Californië, 25 september 2000
Op dit moment komt het hoogtepunt van het morgenlicht. Een dennenboom
langs de beschaduwde diepten is nu een groene kaars helemaal verlicht,
en volgroeide plataanbomen glinsteren met brons als de zon ze vindt.
Toch is de orde niet volmaakt, als het licht van hier naar daar glijdt
in punten en vlekken, zijn weg zoekend naar de volle schakering van
de dag.
Men kan rekenen op snelle zwarte schaduwen – maar ze komen altijd
onverwacht – wanneer vliegende vogels de lichtstroom onderbreken
naar mijn dubbele deuren. Schaduwen, korte zwarte vegen, bijproducten
van zon en leven.
Daar ligt hij, nog steeds, na meer levensjaren dan wij met zekerheid
hebben kunnen bijhouden, zijn vleugels gespreid, zijn nek gedraaid zodat
zijn snavel op de aarde rust, een kleine haan die duizenden dagen lang
elke morgen uit zijn huis tevoorschijn kwam, ontvlamd in de nieuwe zon,
een glinsterende glorie van regenboogkleurig rood, volle mantel van
borst en hals. Al die rode rijkdom krijgt nadruk door penseelstreken
zwart bijgezet met opaalblauw en groen!
Later vernemen we dat een grote zwarte journalist, Carl Rowan, vandaag
ook is gestorven. Een kleine rode haan uit het licht verdwenen, en ook
een grote man heengegaan. Enige troost: dat elke reiziger niet alleen
was in zijn opwaartse vlucht naar een wereld voorbij de zon, een tijdelijk
thuis in hun evoluerende levens.
Barbara Curtis Horton
Nederland, 3 oktober 2000
Wat een mengeling van totaal verschillende soorten karma schept een
mens in één leven – wat een massa wensen, gedachten,
woorden, positief en negatief – wat een massa verschillende en
vaak strijdige ketens van oorzaak en gevolg. Voor de mensheid moet deze
massa onberekenbaar groot zijn, bezien over tijdperken waarin rivieren
vlakten vormden uit het puin van gebergten, en oceanen golven waar eens
landstreken en steden bestonden. Hoe komt het dat al die impulsen die
alle richtingen opgaan tevoorschijn komen in de vorm van een patroon,
een samenhangend verhaal met een diepe zin? Ongecontroleerde ontlading
van al deze krachten zou ogenblikkelijke vernietiging betekenen, maar
altijd komt er precisie in timing tevoorschijn en wonderbaarlijk gestructureerde
organismen en werelden.
Wat is de intelligente schakel die steeds ordening brengt en kosmos
tot stand brengt, hetzij de kosmos van een mensenleven, of van een zonnestelsel?
Er zouden geen werelden kunnen zijn zonder beschermende intelligenties
die de processen van de natuur kanaliseren, ze in evenwicht houden.
Geen wonder dat zoveel tradities spreken over leidende intelligenties,
goden, of architecten.
De hiërarchieën van mededogen zijn de belichaming van dharma,
een woord dat komt van een wortel die ‘dragen, ondersteunen’
betekent. Ze zijn van begin tot eind aanwezig, en leiden zonder iets
op te leggen en tot volstrekte zekerheid.
Scheppen zonder te willen bezitten,
Doen zonder eer te oogsten,
Leiden zonder tussenbeide te komen,
Dat is oorspronkelijke deugd.
– Lao Tse, Tao te Ching,
51
Tot deze hiërarchieën behoren de lipika’s
(Sanskriet, ‘optekenaars’):
Ze zijn de optekenaars of geschiedschrijvers, die
op de (voor ons) onzichtbare tafelen van het astrale licht, ‘de
beeldengalerij van de eeuwigheid’, een getrouw verslag afdrukken
van iedere handeling en zelfs gedachte van de mens, van alles dat
was, is of ooit zal zijn in het heelal van de verschijnselen . . .
dit goddelijke en ongeziene schilderij is het Boek van het Leven.
– H.P. Blavatsky, De Geheime Leer,
1:134-5
Zij weerspiegelen in zichzelf de hele geschiedenis van het universum
en worden zo de toortsdragers van karma die het structurele plan in
zich dragen van alles dat opnieuw zal verschijnen. We kunnen hen ook
de alfa en de omega noemen: alles wat er in de wereld gebeurt staat
afgedrukt op de aura of essentie van deze intelligenties. In het universum
weerspiegelt het kleine het grote, eindeloos – elk deel heeft
alle eigenschappen van het grotere in zich.
In de diepten van ieder wezen is er een innerlijke lipika te vinden.
In dit ‘boek van het leven’ staat wat we zijn tot in de
kleinste bijzonderheden, wat we werkelijk zijn: ongeflatteerd, maar
ook zonder weglating van zelfs de zwakste goede impuls, het is de afdruk
van onszelf. Sommigen zouden het misschien een beschermengel noemen,
anderen de innerlijke christos, deel van de structuur van het heelal,
in wiens essentie of aura ons leven en al onze gedachten worden opgevoerd.
Deze innerlijke lipika draagt alle kenmerken van het toekomstige kind
in zich, tot in het allerkleinste detail, de neerslag van alles wat
in vervlogen tijden is gebeurd en gezegd en gedacht. De geboorte van
een kind is de voortzetting en de ontknoping van wat eerder was, precies
zoals een wereld de uitkomst en de voortzetting is van een vorige wereld,
van alles wat daar is gebeurd en tot ontwikkeling is gekomen, met inbegrip
van de architecten, of lipika’s, zelf.
H.R. Opdenberg
Nederland, 24 juli 2000
In de westerse opvatting worden onze lichamelijke kenmerken, en tenminste
voor een deel ook onze psychische eigenschappen, door stoffelijke erfelijkheid
bepaald, door de DNA-code die aanwezig is in de chromosomen die we van
onze beide ouders hebben ontvangen, en voor een deel ook door het DNA
dat zich buiten de celkern in het celplasma bevindt, en dat alleen van
de moeder afkomstig is. Velen beschouwen het dan ook als ondenkbaar
dat een ziel of onstoffelijk wezen enige invloed zou kunnen hebben,
want ze menen dat alles reeds stoffelijk is bepaald. Niettemin zijn
er nog veel aspecten van de erfelijkheidsleer die door de wetenschap
nog niet zijn verklaard.
Tijdens de voorbereidende processen van de celdeling, bijvoorbeeld,
voorafgaand aan de vorming van de geslachtscellen, kunnen de chromosomen,
waarvan de ene afkomstig is van de vader en de andere van de moeder
voor een deel over elkaar heen kruisen (de ‘crossing-over’),
en zo wisselen ze een deel van hun materiaal uit. Om te citeren uit
een standaardwerk op het gebied van evolutietheorie en erfelijkheidsleer:
Enige tijd voor de vorming van de geslachtscellen
wisselen twee homologe chromosomen gelijkwaardige stukken met elkaar
uit door een proces dat ‘crossing-over’ wordt genoemd.
Over het algemeen (er zijn echter veel uitzonderingen) lijkt er geen
wet te zijn die bepaalt op welke plaats de chromosomen zullen breken
of hoe groot de stukken zijn die worden uitgewisseld. Welke specifieke
combinatie van stukken, die respectievelijk van de moeder en van de
vader afkomstig zijn en die het nieuwe chromosoom vormen, een gegeven
eicel of zaadcel zullen binnengaan wordt in hoge mate door toeval
bepaald, althans bij de meeste chromosomen en de meeste planten- en
diersoorten. Evenzo is het vooral een kwestie van toeval welke chromosomen
in welke kiemcel zullen terechtkomen, mits natuurlijk iedere
cel zijn volledige set chromosomen krijgt toebedeeld.
– Ernst Mayr, Evolution and the
Diversity of Life, blz. 32
Het is gemakkelijk om gebeurtenissen aan toeval toe te schrijven, maar
dit geeft eigenlijk alleen uitdrukking aan de wetenschappelijke onwetendheid
over de werkelijke oorzaak.
Een ander verschijnsel is mutatie: soms verandert een genetische code
plotseling. Ook dit wordt gewoonlijk aan toeval toegeschreven, maar
dan is het moeilijk te verklaren dat er ook maar enige evolutionaire
vooruitgang wordt geboekt in biologische systemen die reeds tot een
zeker niveau van complexiteit en volmaaktheid zijn geëvolueerd.
De kans dat een mutatie tot een fatale, of op zijn minst minder geschikte
eigenschap leidt is veel groter dan dat het individu erop vooruitgaat.
Behalve ‘crossing-over’ en mutatie op een of meer plaatsen
op een chromosoom, noemen Mayr en anderen als een andere onzekere factor
de verdeling van de chromosomen tijdens de reductiedeling (meiose) waarbij
de geslachtscellen worden gevormd. Dit proces bepaalt welk van het oorspronkelijk
van de vader en oorspronkelijk van de moeder afkomstige genetische materiaal
in welke geslachtscel terechtkomt. Bovendien zijn er andere gelegenheden
tijdens het verloop van de processen waarbij invloed van binnenuit mogelijk
is: slechts een deel van de genetische code van de cel is actief op
bepaalde tijden en onder bepaalde omstandigheden. Andere delen zijn
niet actief en worden dat gedurende het huidige leven misschien ook
niet. Er zijn dus vele geheimen die door de wetenschap nog niet zijn
onthuld, maar toch worden toegedicht aan ‘toeval’.
Voor toeval is echter in het theosofische wereldbeeld geen plaats.
Wat er ook gebeurt is karmisch, dat wil zeggen, kan in verband worden
gebracht met een oorzaak, en deze oorzaak komt van binnenuit. Volgens
de theosofie worden de verschillende combinaties van erfelijke eigenschappen
in individuen bestuurd door psychomagnetische aantrekking die eigen
is aan de skandha’s van de reïncarnerende entiteit.
Skandha’s zijn de groepen van eigenschappen van een individu –
zoals het hogere en het lagere mentale bewustzijn, gevoelens, dat waartoe
men wordt aangetrokken, en fysieke eigenschappen – die uit vorige
levens worden meegebracht. Aldus bepaalt het specifieke magnetisme van
de ziel, gevormd door haar voorraad eigenschappen, welke combinaties
van erfelijke kwaliteiten zich in een bepaalde incarnatie zullen manifesteren.
‘Het is . . . onbetwistbaar dat in het geval van menselijke
incarnaties de wet van karma, voor rassen of individuen, de ondergeschikte
tendenties van de ‘erfelijkheid’, haar dienares, tenietdoet’
(De Geheime Leer 2:199).
We dienen verder ermee rekening te houden dat een reïncarnerende
entiteit wordt aangetrokken tot waar hij thuishoort, door oude banden
tussen het aankomende kind en de ouders en het milieu. Gewoonlijk heeft
het kind al eerder tot die familie behoord, wat ook verklaart waarom
het de specifieke eigenaardigheden van een bepaalde familie vertoont.
Daarom bestaat er geen conflict tussen karma en de processen van de
erfelijkheidsleer, of tussen universeel mededogen en stoffelijke erfelijkheid,
want we incarneren precies daar waar we het best iets kunnen leren en
ons essentiële wezen past zijn uiterlijke omstandigheden zo aan
dat zijn doelen het best worden gediend. Mededogen/rechtvaardigheid
bestuurt de kosmos, niet toeval.
Rudi Jansma