Ieder die ooit de aanraking van de innerlijke god
heeft gevoeld is vanaf dat moment nooit meer dezelfde. Kan nooit meer
dezelfde zijn. Uw leven is veranderd; en dit ontwaken kunt u elk moment
ervaren, ieder ogenblik waarvan u gebruikmaakt. –
G. de Purucker
De jains vormen een religieuze groepering in India die minder dan een
procent van de bevolking van dat land omvat, en waarvan de geschiedenis
teruggaat tot een periode waaraan geen enkele herinnering meer bestaat.
Hun laatste grote leraar, de tirthankara Mahavira, leefde ongeveer 2500
jaar geleden en was mogelijk een tijdgenoot van Gautama de Boeddha.
Mahavira was de vierentwintigste van de tirthankara’s van de huidige
cyclus, waarbij iedere cyclus een enorme periode omvat.
In de geschriften van de jains vindt men een gedetailleerde kosmografie
uitgewerkt die talloze onzichtbare gebieden en bollen omvat waarop we
leven en waartussen een grote verscheidenheid aan levensvormen zich
beweegt die alle begiftigd zijn met intelligentie of door intelligente
wezens worden geleid – godheden en krachten. De mineralen, planten,
dieren en mensen van de aarde vormen slechts een minderheid binnen de
enorme kosmos van leven. Al deze wezens – van de meest primitieve
met maar één zintuig, tot aan de hoogste godheid –
hebben hun eigen specifieke vorm, leefomstandigheid en evolutiestadium,
voortgebracht door karmisch handelen. In hun systematische benadering
hebben de jains een wetenschappelijke classificatie ontwikkeld van 148
soorten karma.
 |
Samavasarana-patta: een vergadering van wezens
die zijn bijeengekomen om het onderricht in de leer door een
tirthankara bij te wonen (ca. 1800 n.Chr., Rajasthan, in The
Jain Cosmology)
|
Misschien nog opmerkelijker zijn hun opvattingen over ethiek en het
feit dat de jains zich in hun dagelijks leven strikt houden aan hun
ethische code. De kern van hun ethiek is ahimsa, geweldloosheid
in handeling, spraak en gedachte, het zich volledig onthouden van het
berokkenen van schade. Ze zijn strikte vegetariërs en vermijden
beroepen die het kwetsen van zelfs het kleinste levende wezen met zich
mee zouden kunnen brengen. Wat andere mensen betreft – naast fysieke
geweldloosheid, zijn ze tolerant ten opzicht van mensen die andere opvattingen
koesteren, omdat alleen over iemand die de staat van alwetendheid heeft
bereikt kan worden gezegd dat hij het uiteindelijke juiste inzicht heeft.
Het doel van deze praktijken is tweeledig. Ten eerste wordt het lijden
van levende wezens zoveel mogelijk beperkt zodat zij niet worden gehinderd
op het pad dat hun ziel heeft gekozen. Ten tweede zuiveren de jains
zich van karma’s die hun oorsprong vinden in gewelddadige of andere
disharmonische gedachten en emoties die de helderheid van geest en visie
beperken. Op deze wijze ontwikkelen ze een grote mate van mededogen
voor al wat leeft.
Het uiteindelijke doel van de pelgrimstocht van de ziel door alle vormen
in ruimte en tijd, is volledig bewuste vereniging met de inherente kwaliteiten
van de ziel: oneindige kennis, oneindige zuiverheid, en oneindige vrijheid
binnen dit universum. De mogelijkheid van het verkrijgen van een zuivere,
heldere geest, van onfeilbare intuïtie en feilloos inzicht is de
uiteindelijke droom van de zoeker naar waarheid. Maar als we werkelijk
de waarheid omtrent onszelf en het zichtbare en onzichtbare heelal willen
kennen en willen werken voor het welzijn van de wereld en haar bewoners,
kunnen we niet voorbijgaan aan het beoefenen van ethiek, wat betekent
dat we in harmonie leven met de wetten van het heelal.
Wat betreft de aard van levende wezens leren de jains: in de kern van
ieder wezen is (1) een zuivere en alwetende jiva of ziel; (2)
groot mededogen en verlicht inzicht dat op het juiste moment als reactie
op de juiste ‘roep van beneden’ een straal van geestelijk
licht en energie kan projecteren in het ontvankelijke persoonlijke bewustzijn,
waardoor het denken tijdelijk in vuur en vlam wordt gezet overeenkomstig
de mate waarin dit in staat is deze straal te bevatten; (3) een ingeboren
verlangen naar bevrijding; (4) een lager, hartstochtelijk denken, de
slaaf van zijn illusies, waardoor voortdurend karmische elementen van
een lagere aard rondom de ziel worden aangetrokken die helder inzicht
belemmeren, de vrije ontwikkeling van de hogere vermogens tegengaan
en de ziel gevangen houden. Dit geheel wordt door drie voertuigen omkleed:
(1) het lichaam van karmische materie, dat de oorzaak is van het fysieke
uiterlijk en van mentale en emotionele neigingen; (2) het ‘vuur-’
of elektrische lichaam, opgebouwd uit fijne moleculen van elektrische
materie; en (3) het fysieke lichaam.
De jains beschrijven het pad dat leidt tot zuiverheid, uiteindelijke
bevrijding en alwetendheid binnen ons universum in veertien stadia.
Het eerste stadium wordt ‘vals wereldbeeld’ genoemd en duidt
op de ‘normale’ toestand waarin de meerderheid van de mensen
zich bevindt en waarin de ziel is gekluisterd door hartstochten en illusies
die haar sinds het beginloze verleden in hun greep hebben gehouden.
We kunnen wel ideeën en theorieën vormen, maar als we ons
niet bewust zijn van de spirituele waarheden achter de uiterlijke verschijnselen,
zullen we nooit werkelijk begrip verkrijgen van de kosmos en het leven,
en daardoor worden geconfronteerd met de frustraties die met die fundamentele
onwetendheid samenhangen.
Door gedachten en gevoelens in het verleden hebben we karma’s
aangetrokken die ons afleiden van juiste inzichten, maar de ziel heeft
het ingeboren vermogen om door deze omhulling van karmische beperkingen
heen te breken en een punt van ‘gereedheid’ te bereiken
waarvoor zijzelf de oorzaak heeft gelegd. Er komt een moment dat de
eerste flitsen van werkelijk inzicht voor iemand beginnen te dagen en
vanaf dat ogenblik kan hij het pad naar het uiteindelijke doel op eigen
kracht gaan. Als hij eenmaal het pad dat naar bevrijding leidt heeft
ingeslagen, wordt elke gebeurtenis in het leven, als deze wordt gezien
in het licht van de ziel, een leraar. Dit kan hand in hand gaan met
onderwijs dat men ontvangt van iemand die een dieper begrip van het
innerlijke leven heeft verkregen.
Door instructie en training nemen zuiverheid en inzicht toe, en voor
het eerst komt de pelgrim oog in oog te staan met zijn vijanden: grove
hartstochten die zich door zijn hele verleden heen hebben opgehoopt
en de karma’s die ons afhouden van werkelijk inzicht. Door deze
vijanden te herkennen en te verwijderen, worden alle bedrieglijke factoren
tijdelijk onderdrukt en verkrijgt hij een onbelemmerd inzicht. Dit stadium
is heel kritiek in de geestelijke ontwikkeling, want het bewustzijn
ervaart het eerste gloren van de uiteindelijke verlichting. Vanaf dat
moment mag hij werkelijk een jaina worden genoemd, omdat hij
het pad van de jina’s, de ‘overwinnaars’,
heeft betreden. Vervolmaking wordt echter alleen bereikt via de moeilijke
stadia die nog volgen.
Dit stadium van werkelijk inzicht duurt wellicht niet lang en we kunnen
in een toestand komen waarin alleen een herinnering aan ons moment van
ontwaking overblijft. Misschien pakken we onze oude gewoonten weer op,
laten ons weer leiden door onze wereldse verlangens, en vergeten de
ervaring van bewustwording totaal. Maar als de ziel eenmaal is geraakt
door dit licht, heeft ze toch onherroepelijk voet gezet op het pad naar
alwetendheid. Ongetwijfeld hebben velen onder ons al eens in een vroeger
leven zo’n diepe ervaring gehad, en misschien is dat de oorzaak
ervan dat we een gevoel van herkenning ervaren als we in aanraking komen
met geestelijke leringen of objecten van geestelijke schoonheid.
Iemand die zijn verlichtende ervaring vasthoudt heeft een grote innerlijke
verandering ondergaan en dat weerspiegelt zich in zijn houding en gedrag,
en hij voelt ondanks de uitdagingen die nog wachten een innerlijke vreugde.
Voorheen identificeerde hij zich alleen met zijn lichaam, zijn bezittingen
en status, en alles wat hem in zijn leven overkwam beoordeelde hij als
aangenaam of onaangenaam. Hij dacht dat zijn persoonlijke wilskracht
de werkelijke acteur van het leven was en was trots als hij iets had
bereikt of gefrustreerd als hij in een of ander persoonlijk doel niet
slaagde. Aldus ging hij onbewust in tegen de geestelijke wetten van
de natuur en bleef de cyclus van slavernij in stand. Van nu af aan heeft
zijn aandacht een andere richting en concentreert zich geheel op zijn
essentiële natuur. Uiterlijke dingen zijn niet zo belangrijk meer.
Hij is een vrediger, stabieler en geduldiger persoon geworden en toont
van nature wat de Bhagavad-Gita beschrijft als de kenmerken
van een wijze: gelijkmoedigheid onder alle omstandigheden, koude of
hitte, lof of blaam, voorspoed of tegenslag. Hij weet dat er achter
de sluier van de illusie die hij vroeger had aangezien voor de werkelijkheid
een essentiële natuur bestaat.
De pelgrim realiseert zich ook dat ieder levend wezen een ziel bezit
die inherent in staat is om het hoogste te bereiken dat spiritueel gezien
mogelijk is. Dit bewustzijn van broederschap roept sterke gevoelens
van mededogen op. Broederschap en mededogen, alsmede onverschilligheid
voor wereldse verlangens en gehechtheden, behoren daarom tot de kwaliteiten
van een man of vrouw die de eerste vonk van verlichting heeft ervaren.
Het bewustzijn opent zich zodat het zich op effectieve wijze kan bezighouden
met universele vraagstukken, zoals ‘Wat is het doel van het leven?’
‘Wat zijn de wetten die het leven en het universum besturen?’
‘Hoe zijn het heelal en de mens innerlijk opgebouwd?’ die
door het hersenverstand of alleen een materialistische benadering niet
kunnen worden opgelost. Iemand die eenmaal een glimp van de ziel heeft
opgevangen zal nooit meer in de valkuil terechtkomen van materialistisch
nihilisme of dogmatisme – de twee spoken die westerse wetenschap
en veel religies belagen.
Het jainisme onderwijst niet alleen het pad naar zelfrealisatie en
onthechting, maar laat ook ruimte voor de mogelijkheid om, wanneer men
bewogen wordt door groot mededogen, de eigen bevrijding uit te stellen
en zich om te keren naar alle levende wezens die moeizaam langs het
geestelijke pad omhoog worstelen. De hoogste onzelfzuchtigheid zou de
ziel ertoe aanzetten ter wille van het welzijn van alle levende wezens
terug te keren wanneer zij is aangekomen op de drempel van de bevrijding,
in plaats van zich te koesteren in eonen van verheven gelukzaligheid
en alwetendheid voor zichzelf alleen. Zulke zielen worden de tirthankara’s.
Dit brengt de lering van de jains dichtbij het onderscheid dat boeddhisten
en theosofen maken tussen pratyekaboeddha’s – boeddha’s
voor zichzelf alleen – en boeddha’s van mededogen die alles
volbrengen dat door een mens bereikt kan worden en dan hun verdiende
periode van gelukzaligheid en vrede verzaken om de wereld te helpen.
De hogere stadia van het pad van de jains beschrijven wat ervoor nodig
is om alle beperkingen te boven te komen en te elimineren. Wanneer men
werkelijk ervoor kiest om de waarheid te benaderen en ieder obstakel
uit de weg te ruimen, dient men actief de hoogste ethiek te beoefenen.
Dit is het vijfde stadium. Een grote hulp om in moeilijke tijden vastberaden
te blijven, is het doen van geloften, in tegenwoordigheid van een leraar
en aan het eigen innerlijke zelf. Afhankelijk van zijn situatie en de
kracht van zijn voornemens kan een jain het lekenpad volgen, of aan
het inspannender zesde stadium werken, het pad van de bedelmonnik. Het
voornaamste verschil tussen het pad van de leek en dat van de monnik
is de striktheid waarmee geweldloosheid wordt beoefend. Iedere jain
zal vermijden de vormen waarin de zielen zijn geïncarneerd te doden
of indirect verantwoordelijk te zijn voor hun dood. Dat geldt voor mensen
en dieren, en voor zover mogelijk ook voor planten en minerale levens.
Om deze reden wijzen ze dierenoffers en het misbruik van dieren in wetenschappelijke
laboratoria af. De voornaamste lekengeloften zijn: (1) geweldloosheid;
(2) waarheid, het niet liegen onder welke omstandigheid dan ook, wat
betekent dat men zeer zorgvuldig moet zijn in wat men zegt of wellicht
niet zegt indien dit een levend wezen zou kunnen schaden; (3) niet stelen
of iets nemen dat niet is gegeven; (4) geen seksueel wangedrag, d.w.z.
seks buiten de huwelijksrelatie en excessief toegeven aan seksuele genoegens
met de eigen partner; (5) het niet bezitten en niet-gehechtheid aan
materiële objecten en inwendige bezittingen zoals hartstochten
en sentimenten.
De bedelmonnik bereikt zoals gezegd het zesde stadium, waar het principe
van geweldloosheid tot zijn uiterste wordt doorgevoerd en dat de kleinste
en meest primitieve levensvormen, zelfs de elementen, omvat. De monnik
behoort idealiter niet in de aarde te graven, op gras te lopen, vuur
te doven, enz. Aldus ontwikkelt hij een houding waarin hij alle leven
en het milieu absoluut geen schade toebrengt, en neemt slechts wat hem
wordt gegeven. Hij is dan een volmaakte vriend geworden van alle levende
wezens, en is een volmaakte milieubeschermer.
Om voort te gaan op zijn tocht zal de monnik alles eraan doen om de
kwaliteiten van zijn karakter te verbeteren, en nadenken over de diverse
aspecten van de universele wijsbegeerte. De ethica en filosofie van
de jains formuleert deze beoefening als tien dharma’s of voorschriften
en twaalf meditaties. De tien dharma’s worden opgesomd in de Tat-
tvarthadhigama Sutra (ix, 6) als volmaakte vergevensgezindheid,
bescheidenheid, eerlijkheid, zuiverheid, waarheidsgetrouwheid, zelfbeheersing,
soberheid, zelfverzaking, onthechting en kuisheid. Enkele van de onderwerpen
die in deze sutra (ix, 7) worden aangeraden om over na te denken zijn:
alles is onderhevig aan verandering en daarom vergankelijk; het is zinloos
te proberen het onvermijdelijke te vermijden, want het zaad dat in het
verleden is gezaaid moet vrucht dragen overeenkomstig de natuurlijke
aard ervan; de toestroom van karma’s is de oorzaak van het aardse
bestaan, en aan deze stroom kan een einde worden gemaakt; het heelal
heeft geen absoluut begin of einde, werd nooit geschapen, en werkt volgens
zijn eigen wetten zonder goddelijke tussenkomst. Zulke regels en bespiegelingen
leiden ertoe dat men afstand doet van elke vorm van egoïstisch
denken.
In het zevende stadium beoefent de aspirant hogere vormen van meditatie
en roept nog verhevener niveaus van bewustzijn wakker. In het achtste,
negende, tiende en elfde stadium worden de karma’s die tot verkeerd
gedrag leiden, zoals woede, trots, bedrog, hebzucht, verdriet, angst
en seksueel verlangen onderdrukt of vernietigd. Men kan zich voorstellen
dat, naarmate de pelgrim vordert op het pad, hij elke individuele misleiding
en zwakheid die hij in vroegere levens heeft ervaren onder ogen moet
zien en moet overwinnen. Het zal inderdaad een vreselijke ervaring zijn
om alle schade die we de wereld in de loop van de tijd hebben berokkend
onder ogen te moeten zien. Alles moet overwonnen worden, en we hebben
daartoe de kracht zolang we niet vergeten dat de grootste zuiverheid,
de hoogste wijsheid en de uiteindelijke kracht ten goede, de inherente
kwaliteiten van de ziel zijn. Tot aan het elfde stadium klimt de zoeker
naar waarheid omhoog langs een van twee ladders: die van onderdrukking
of die van uitroeiing. Zolang de karma’s alleen zijn onderdrukt,
zal hij het elfde stadium bereiken, maar zijn passies zullen weer aan
de oppervlakte komen en hem misschien meesleuren naar een lager stadium.
Maar tenslotte zal hij voldoende kracht hebben om de karma’s werkelijk
te elimineren en voorbij het elfde stadium te komen en aan het twaalfde
te beginnen – dat van een arhat.
De laatste gedragsmisleidende en kennis- en waarneming-verduisterende
en energie-beperkende karma’s worden nu uitgeroeid en er zijn
geen obstakels meer voor het bereiken van eindeloze gelukzaligheid en
energie. De aspirant bereikt spontaan het dertiende stadium: hij bezit
alwetendheid tijdens zijn incarnatie.
Het veertiende en laatste stadium wordt bereikt door een arhat kort
voordat hij zijn fysieke lichaam verlaat. Alle trillingen van de ziel
die karma’s aantrekken en de oorzaak zijn van gebondenheid zijn
opgehouden. Hij heeft zijn fysieke voertuig voor de laatste keer verlaten
en gaat de ontlichaamde toestand van eeuwige gelukzaligheid en alwetendheid
binnen. Zeer zelden – in harmonie met de wet van de cyclussen
en hun eigen karma – blijven sommige arhats op aarde als alwetende
en bevrijde leraren ten gunste van de mensheid en alle levende wezens.
Hun karma is dat van universeel mededogen en universele naastenliefde
voor al degenen die naar het hogere streven. Zulke wezens zijn de tirthankara’s,
de grote leraren van de mensheid.