die dus
het hele universum in zich bevatte. Aan de Boeddha, iemand die tijdens
zijn leven op aarde verlichting heeft bereikt, wordt het attribuut van
een lotustroon gegeven, omdat de lotus het symbool is voor de dvija
of ‘tweemaal geborene’. De lotus staat model voor de veelzijdige
mens die zich verheft naar het goddelijke, met zijn wortels in de modder
van het materiële leven, een steel die door de wateren van het
bestaan in de astrale wereld heengaat, en met zijn bloei op het wateroppervlak
opkijkt naar de spirituele gebieden van het firmament. Aarde, water
en lucht kunnen ook staan voor de materiële, intellectuele en spirituele
werelden. Het zitten op een geopende lotusbloem, alsof hij eruit voortkomt,
verbeeldt Boeddha’s meesterschap over de intellectuele en filosofische
wereld.
De lotus komt als versiering overal voor en wordt ook gevonden in Assyrische,
Syrische en Carthaagse tempelfriezen en kapitelen. In feite is hij zo
invloedrijk dat een 19de eeuwse geleerde, Goodyear, geloofde dat alle
ornamenten in Klein-Azië en Zuid-Europa als oorsprong de lotusvorm
hadden, en dat dit een verwijzing was naar de universaliteit van de
zonnecultus. Het christelijke alternatief van de lotus is de witte lelie
(Lilium candidum) die, in relatie tot Maria als Koningin van
de Hemel, zowel vruchtbaarheid als zuiverheid betekent. Traditioneel
draagt de aartsengel Gabriël de lelie van de Maria-Boodschap. In
kunstzinnige voorstellingen was de lelie oorspronkelijk een stok die
door de invloed van de Assyrische symboliek werd afgebeeld met ontluikende
lelieknoppen, en in de latere kunst werd het een takje met leliebloemen.
Blavatsky interpreteert deze twijg van lelies als symbool voor vuur
en water, of schepping en voortbrenging, en als een exacte analogie
met de lotus in verband met Maya, de moeder van Gautama Boeddha, een
krachtig symbool van spirituele ontvouwing.
De lotus en waterlelie zijn belangrijke symbolen in Egyptische, bijbelse,
klassieke, Europese, Indiase en theosofische literatuur. Ze staan in
verband met schepping, geestelijke wedergeboorte, en de staat van de
ingewijde en hogere wezens, die allen reizen door de wisselvalligheden
en beproevingen van het leven om één te worden met de
scheppende bron van het leven, om dan terug te keren en het licht daarvan
uit te stralen naar andere ontvankelijke zielen.
Verwijzingen
- Theosophical Glossary,
blz. 191; De Geheime Leer 1:88-9.
- The Book of the Dead,
Eng. vert. E.A. Wallis Budge, blz. 310.
- E. Moor, The Hindu Pantheon,
blz. 17.
- E. Schuré, ‘Le Buddha
et sa légende’, Revue des deux mondes, 1 juli
1885, blz. 595-6.