Op zoek naar antwoorden
Sarah Belle Dougherty

 

Hoewel we in de loop van de tweede helft van de vorige eeuw vele veranderingen waarnemen, bevestigen de gebeurtenissen in onze directe omgeving en elders in de wereld dat de menselijke natuur nog steeds praktisch dezelfde is als duizenden jaren geleden. De tijdloze vragen over de achtergrond van het menselijke bestaan zijn eveneens dezelfde gebleven: Wie ben ik? Waarom ben ik hier? Hoe verhoud ik me ten opzichte van de rest van de wereld? Wat is het doel van het leven? Wat gebeurt er met me als ik dood ga? Als we over deze fundamentele zaken nadenken, stellen de meesten van ons ook de vraag: Hoe kan ik op zulke vragen een antwoord vinden en hoe kan ik erop vertrouwen dat het gevonden antwoord juist is?
     De wetenschap, de moderne arbiter van de werkelijkheid, geeft ons weinig begeleiding bij dit zoeken. Haar beoefenaars die weloverwogen de grenzen van hun onderzoek afbakenen, zien zich in het algemeen genoodzaakt de werkelijkheid van alles wat niet van fysieke aard is te negeren of te ontkennen, als ze serieus genomen willen worden. Dat velen tevreden zijn met zo’n materialistische benadering als verklaring voor het leven, getuigt van onze geneigdheid om aan te nemen dat het bewijs van onze fysieke zintuigen meer ‘werkelijk’ is dan ons bewustzijn zelf.
     Het is uiterst merkwaardig dat de werkelijkheid van de materiële wereld zo vanzelfsprekend lijkt en bewustzijn zo hypothetisch, wanneer ons eigen bewustzijn in feite het enige is wat ieder van ons direct ervaart. Ons bewustzijn is zo onlosmakelijk een deel van ons, dat we in het algemeen niet gewaarworden hoe we het voortdurend gebruiken om elk aspect van onszelf en onze omgeving te begrijpen en te verklaren. De fysieke wereld is zoals iedereen weet een mentaal beeld dat hoofdzakelijk is opgebouwd uit waarnemingen die ons bereiken via onze zintuigen. Dit beeld komt niet erg goed overeen met wat we van de wereld op een dieper niveau begrijpen. Wetenschappers bijvoorbeeld verzekeren ons dat ‘vaste’ materie eigenlijk wordt gevormd door snel bewegende subatomaire deeltjes, een verschijningsvorm van wervelende energie. Onze gebruikelijke opvatting is een illusie die voortkomt uit de beperkingen van zowel onze zintuigen als ons bewustzijn, een waarheid die in veel oosterse filosofische stelsels naar voren wordt gebracht.
     Bovendien is het algemeen bekend dat onze zintuigen zeer selectief en onvolmaakt zijn, en dat ze gevoelig zijn voor maar een fractie van het stralingsspectrum dat wetenschappers tot nu toe hebben ontdekt. In veel opzichten functioneren onze zintuigen en ons brein als filters die onze waarneming beperken, en ons beschermen tegen de overweldigende uitgestrektheid en complexiteit van de kosmos. We kunnen logischerwijze niet blijven volhouden dat iets niet bestaat alleen op grond van het feit dat we het niet waarnemen, wanneer zoveel dat tot voor kort nog niet kon worden ontdekt, nu als werkelijk bestaand wordt erkend. Evenmin zijn onze zintuigen statisch. Veel mensen hebben ontdekt dat ze nieuwe zintuigen kunnen verwerven of het waarnemingsbereik van de oude kunnen uitbreiden. Sommigen hebben geleerd om de magnetische stromen van de aarde waar te nemen, om kleuren te ‘zien’ met hun huid, enz.; terwijl bijna iedereen door oefening kan leren om meer verfijnde nuances in kleuren, smaken, klanken of temperaturen te onderscheiden. Onze zintuigen kunnen ook worden verstoord door factoren zoals chemicaliën en fysiologische, emotionele en mentale omstandigheden. Wanneer we onze onmiskenbare beperkingen en veelvuldige interpretatiefouten in aanmerking nemen, is het overmoedig om een beeld te accepteren dat onze zintuigen ons als werkelijkheid voorhouden, zelfs als dit wordt uitgebreid door de mechanische ‘zintuigen’ van het wetenschappelijk onderzoek.
     En als we in plaats van ons te concentreren op de objecten die we waarnemen ons richten op ons bewustzijn als een middel om inzicht in de aard van de werkelijkheid te verwerven? Deze benadering is door mystici van alle tijden toegepast en ze vormt het fundament van veel oude en traditionele scholen van psychisch onderzoek. De gangbare opvatting van hen die zulk onderzoek op zich hebben genomen is dat het gewone menselijke bewustzijn een beperkte vorm van een meer universeel bewustzijn is. Wanneer we ons individuele bewustzijn tot zijn oorsprong volgen, blijkt het identiek te zijn met dit kosmische bewustzijn; en ons gewone bewustzijn is niet in staat dit te beschrijven of te bevatten. Dit meeromvattende bewustzijn wordt de normale toestand in hen die bereid zijn de noodzakelijke discipline en training te ondergaan, hoewel ook gewone mensen het in een korte flits, meestal geheel onverwacht, kunnen ervaren. De eerste stappen die worden aanbevolen aan serieuze onderzoekers op dit pad betreffen het bevrijden van de geest van de overheersing van het fysieke lichaam en zijn zintuigen.
     Degenen met een materialistische kijk op het leven doen andere zienswijzen vaak af als redelijke verklaringen voor een onaangename werkelijkheid die een ‘goed gevoel’ moeten geven of verdedigingsstrategieën zijn van het ego. Maar omdat iets louter deprimerend of nihilistisch is, wil dat nog niet zeggen dat het werkelijk bestaat. Dat we een materieel organisme zijn waarvan de ‘bewustzijnstoestand’ niet meer betekent dan gecompliceerde chemische reacties, wordt soms als wetenschappelijk feit aangevoerd, terwijl het in werkelijkheid een onbewezen en niet te bewijzen hypothese is. De vraag of bewustzijn een oorzaak of een gevolg – of beide – van chemische reacties in ons brein is, kan niet worden opgelost door een axioma of officiële goedkeuring. Onze dagelijkse ervaring geeft echter aan dat bewustzijn een fundamenteel deel van ons is.
     Omdat we wezenlijke delen van de kosmos zijn, maken we deel uit van zijn werkelijkheid. Als het ons erom gaat boven alles waarheid te vinden, dan zullen we met doorzettingsvermogen en eerlijkheid een steeds beter begrip van die realiteit verwerven. Hoe doen we dat? Eén uitgangspunt is door te kijken naar de raad die de grootste en meest wijze mensen ons hebben gegeven. Eén van deze wijzen, de hindoe-avatara Krishna, adviseerde zijn leerling:

Zoek deze wijsheid door te dienen, door diepgaand onderzoek, door te vragen en door nederigheid; de wijzen die de waarheid zien zullen u haar verklaren, en als u deze kent, zult u nooit weer tot dwalingen vervallen. . . . Er is geen zuiverende kracht in deze wereld die is te vergelijken met spirituele kennis, en hij die volmaakt is in devotie zal ontdekken dat deze zich na verloop van tijd spontaan in hem ontwikkelt.      – Bhagavad Gita, hfst. 4

Het pad naar ware kennis zoals uiteengezet door de grote leraren van de jains wordt in dit nummer besproken (zie blz. 41). Op Gautama Boeddha’s pad naar inzicht gaat het om de manier waarop we elk moment van de dag leven. Het centrale thema van zijn uiteenzetting is het in praktijk brengen van juiste opvattingen, juiste gedachten, juist spreken, juist handelen, juiste middelen voor het levensonderhoud, juiste inspanningen, juiste aandacht en juiste meditatie. Door onze pogingen om waarheid in alle aspecten van ons bestaan tot uitdrukking te brengen, zullen we ons uiteindelijk ontdoen van illusies en het werkelijke bestaan waarnemen. Nog een andere spirituele leraar vatte zijn instructies in heel eenvoudige bewoordingen samen:

Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelf.      – Mattheus, 22:37-9

Zulke aloude raad, gegeven door de grootste psychologen en onderzoekers die de gesteldheid van de mens bestudeerden, blijft van waarde ondanks de veranderingen van de moderne manier van leven of de situatie in de wereld. Hiermee worden sleutels aangereikt die ieder van ons kan gebruiken om de werkelijkheden van onszelf en van de innerlijke en uiterlijke natuur – het hart en de ziel van het universum – te ontdekken.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency