De wijsheid van John Keats
Madeline Clark

 

‘Gisteren ging ik zitten om Koning Lear te lezen en ik voelde de grootsheid van het werk zodanig dat ik een inleidend sonnet ervoor ging schrijven’, schrijft John Keats aan Benjamin Bailey, zijn vriend uit Oxford. Hier zien we een eerbetoon, werkelijk van genie tot genie, en een sleutel tot het karakter van de jonge Keats. Hoewel hij al 180 jaar geleden is gestorven, is hij nog steeds even levendig en hartverwarmend bij ons als toen hij zich tussen zijn vriendenkring bevond en hij hun leider en hun hoop was – een hoop die voor hen misschien nooit in vervulling schijnt te zijn gegaan. En hier zijn we dan aan het begin van de 21ste eeuw, bereid om hem te zien als iemand die nog steeds in staat is om ons op gebieden van het denken voor te gaan, gebieden waar we tot nog toe geen stap hebben gezet, hoewel we sinds die tijd een flink stuk zijn vooruitgegaan. Ondanks zijn korte leven en nog kortere bloeiperiode, was in die paar heldere en tragische jaren de wijsheid en ervaring van vele levens samengebundeld; en tot de essentie daarvan komt men waarschijnlijk het best door zijn brieven te lezen.

Allen die Keats bestuderen zijn het erover eens dat zijn brieven tot onze grootste literaire schatten behoren. Zoals Lionel Trilling in zijn inleiding tot zijn verzameling brieven zegt1:

zelfs onder de grote kunstenaars is Keats misschien de enige bij wie de brieven van zo’n kwaliteit zijn dat het belang ervan praktisch gelijk is aan de canon van het scheppende werk van de schrijver.

Ze zetten het leven van de dichter in de schijnwerpers, en lichten de achtergronden van zijn dichtwerken toe; daarom zijn ze met beide onverbrekelijk verbonden. Maar het is niet nodig ‘literair’ te zijn om ze te kunnen waarderen. Je hoeft alleen mens te zijn – met een vertrouwen in iets meer dan het menszijn – want deze brieven brengen de lezer binnen de gloed van Keats’ eigen denken en hart. Zijn dichtwerken voeren ons naar het onvergankelijke gebied van de schoonheid die hij liefhad; maar de brieven geven een idee van Keats zelf.

Ze houden gelijke tred met zijn snel voorbijgaande leven; ze geven een beeld van wat hij op bepaalde momenten doet of voelt; in de brieven worden kleine gebeurtenissen avonturen; ze zijn roddelachtig in de beste betekenis van het woord, rijk aan originele opmerkingen over mensen en ontelbare andere zaken. En het spelen met de taal kan alleen als Shakespeareaans worden beschreven in zijn rijkheid en spontaniteit. Keats beweegt zich gemakkelijk en vrijelijk in het bos van woorden, en opgetogen volgen we hem.

‘Ik zal zo punctueel zijn als de bij voor de klaver is’, schrijft hij aan Cowden Clarke waarmee hij een uitnodiging aanneemt. Aan John Hamilton Reynolds schrijft hij: ‘Je moet snel al je huidige moeilijkheden afronden, en hetzelfde geldt voor mij, maar we moeten, evenals de vos, onszelf voorbereiden op een volgende vliegenzwerm.’ En na aankomst op het Isle of Wight voor zijn eerste poging tot zijn Endymion:

op dit moment begin ik wat op orde te komen, want ik heb mijn boeken uitgepakt, ze in een leuk hoekje gezet — Haydon aan de muur gehangen — en Mary Queen [of] Scotts, en Milton met zijn dochters op een rij. Terwijl ik bezig was vond ik een hoofd van Shakespeare dat ik nog niet eerder had gezien. . . . Wel – dit hoofd heb ik boven mijn boeken gehangen, vlak boven de drie op een rij, na eerst een Franse ambassadeur te hebben weggedaan – nu, dit alleen al is een goede ochtend werk.

Geldzorgen, zegt hij tot Haydon, ‘zijn niet zoals jaloezie en afleiding een stimulans voor verdere inspanningen . . . maar zijn eerder als een of twee brandnetelbladeren in je bed.’

Er is genoeg ruimte voor plezier en speelsheid in de brieven, en er zijn momenten dat Keats plotseling tot dichten overgaat, soms door middel van een onvergetelijk kreupelrijmpje, dan weer door een nieuw gedicht in te lassen dat hij juist heeft voltooid. Er gebeurt bijna in elke regel iets, en de stortvloed van gedachten komt zo snel dat de pen het haast niet kan bijhouden — op zo’n moment zijn komma’s onbelangrijk. Dit alles geeft de lezer een ademloos gevoel van in hoge snelheid te worden meegesleurd — behoorlijk vreemd voor die ongehaaste tijd (1816-21). Maar dit is misschien een van de redenen waarom Keats eerder tot onze eigen snel veranderende tijd lijkt te behoren. Hij was zijn eigen tijd ongetwijfeld vooruit.

Keats was een lid van Leigh Hunts briljante kring, waar hij Shelley en Wordsworth, Lamb en Hazlitt en ook Haydon, de schilder, ontmoette: zijn gedachten over deze beroemdheden en anderen zijn redelijk bevestigd door het oordeel van de tijd. Hunt en Haydon ontgroeide hij grotendeels en ook zijn vroegere verering van Wordsworth en van Byron. Over zijn koelheid naar Shelley, die wel wordt toegeschreven aan een behoorlijk kleinzielig motief, namelijk een gevoel te verschillen in sociale status, moeten we opmerken dat hij deze in een brief aan Bailey wijt aan zijn behoefte aan een ‘eigen onafhankelijke visie’ — daarin schuilt waar occultisme; en moderne denkers zullen het begrijpen en het voldoende vinden.

De plotselinge briljante geestigheden in zijn brieven zijn echter nauwelijks meer dan zonnige vonkjes aan de oppervlakte van zijn leven dat met grote diepgang stroomde. De rode draad van het uiteindelijke doel dat zijn lot was, is vanaf het begin aanwezig. Reeds in 1816 had hij aan Haydon geschreven: ‘Ik begin mijn blik op één horizon te vestigen.’ En om de mate aan te geven waarin hij innerlijk onder druk stond, schrijft hij in 1817 aan Reynolds:

Ik kom tot de ontdekking dat ik zonder poëzie niet kan leven – zonder eeuwige poëzie haal ik geen halve dag – laat staan een hele – ik begon met een beetje, maar de gewoonte heeft me tot een leviathan gemaakt – ik was helemaal van slag geraakt doordat ik de laatste tijd niets had geschreven – het sonnet aan ommezijde2 heeft me enig goed gedaan. Ik sliep daardoor vannacht veel beter – maar vanochtend ben ik er weer net zo slecht aan toe.

Het lezen van Spenser toen hij nog op school zat, heeft Keats’ genialiteit wakker geschud: Shakespeare las en overdacht hij voortdurend, en hij schreef aan Haydon:

Ik herinner me jouw uitspraak dat je je bewust was van een goede genius die je begeleidt. De laatste tijd heb ik dezelfde gedachte gehad – want de dingen die [ik] gedeeltelijk willekeurig doe worden achteraf bevestigd door mijn inzicht in een dozijn kenmerken van juistheid. Is het te gewaagd om te geloven dat Shakespeare deze begeleider is?

Wanneer hij in dezelfde brief schrijft over de ‘geneigdheid van de kunstenaar om tijd af te meten aan wat er gedaan is’ – dat betekent wat voltooid is – geeft Keats al blijk van zijn voorgevoel dat hij in dit leven maar weinig tijd zou hebben – hij stierf op 25-jarige leeftijd. Daarnaast hebben we ook een van zijn sonnetten, ‘Wanneer ik bang ben dat ik misschien ophoud te bestaan’, en de brief aan Bailey waarin hij zegt: ‘Ik kan me nauwelijks herinneren op welk geluk dan ook te rekenen – ik kijk er niet naar uit als het niet op dit huidige moment valt – niets verrast me buiten het Moment.’ Dr. Trilling merkt op, dat ‘hij iemand van die groep van grote denkers was die al vroeg leren om op een wezenlijke manier op zichzelf te vertrouwen’.

De grootste bekoring van de brieven gaat uit van de prettige openhartigheid waarmee Keats in vol vertrouwen zijn vrienden in kennis stelt van de diep bemoedigende inzichten die hij in zijn ziel voelt opwellen, en die altijd naar iets hogers verwijzen: dat een inspanning op dit moment zal leiden tot iets goeds in de toekomst. Hij schrijft:

Ik heb me voorgenomen om Salomo’s raad op te volgen wanneer hij zegt ‘verwerf wijsheid – verwerf begrip’ . . . Ik kom tot de conclusie dat ik me in deze wereld nergens in kan verheugen behalve in het voortdurend drinken van kennis – ik kom tot de ontdekking dat niets het waard is om na te streven behalve het idee iets goeds te doen voor de wereld . . .

John Keats (1795-1821), Van een postuum gemaakt portret
door Joseph Severn

Keats’ karaktereigenschappen fonkelen en schitteren door de brieven heen en laten zien hoe volkomen menselijk hij was, hoe evenwichtig hij handelde in praktische aangelegenheden; hoe dicht hij stond bij de vooraanstaande mensen die hij tot zijn vrienden rekende, en met wat een oprechte bescheidenheid hij geleidelijk zijn gave leerde kennen en probeerde deze door systematische toepassing op een waardige manier te gebruiken. Maar wanneer we de meeste boeken over Keats bekijken, worden we door twee dingen getroffen: ten eerste, hoe gemakkelijk de beste denkers terechtkomen in reeds gebaande groeven; en ten tweede, de verantwoordelijkheid die het in woorden formuleren van kritiek met zich meebrengt – maar al te vaak schept dit een dogma dat een moeilijke dood sterft. Daarom zouden we er goed aan doen om te proberen onze eigen indruk te vormen door zelf Keats’ brieven te lezen.

Als we waar dat ook maar mogelijk is ons baseren op oorspronkelijk materiaal om onze eigen indruk te vormen, dan geldt dat ook voor de brieven van Fanny Brawne, die brieven die nooit voor andere ogen waren bedoeld dan die van haarzelf. Over deze brieven is bijna nooit geschreven zonder dat de schaduw van Mw. Bekrompenheid over de schouders van de recensent meetuurt. Het is aan de huidige onderzoekers om de hele episode van Keats’ tragische laatste dagen in zijn ware licht te zien – zijn reactie behoort tot de meest natuurlijke dingen ter wereld. Hij was een sterke ziel met grotere mogelijkheden dan normaal en er ging inderdaad een ‘heroïsch verheven doel’ schuil achter zowel de tragiek als de voorspoed in zijn leven – maar er is geen twijfel aan dat er van die ziel werd verlangd om de bittere beker bij zijn volle bewustzijn tot op de bodem leeg te drinken, want alleen op deze manier komt een nog diepere wijsheid.

Of we nu het leven of het werk van een van de groten beschouwen, we zijn altijd onbewust op zoek naar ‘de dingen die ertoe doen’. We willen weten wat er van blijvende waarde in is. Nu hoeft dit niet in een filosofie te zitten die met zoveel woorden wordt uitgesproken. Hoewel dit vaak wel het geval is, is het haast even vaak zo dat iets dat wordt gesuggereerd zichzelf eerder duidelijk maakt door de kanalen van intuïtieve waarneming dan door redenering. Dit geldt voor Keats’ poëzie op z’n best. We worden opgetild naar een wereld van onpersoonlijke schoonheid (in de zin van het verheven geestelijke), waar de ziel van nature thuis is. Wijsheid woont daar, en we kunnen net zoveel ervan nemen als we kunnen. We zoeken echter vergeefs naar onderricht: dat was juist wat hij verafschuwde. ‘We haten poëzie die ons in een pasklaar jasje steekt,’ roept hij uit in een brief aan John Hamilton Reynolds.

Maar met Keats’ brieven was het een beetje anders. Wanneer de geest hem greep, gaf hij in de brieven uiting aan zijn meest innerlijke overpeinzingen over het grondpatroon van het leven en waar het allemaal voor diende. Deze gedeelten van de brieven kunnen de door Keats’ zelf aangevoelde filosofie worden genoemd, en ze vormen ongetwijfeld de meest waardevolle gedeelten. Maar ik twijfel er niet aan dat als we kennis zouden hebben van de geheime gedachten van de mensen van tegenwoordig, we soortgelijke gedachten in elke nadenkende geest zouden vinden, maar variërend in duidelijkheid van de waargenomen gedachte.
Het meest beroemde van al deze uitgeworpen zaadjes filosofie is Keats’ ‘Ontwikkelingsdal van de ziel’ in tegenstelling tot het idee van een ‘tranendal’:

Noem de wereld, als ik zo vrij mag zijn, ‘Het ontwikkelingsdal van de ziel’. Dan zult u ontdekken waar de wereld voor dient . . . Ik zeg ‘ontwikkeling van de ziel’, en met ziel bedoel ik iets anders dan een intelligentie – Er zijn misschien miljoenen intelligenties of vonken van de godheid – maar ze zijn geen zielen totdat ze een identiteit verwerven, totdat elk ervan persoonlijk zichzelf is. . . . Ziet u niet hoe noodzakelijk een wereld van leed en zorgen is om een intelligentie te scholen en haar tot een ziel te maken? . . . Werkelijk, het lijkt me waarschijnlijk dat dit systeem van ontwikkeling van de ziel – de vader is van alle uitgedachte en persoonlijke verlossingsschema’s van de zoroastriërs, de christenen en de hindoes.

Dit doet niet alleen denken aan de leringen van Jacob Böhme en William Blake, maar het is in feite ook de basislering in de metafysica van alle oude religies. Ongetwijfeld is Keats als belezen man in aanraking met deze ideeën gekomen, maar zijn intuïtie heeft ze als essentiële waarheden herkend.

Het probleem van het algemeen welzijn van de mensheid en haar evolutie langs geestelijke lijnen houdt Keats in hoge mate bezig, zoals in deze bekende passage is te zien:

Het lijkt me dat praktisch ieder mens zoals een spin uit zijn eigen innerlijk zijn eigen verheven citadel kan spinnen – de bevestigingspunten van bladeren en takjes waar de spin haar werk begint zijn klein in aantal, en ze vult de lucht met prachtige kringlopen. Een mens zou tevreden moeten zijn met net zo weinig bevestigingspunten voor het verfijnde web van zijn ziel om daaraan een hemels tapijt te weven vol symbolen voor zijn geestelijk oog . . .

En zo gaat hij verder met aan te geven dat als ieder mens contact probeert te maken met het goddelijke en ‘de resultaten aan zijn buurman toefluistert’,

ieder mens groot kan worden, en de mensheid, in plaats van een groot open veld met doornstruiken en andere stekelige planten met hier en daar een eenzame eik of spar, een grootse democratie van woudbomen zou worden!

Het is zeker dat Keats bij zijn zoektocht naar schoonheid de waarheid vaak ontdekte – en opnieuw is het het leven van de mens dat hem bezighoudt, en het menselijk bewustzijn:

Wel – ik vergelijk het leven van de mens met een groot huis met vele appartementen . . . Het eerste dat we binnenstappen noemen we de kinder- of gedachteloze kamer, waarin we net zolang blijven als dat we niet nadenken – We blijven daar een hele tijd, en ondanks dat de deuren van de tweede kamer wijd openstaan en een helder licht laten zien, nemen we niet de moeite ons erheen te haasten; maar uiteindelijk worden we haast onmerkbaar ernaartoe gedreven door het ontwaken van dit denkbeginsel in ons – we zijn nog maar net de tweede kamer binnen, die ik de kamer van het onervaren denken zal noemen, of we raken bedwelmd door het licht en de sfeer, we zien niets anders meer dan aangename wonderlijke dingen, en denken erover om daar altijd in verrukking te blijven treuzelen: Maar onder de gevolgen, waarvan deze invloeden de vader zijn, is die ene ontzagwekkende, die het verscherpen van ons inzicht in het hart en de natuur van de mens betekent – het overtuigen van onze zenuwen dat de wereld vol ellende, gebroken harten, pijn, ziekte en onderdrukking is – waarmee deze kamer van het onervaren denken geleidelijk aan verduisterd raakt en tegelijkertijd worden aan alle kanten vele deuren opengezet – maar allemaal duister – allemaal leidend naar duistere doorgangen – We zien het evenwicht tussen goed en kwaad niet. . . . Wij zijn nu in die toestand – we voelen de ‘druk van het mysterie’ . . .

Er zijn andere ideeën die Keats ontwikkelt, en de huidige generatie is veel beter voorbereid om die te kunnen begrijpen dan de generatie van zijn tijd; ze voeren allemaal naar het bevrijden van het menselijke denken uit de boeien van vooroordeel en dogma door op een andere en veel betere manier onze vermogens te gaan gebruiken. Een ervan noemt hij negatieve bekwaamheid:

dat wil zeggen, dat een mens in staat is te midden van onzekerheden, raadsels, twijfels te verkeren zonder zich enigszins geërgerd vast te klampen aan feiten en redeneringen – Coleridge, bijvoorbeeld, zou een mooie geïsoleerde schijnwaarheid, opgedaan in de diepste diepten van het mysterie, loslaten, omdat hij met halve kennis niet tevreden kon blijven.

In dezelfde lijn ligt Keats’ vaak verkeerd begrepen uitroep, ‘Liever een gevoelsleven dan een denkleven!’ en zijn denkbeeld van wat hij ‘toegewijde domheid’ noemt, in de beroemde brief aan Reynolds van 19 februari 1818. Hij luistert naar een lijster in de vroege ochtend en hoort hem zingen:

O maak u niet druk over kennis – Ik weet niets,
En toch klinkt mijn zang vervuld van warmte.
O maak u niet druk over kennis – Ik weet niets,
En toch luistert de avond . . .

Deze ‘plotselinge fonkelingen en intuïties’ van Keats nodigen uit tot een diepgaande studie. Ze zijn nauwelijks meer dan wenken, maar het zijn schitterende wenken – en voldoende om de ziel aan te zetten om zijn eigen ontdekkingsreis te beginnen. Uit het rumoer van het moderne leven komt een manier van denken tevoorschijn die beter in staat is om enkele van de diepere aspecten van filosofie los van bestaande dogma’s naar waarde te schatten. Als onderzoekers in deze tijd zich eenmaal bewust zijn van de schatten die verborgen liggen in de brieven van Keats, zullen ze deze niet op de plank in de bibliotheek laten liggen. Ze zullen naar buiten worden gebracht, in het licht, en op een creatieve manier worden gebruikt die van belang is voor onze beschaving.

 

Noten

  1. The Selected Letters of John Keats, 1951, blz. 3.
  2. Over de zee. Het begint met: ‘Het zorgt voor eeuwigdurende fluisteringen rond afgelegen kusten . . .’
 
Kunst, muziek, (kinder)verhalen en literatuur
 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency