Het veertienvoudige pad van de jains
Rudi Jansma

 

Ieder die ooit de aanraking van de innerlijke god heeft gevoeld is vanaf dat moment nooit meer dezelfde. Kan nooit meer dezelfde zijn. Uw leven is veranderd; en dit ontwaken kunt u elk moment ervaren, ieder ogenblik waarvan u gebruikmaakt.      – G. de Purucker

De jains vormen een religieuze groepering in India die minder dan een procent van de bevolking van dat land omvat, en waarvan de geschiedenis teruggaat tot een periode waaraan geen enkele herinnering meer bestaat. Hun laatste grote leraar, de tirthankara Mahavira, leefde ongeveer 2500 jaar geleden en was mogelijk een tijdgenoot van Gautama de Boeddha. Mahavira was de vierentwintigste van de tirthankara’s van de huidige cyclus, waarbij iedere cyclus een enorme periode omvat.

In de geschriften van de jains vindt men een gedetailleerde kosmografie uitgewerkt die talloze onzichtbare gebieden en bollen omvat waarop we leven en waartussen een grote verscheidenheid aan levensvormen zich beweegt die alle begiftigd zijn met intelligentie of door intelligente wezens worden geleid – godheden en krachten. De mineralen, planten, dieren en mensen van de aarde vormen slechts een minderheid binnen de enorme kosmos van leven. Al deze wezens – van de meest primitieve met maar één zintuig, tot aan de hoogste godheid – hebben hun eigen specifieke vorm, leefomstandigheid en evolutiestadium, voortgebracht door karmisch handelen. In hun systematische benadering hebben de jains een wetenschappelijke classificatie ontwikkeld van 148 soorten karma.

Samavasarana-patta: een vergadering van wezens die zijn bijeengekomen om het onderricht in de leer door een tirthankara bij te wonen (ca. 1800 n.Chr., Rajasthan, in The Jain Cosmology)

Misschien nog opmerkelijker zijn hun opvattingen over ethiek en het feit dat de jains zich in hun dagelijks leven strikt houden aan hun ethische code. De kern van hun ethiek is ahimsa, geweldloosheid in handeling, spraak en gedachte, het zich volledig onthouden van het berokkenen van schade. Ze zijn strikte vegetariërs en vermijden beroepen die het kwetsen van zelfs het kleinste levende wezen met zich mee zouden kunnen brengen. Wat andere mensen betreft – naast fysieke geweldloosheid, zijn ze tolerant ten opzicht van mensen die andere opvattingen koesteren, omdat alleen over iemand die de staat van alwetendheid heeft bereikt kan worden gezegd dat hij het uiteindelijke juiste inzicht heeft.

Het doel van deze praktijken is tweeledig. Ten eerste wordt het lijden van levende wezens zoveel mogelijk beperkt zodat zij niet worden gehinderd op het pad dat hun ziel heeft gekozen. Ten tweede zuiveren de jains zich van karma’s die hun oorsprong vinden in gewelddadige of andere disharmonische gedachten en emoties die de helderheid van geest en visie beperken. Op deze wijze ontwikkelen ze een grote mate van mededogen voor al wat leeft.

Het uiteindelijke doel van de pelgrimstocht van de ziel door alle vormen in ruimte en tijd, is volledig bewuste vereniging met de inherente kwaliteiten van de ziel: oneindige kennis, oneindige zuiverheid, en oneindige vrijheid binnen dit universum. De mogelijkheid van het verkrijgen van een zuivere, heldere geest, van onfeilbare intuïtie en feilloos inzicht is de uiteindelijke droom van de zoeker naar waarheid. Maar als we werkelijk de waarheid omtrent onszelf en het zichtbare en onzichtbare heelal willen kennen en willen werken voor het welzijn van de wereld en haar bewoners, kunnen we niet voorbijgaan aan het beoefenen van ethiek, wat betekent dat we in harmonie leven met de wetten van het heelal.

Wat betreft de aard van levende wezens leren de jains: in de kern van ieder wezen is (1) een zuivere en alwetende jiva of ziel; (2) groot mededogen en verlicht inzicht dat op het juiste moment als reactie op de juiste ‘roep van beneden’ een straal van geestelijk licht en energie kan projecteren in het ontvankelijke persoonlijke bewustzijn, waardoor het denken tijdelijk in vuur en vlam wordt gezet overeenkomstig de mate waarin dit in staat is deze straal te bevatten; (3) een ingeboren verlangen naar bevrijding; (4) een lager, hartstochtelijk denken, de slaaf van zijn illusies, waardoor voortdurend karmische elementen van een lagere aard rondom de ziel worden aangetrokken die helder inzicht belemmeren, de vrije ontwikkeling van de hogere vermogens tegengaan en de ziel gevangen houden. Dit geheel wordt door drie voertuigen omkleed: (1) het lichaam van karmische materie, dat de oorzaak is van het fysieke uiterlijk en van mentale en emotionele neigingen; (2) het ‘vuur-’ of elektrische lichaam, opgebouwd uit fijne moleculen van elektrische materie; en (3) het fysieke lichaam.

De jains beschrijven het pad dat leidt tot zuiverheid, uiteindelijke bevrijding en alwetendheid binnen ons universum in veertien stadia. Het eerste stadium wordt ‘vals wereldbeeld’ genoemd en duidt op de ‘normale’ toestand waarin de meerderheid van de mensen zich bevindt en waarin de ziel is gekluisterd door hartstochten en illusies die haar sinds het beginloze verleden in hun greep hebben gehouden. We kunnen wel ideeën en theorieën vormen, maar als we ons niet bewust zijn van de spirituele waarheden achter de uiterlijke verschijnselen, zullen we nooit werkelijk begrip verkrijgen van de kosmos en het leven, en daardoor worden geconfronteerd met de frustraties die met die fundamentele onwetendheid samenhangen.

Door gedachten en gevoelens in het verleden hebben we karma’s aangetrokken die ons afleiden van juiste inzichten, maar de ziel heeft het ingeboren vermogen om door deze omhulling van karmische beperkingen heen te breken en een punt van ‘gereedheid’ te bereiken waarvoor zijzelf de oorzaak heeft gelegd. Er komt een moment dat de eerste flitsen van werkelijk inzicht voor iemand beginnen te dagen en vanaf dat ogenblik kan hij het pad naar het uiteindelijke doel op eigen kracht gaan. Als hij eenmaal het pad dat naar bevrijding leidt heeft ingeslagen, wordt elke gebeurtenis in het leven, als deze wordt gezien in het licht van de ziel, een leraar. Dit kan hand in hand gaan met onderwijs dat men ontvangt van iemand die een dieper begrip van het innerlijke leven heeft verkregen.

Door instructie en training nemen zuiverheid en inzicht toe, en voor het eerst komt de pelgrim oog in oog te staan met zijn vijanden: grove hartstochten die zich door zijn hele verleden heen hebben opgehoopt en de karma’s die ons afhouden van werkelijk inzicht. Door deze vijanden te herkennen en te verwijderen, worden alle bedrieglijke factoren tijdelijk onderdrukt en verkrijgt hij een onbelemmerd inzicht. Dit stadium is heel kritiek in de geestelijke ontwikkeling, want het bewustzijn ervaart het eerste gloren van de uiteindelijke verlichting. Vanaf dat moment mag hij werkelijk een jaina worden genoemd, omdat hij het pad van de jina’s, de ‘overwinnaars’, heeft betreden. Vervolmaking wordt echter alleen bereikt via de moeilijke stadia die nog volgen.

Dit stadium van werkelijk inzicht duurt wellicht niet lang en we kunnen in een toestand komen waarin alleen een herinnering aan ons moment van ontwaking overblijft. Misschien pakken we onze oude gewoonten weer op, laten ons weer leiden door onze wereldse verlangens, en vergeten de ervaring van bewustwording totaal. Maar als de ziel eenmaal is geraakt door dit licht, heeft ze toch onherroepelijk voet gezet op het pad naar alwetendheid. Ongetwijfeld hebben velen onder ons al eens in een vroeger leven zo’n diepe ervaring gehad, en misschien is dat de oorzaak ervan dat we een gevoel van herkenning ervaren als we in aanraking komen met geestelijke leringen of objecten van geestelijke schoonheid.

Iemand die zijn verlichtende ervaring vasthoudt heeft een grote innerlijke verandering ondergaan en dat weerspiegelt zich in zijn houding en gedrag, en hij voelt ondanks de uitdagingen die nog wachten een innerlijke vreugde. Voorheen identificeerde hij zich alleen met zijn lichaam, zijn bezittingen en status, en alles wat hem in zijn leven overkwam beoordeelde hij als aangenaam of onaangenaam. Hij dacht dat zijn persoonlijke wilskracht de werkelijke acteur van het leven was en was trots als hij iets had bereikt of gefrustreerd als hij in een of ander persoonlijk doel niet slaagde. Aldus ging hij onbewust in tegen de geestelijke wetten van de natuur en bleef de cyclus van slavernij in stand. Van nu af aan heeft zijn aandacht een andere richting en concentreert zich geheel op zijn essentiële natuur. Uiterlijke dingen zijn niet zo belangrijk meer. Hij is een vrediger, stabieler en geduldiger persoon geworden en toont van nature wat de Bhagavad-Gita beschrijft als de kenmerken van een wijze: gelijkmoedigheid onder alle omstandigheden, koude of hitte, lof of blaam, voorspoed of tegenslag. Hij weet dat er achter de sluier van de illusie die hij vroeger had aangezien voor de werkelijkheid een essentiële natuur bestaat.

De pelgrim realiseert zich ook dat ieder levend wezen een ziel bezit die inherent in staat is om het hoogste te bereiken dat spiritueel gezien mogelijk is. Dit bewustzijn van broederschap roept sterke gevoelens van mededogen op. Broederschap en mededogen, alsmede onverschilligheid voor wereldse verlangens en gehechtheden, behoren daarom tot de kwaliteiten van een man of vrouw die de eerste vonk van verlichting heeft ervaren. Het bewustzijn opent zich zodat het zich op effectieve wijze kan bezighouden met universele vraagstukken, zoals ‘Wat is het doel van het leven?’ ‘Wat zijn de wetten die het leven en het universum besturen?’ ‘Hoe zijn het heelal en de mens innerlijk opgebouwd?’ die door het hersenverstand of alleen een materialistische benadering niet kunnen worden opgelost. Iemand die eenmaal een glimp van de ziel heeft opgevangen zal nooit meer in de valkuil terechtkomen van materialistisch nihilisme of dogmatisme – de twee spoken die westerse wetenschap en veel religies belagen.

Het jainisme onderwijst niet alleen het pad naar zelfrealisatie en onthechting, maar laat ook ruimte voor de mogelijkheid om, wanneer men bewogen wordt door groot mededogen, de eigen bevrijding uit te stellen en zich om te keren naar alle levende wezens die moeizaam langs het geestelijke pad omhoog worstelen. De hoogste onzelfzuchtigheid zou de ziel ertoe aanzetten ter wille van het welzijn van alle levende wezens terug te keren wanneer zij is aangekomen op de drempel van de bevrijding, in plaats van zich te koesteren in eonen van verheven gelukzaligheid en alwetendheid voor zichzelf alleen. Zulke zielen worden de tirthankara’s. Dit brengt de lering van de jains dichtbij het onderscheid dat boeddhisten en theosofen maken tussen pratyekaboeddha’s – boeddha’s voor zichzelf alleen – en boeddha’s van mededogen die alles volbrengen dat door een mens bereikt kan worden en dan hun verdiende periode van gelukzaligheid en vrede verzaken om de wereld te helpen.

De hogere stadia van het pad van de jains beschrijven wat ervoor nodig is om alle beperkingen te boven te komen en te elimineren. Wanneer men werkelijk ervoor kiest om de waarheid te benaderen en ieder obstakel uit de weg te ruimen, dient men actief de hoogste ethiek te beoefenen. Dit is het vijfde stadium. Een grote hulp om in moeilijke tijden vastberaden te blijven, is het doen van geloften, in tegenwoordigheid van een leraar en aan het eigen innerlijke zelf. Afhankelijk van zijn situatie en de kracht van zijn voornemens kan een jain het lekenpad volgen, of aan het inspannender zesde stadium werken, het pad van de bedelmonnik. Het voornaamste verschil tussen het pad van de leek en dat van de monnik is de striktheid waarmee geweldloosheid wordt beoefend. Iedere jain zal vermijden de vormen waarin de zielen zijn geïncarneerd te doden of indirect verantwoordelijk te zijn voor hun dood. Dat geldt voor mensen en dieren, en voor zover mogelijk ook voor planten en minerale levens. Om deze reden wijzen ze dierenoffers en het misbruik van dieren in wetenschappelijke laboratoria af. De voornaamste lekengeloften zijn: (1) geweldloosheid; (2) waarheid, het niet liegen onder welke omstandigheid dan ook, wat betekent dat men zeer zorgvuldig moet zijn in wat men zegt of wellicht niet zegt indien dit een levend wezen zou kunnen schaden; (3) niet stelen of iets nemen dat niet is gegeven; (4) geen seksueel wangedrag, d.w.z. seks buiten de huwelijksrelatie en excessief toegeven aan seksuele genoegens met de eigen partner; (5) het niet bezitten en niet-gehechtheid aan materiële objecten en inwendige bezittingen zoals hartstochten en sentimenten.

De bedelmonnik bereikt zoals gezegd het zesde stadium, waar het principe van geweldloosheid tot zijn uiterste wordt doorgevoerd en dat de kleinste en meest primitieve levensvormen, zelfs de elementen, omvat. De monnik behoort idealiter niet in de aarde te graven, op gras te lopen, vuur te doven, enz. Aldus ontwikkelt hij een houding waarin hij alle leven en het milieu absoluut geen schade toebrengt, en neemt slechts wat hem wordt gegeven. Hij is dan een volmaakte vriend geworden van alle levende wezens, en is een volmaakte milieubeschermer.

Om voort te gaan op zijn tocht zal de monnik alles eraan doen om de kwaliteiten van zijn karakter te verbeteren, en nadenken over de diverse aspecten van de universele wijsbegeerte. De ethica en filosofie van de jains formuleert deze beoefening als tien dharma’s of voorschriften en twaalf meditaties. De tien dharma’s worden opgesomd in de Tat- tvarthadhigama Sutra (ix, 6) als volmaakte vergevensgezindheid, bescheidenheid, eerlijkheid, zuiverheid, waarheidsgetrouwheid, zelfbeheersing, soberheid, zelfverzaking, onthechting en kuisheid. Enkele van de onderwerpen die in deze sutra (ix, 7) worden aangeraden om over na te denken zijn: alles is onderhevig aan verandering en daarom vergankelijk; het is zinloos te proberen het onvermijdelijke te vermijden, want het zaad dat in het verleden is gezaaid moet vrucht dragen overeenkomstig de natuurlijke aard ervan; de toestroom van karma’s is de oorzaak van het aardse bestaan, en aan deze stroom kan een einde worden gemaakt; het heelal heeft geen absoluut begin of einde, werd nooit geschapen, en werkt volgens zijn eigen wetten zonder goddelijke tussenkomst. Zulke regels en bespiegelingen leiden ertoe dat men afstand doet van elke vorm van egoïstisch denken.

In het zevende stadium beoefent de aspirant hogere vormen van meditatie en roept nog verhevener niveaus van bewustzijn wakker. In het achtste, negende, tiende en elfde stadium worden de karma’s die tot verkeerd gedrag leiden, zoals woede, trots, bedrog, hebzucht, verdriet, angst en seksueel verlangen onderdrukt of vernietigd. Men kan zich voorstellen dat, naarmate de pelgrim vordert op het pad, hij elke individuele misleiding en zwakheid die hij in vroegere levens heeft ervaren onder ogen moet zien en moet overwinnen. Het zal inderdaad een vreselijke ervaring zijn om alle schade die we de wereld in de loop van de tijd hebben berokkend onder ogen te moeten zien. Alles moet overwonnen worden, en we hebben daartoe de kracht zolang we niet vergeten dat de grootste zuiverheid, de hoogste wijsheid en de uiteindelijke kracht ten goede, de inherente kwaliteiten van de ziel zijn. Tot aan het elfde stadium klimt de zoeker naar waarheid omhoog langs een van twee ladders: die van onderdrukking of die van uitroeiing. Zolang de karma’s alleen zijn onderdrukt, zal hij het elfde stadium bereiken, maar zijn passies zullen weer aan de oppervlakte komen en hem misschien meesleuren naar een lager stadium. Maar tenslotte zal hij voldoende kracht hebben om de karma’s werkelijk te elimineren en voorbij het elfde stadium te komen en aan het twaalfde te beginnen – dat van een arhat.

De laatste gedragsmisleidende en kennis- en waarneming-verduisterende en energie-beperkende karma’s worden nu uitgeroeid en er zijn geen obstakels meer voor het bereiken van eindeloze gelukzaligheid en energie. De aspirant bereikt spontaan het dertiende stadium: hij bezit alwetendheid tijdens zijn incarnatie.

Het veertiende en laatste stadium wordt bereikt door een arhat kort voordat hij zijn fysieke lichaam verlaat. Alle trillingen van de ziel die karma’s aantrekken en de oorzaak zijn van gebondenheid zijn opgehouden. Hij heeft zijn fysieke voertuig voor de laatste keer verlaten en gaat de ontlichaamde toestand van eeuwige gelukzaligheid en alwetendheid binnen. Zeer zelden – in harmonie met de wet van de cyclussen en hun eigen karma – blijven sommige arhats op aarde als alwetende en bevrijde leraren ten gunste van de mensheid en alle levende wezens. Hun karma is dat van universeel mededogen en universele naastenliefde voor al degenen die naar het hogere streven. Zulke wezens zijn de tirthankara’s, de grote leraren van de mensheid.

 
Andere artikelen over jainisme
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency