De discussie over het voor en tegen van de doodstraf
duurt voort in de Verenigde Staten. Hoewel in de eerste twintig jaar
van de 20ste eeuw de doodstraf in negen staten werd afgeschaft, nam
die praktijk halverwege de jaren twintig toe, met een piek in de jaren
dertig met gemiddeld 167 executies per jaar. In 1967 begon er een
niet-officieel uitstel, gesteund door een uitspraak van het Hoogste
Gerechtshof in 1972 die alle bestaande wetten herriep waarin de doodstraf
werd opgelegd. In 1976 keurde het Hoogste Gerechtshof echter veroordelingen
tot de doodstraf goed als die werden opgelegd door een tweevoudig
stelsel van een proces en een rechterlijke uitspraak. In 1977 werden
de executies hervat, en nu wordt de doodstraf in 38 staten toegestaan,
en er is een groeiend aantal misdrijven waarvoor de doodstraf geldt.
Intussen hebben 28 landen in Europa, en ook Canada en Australië,
deze praktijken afgeschaft.
De belangrijkste punten die voorstanders van de doodstraf
naar voren brengen zijn openbare veiligheid, afschrikking en vergelding.
Onder de factoren die door tegenstanders worden genoemd zijn de onomkeerbaarheid
ervan, vooral in het licht van onjuiste veroordelingen; de onrechtvaardigheid
ervan, omdat ongelijkheden in het rechtssysteem ertoe hebben geleid
dat vooral de armen, de mentaal onbekwamen en mensen zonder opleiding
ter dood werden veroordeeld, en waarbij het aandeel van mensen uit
minderheden onevenredig groot was; het niet te rijmen zijn met Jezus’
geboden om lief te hebben en te vergeven, en met boetedoening en verlossing
in tegenstelling tot wraak; gebrek aan bewijs dat er een afschrikwekkend
effect van uitgaat; en de onmenselijkheid en barbaarsheid ervan. De
volgende uiteenzetting geeft een theosofische kijk op dit vraagstuk.
– Red.
Katherine Tingley:
Er is in feite maar één soort misdaad die door gezonde,
weldenkende mensen wordt begaan en dat is die vorm van moord die doodstraf
wordt genoemd. Het leven van een mens behoort niet alleen de gemeenschap
toe. Het is een deel van het universele levensplan. Ieder van ons is
hier door de goddelijke wet geplaatst voor een goddelijk en universeel
doel, en niets kan ons het recht geven om het doden van een mens te
wettigen. We begaan zelf een misdaad als we dat toestaan en dat is een
misdaad tegen de hogere wet.
Kijk achter de uiterlijke schijn: kijk in het diepst van het leven.
Hier is een mens die morgen voor zijn misdaden zal worden opgehangen:
we weten wat er met zijn lichaam gebeurt, maar hoe staat het met de
ziel, waar dat lichaam aan toebehoort? In welke toestand gaat die verder
– welwillend tegenover de mensheid misschien; in vrede met de
mens en de wereld? Integendeel, wanneer hij het leven verlaat zal hij
niet bepaald zijn doordrongen van liefde voor de mensheid, of liefde
voor het goede, het schone en het ware. Hij weet vrijwel niets van de
goddelijke natuur binnen zijn menselijke natuur: als hij daar in doodsangst
in de dodencel zit is er in en om hem heen niets van de atmosfeer van
goddelijke dingen, niets dat hem daaraan herinnert.
‘Heb elkaar lief!’ zei de grote Nazarener; maar vanaf het
ogenblik dat deze man om zijn misdaad werd gegrepen had hij niets om
lief te hebben, niets dat hem liefhad, behalve de ijzeren tralies van
zijn kooi, waar hij elk moment eraan wordt herinnerd dat hij ten dode
is opgeschreven, een ding, uitgestoten door de mensheid. Hij
is de mensheid gaan haten die hem feitelijk nooit reden gaf anders te
handelen. Hij is met alles om hem heen in oorlog; zijn hele wezen is
vervuld van bitterheid tegen hen die hem veroordeelden, van het verlangen
zich te wreken, van angst voor wat er komen gaat. Hij heeft nu eens
deze, dan die leer horen preken, van deze of die kansel, maar geen woord
of gedachte die hem enig werkelijk begrip van hemzelf bracht.
Hij heeft niet het verlichte inzicht om te weten – hoe zou dat
ook kunnen? – dat we oogsten wat we hebben gezaaid en dat we,
zoals we zaaien, zullen oogsten. Hij heeft genoten van de lagere kant
van zijn natuur tot hij nu in de ogen van de wereld het slechtste wezen
op aarde is. Zoveel mogelijk staan we hem geen andere herinnering toe
dan deze: dat hij vervloekt is, niet geschikt om te leven, en daarom
met elke mensonwaardige omstandigheid verder in het grote onbekende
moet worden gestoten.
De ziel is aanwezig – een menselijke ziel is aanwezig –
hij heeft nog steeds de goddelijke vonk in zich, hoe weinig besef hij
daarvan misschien nog heeft. Omdat hij een mens is, is hij in wezen
goddelijk. We weten nog zo weinig van het leven. Over deze man kan dit
worden gezegd: hoewel zijn ziel voortdurend uit zijn bewustzijn is buitengesloten
en geen mogelijkheid heeft gevonden zich in zijn daden tot uitdrukking
te brengen – al heeft hij gescheiden daarvan geleefd en is hij
in de meest vernederende positie weggezakt – toch houdt de onveranderlijke
wet die alle leven beheerst hem onder haar hoede evenals de grootste
heilige, en die godheid zal hem ergens, aan gene zijde van de dood,
beelden van hoop tonen en het besef brengen dat de weg die hij volgde
verkeerd was en dat hij nieuwe kansen zal krijgen.
Waarlijk, de goddelijke wet is barmhartiger dan de menselijke wet:
voorbij de dood is er vrede en kennis van ons grotere zelf, en vergoeding
voor het onrecht dat de wereld ons misschien heeft aangedaan. Wij mensen
zijn goddelijk – geboren om ons te ontwikkelen! We zijn zonen
van god, hier geïncarneerd om te werken aan een verheven bestemming
voor onszelf en voor de wereld waarin wij leven. Maar we moeten niet
vergeten wat voor neerslag van gedachten de geëxecuteerde, bij
wijze van spreken, op de rand van deze wereld heeft achtergelaten, en
beseffen dat wanneer hij door de goddelijke drang van de wet weer zijn
plaats op aarde zoekt, zoals hij zal doen – zoals allen moeten
doen – en de last weer opneemt die hij had afgelegd, we hem niet
in de collegezalen zullen vinden, noch in plaatsen waar men schoonheid
en waarheid aantreft. Hij zal zich noodzakelijkerwijs begeven naar een
omgeving die verwant is aan de gedachten en gevoelens waarmee hij vertrok:
zo was de deur van zijn heengaan, en zo moet de deur zijn van zijn terugkeer.
Gertrude W. van Pelt:
Theosofie leert dat gerechtigheid niet om bestraffing door ons vraagt.
Karma zal hiervoor zorg dragen en efficiënter dan wij het kunnen
door ieder precies dat te brengen wat hij verdient. Waarom zou men daaraan
wat willen toevoegen? Onze enige zorg moet zijn de mensen te leren dapper
onder ogen te zien wat ze verdienen. Wat zouden we niet kunnen bereiken
als ons gevangeniswezen meer op opvoeding dan op bestraffing was gericht?
Steeds meer mensen beseffen dit en beschouwen de doodstraf als gelegaliseerde
moord. Het karma van het op deze manier dwarsbomen van het plan van
de natuur moet zwaar zijn voor de landen die dit hebben toegestaan.
De maatschappij moet natuurlijk tegen boosdoeners worden beschermd,
maar op een zodanige manier dat de laatstgenoemden daardoor niet nog
slechter worden. Zoals H.P. Blavatsky zegt:
Weersta het kwaad niet en vergeld kwaad met goed
. . . werden oorspronkelijk gepredikt met het oog op de onwrikbaarheid
van de karmische wet. In ieder geval is het een ontheiligende aanmatiging
als een mens de wet in eigen hand neemt. Menselijke wetten mogen wel
gebruikmaken van beperkende maatregelen, niet van strafmaatregelen;
maar iemand die in karma gelooft, en die zich toch wreekt en weigert
elk onrecht te vergeven en kwaad met goed te vergelden, is een misdadiger
en schaadt alleen zichzelf. Omdat karma de man die hem onrecht deed
zeker zal straffen, zal hij die probeert zijn vijand extra straf toe
te dienen in plaats van die bestraffing aan de grote Wet over te laten,
een oorzaak scheppen voor een toekomstige beloning van zijn eigen
vijand en een toekomstige bestraffing van zichzelf.
– De Sleutel tot de Theosofie, blz. 185
Een misdadiger die op gewelddadige wijze van zijn lichaam wordt beroofd
sterft niet werkelijk – dat wil zeggen, verlaat deze aardse atmosfeer
niet – maar blijft op het astrale gebied, waar hij in zekere zin
vrijer is dan achter de tralies van de gevangenis, tot zijn natuurlijke
levensduur is verlopen. Hier kan hij vrijelijk invloed uitoefenen op
de zwakken van geest – en doet dat ook – om misdaden te
plegen en zijn gevoel van haat tegen de maatschappij te injecteren in
het denken van de levenden. Denk aan het verschrikkelijke karma dat
dit voor alle betrokkenen met zich mee zal brengen, en vergelijk dit
met de resultaten die zouden volgen wanneer er een intelligente en oprechte
poging werd gedaan om de misdadiger uit het moeras te helpen waarin
hij zich bevindt.
Het is iets dat onze innerlijke waardigheid oproept om te weten dat
we meesters zijn van ons eigen lot; dat er in het heelal geen toeval
bestaat; dat ‘bevoordeelde wezens’ niet bestaan, maar dat
de onbeperkte schatten van de natuur beschikbaar zijn voor ieder die
aan de voorwaarden voldoet.
Zo dwingt de wet ons tot gerechtigheid,
Niet één kan haar weerstaan. Volg haar gedwee!
Liefde is haar innigst wezen en het doel
Dat zij beoogt, Volmaking, Rust en Vree!
– Sir Edwin Arnold: Het Licht van Azië (vertaling:
H.U. Meyboom)