Levende theosofie
Armin Zebrowski

 

Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven. . . . Daarom spreek ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen. . . . vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat u ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat u hoort, en zij hebben het niet gehoord.      – Mattheus 13:11,13,17


De oude wijsheid is zo oud als de mensheid zelf. In onze tijd worden ons talloze fragmenten van haar leringen aangeboden, zodat de arme zoeker naar waarheid niet meer weet waar hij het zoeken moet in deze chaos van charlatans en ‘geheimen’. Mythen, sprookjes, religies, goeroes, filosofieën en wetenschappen in overvloed – en we zouden het liefst een lijfelijke gids willen hebben om ons de weg te wijzen en ons te behoeden voor misstappen.
     In onze huidige incarnatie heeft ieder van ons oude karmische draden opgenomen, en gelukkig ook die draden die zijn verbonden met de oude wijsheid. Had ons een beter lot kunnen treffen dan geboren te worden in een tijd waarin deze leringen in zo ruime mate beschikbaar zijn? In een tijd van omwenteling, waarin traditionele waarden opgeruimd worden en vergeten, en wij invloed kunnen uitoefenen bij het tot stand brengen van een nieuwe ethiek voor een nieuw tijdperk? Ik denk dat een van onze belangrijkste verplichtingen aan de maatschappij is om de essentie van die zo lang aan het oog onttrokken heilige leringen in een nieuwe vorm naar voren te brengen. We kunnen de grondstof voor deze nieuwe uitrusting vinden in De Geheime Leer en andere geschriften. Deze bieden ons een schat aan kennis en roepen ons op haar in ons leven in praktijk te brengen. De morele standaard die dit proces zou opleveren, bezield met universele broederschap en geestelijke liefde, zou de innerlijke ontwikkeling van de mensheid bevorderen en de weg wijzen langs de opgaande boog van de evolutiecyclus.
     De kernvraag is, hoe kunnen we tot zelfgeleide evolutie komen? Natuurlijk kunnen we meedrijven met de evolutiestroom, in het langzame tempo van het universele leven geboren worden en sterven, en zolang we niet bewust tegen kosmische processen ingaan, zullen we langzaam en gestaag vooruitkomen. Voor zelfgeleide evolutie is meer nodig. Het orakel van Delphi raadde ons aan: ‘Ken uzelf’. Onszelf kennen betekent nadenken en actief ons bewustzijn gebruiken om vooruit te komen. Of – is er nog iets anders? Als we onze aandacht op onszelf richten om aan onze ontwikkeling te werken, zijn we egocentrisch zelfs als we uiteindelijk onze geestelijke groei bevorderen. In de bijbel staat een heel belangrijk gebod, ‘niet mijn wil maar uw wil geschiede’; bedoeld is de wil van ons hogere zelf – ons hogere denkvermogen of intuïtie, niet ons lagere analytische verstand. Kortom, we moeten onze intuïtie de leiding geven over onze evolutie.
     Maar we kunnen terecht zeggen, ‘Ik kan dit nu nog niet. Mijn intuïtie werkt alleen zo nu en dan, meestal als ik er niet om vraag. En als ik haar echt nodig heb, heerst er in mijn binnenste een dodelijke stilte. Wat moet ik doen?’ In zijn ‘Nalatenschap’ (Vermächtnis) geeft Goethe de richting aan waarin we het kunnen zoeken:

Keer nu zonder dralen naar binnen,
Daar in het centrum zul je vinden
Waaraan geen edele ziel mag twijfelen.
Daar zal het je niet ontbreken aan voorschriften,
Want het onafhankelijke bewustzijn
Is het kind van je dagelijkse levenshouding.

Precies zoals een compleet hologram uit een miniem scherfje ervan kan worden gereconstrueerd, zo is het volledige beeld van het universum opgeslagen in ons innerlijke zelf.
     In de Stem van de Stilte geeft H.P. Blavatsky duidelijk aan hoe we werkelijke geestelijke vooruitgang kunnen boeken:

Bestijg de Vogel van het Leven, als u kennis wilt verwerven.
Geef uw leven op, als u wilt leven. – blz. 5

Deze waarheid is zo eenvoudig en direct dat we die moeilijk kunnen erkennen. Het betekent dat we ons leven gaan leiden in het volste vertrouwen dat alles wordt geregeerd door rechtvaardigheid en dat elk moment ons brengt naar de juiste plaats met de juiste mensen en de juiste gebeurtenissen. Dit is zelfgeleide evolutie: omdat wij niet het volledige overzicht hebben, moeten we ons laten meevoeren met wat er gebeurt, en er op elk moment het beste van maken. Op deze manier brengt het leven ons feitelijk de ervaringen die we nodig hebben. We hoeven het alleen maar te laten gebeuren en daarbij zorgvuldig toezien om zo de taal van onze innerlijke gids, ons hogere zelf, te leren. Als we gaan inzien dat niets bij toeval gebeurt, dat het leven zich voor onze ogen ontvouwt in logische, ordelijke fasen, dan zullen we het nodige vertrouwen ontwikkelen in de rechtvaardigheid van de karmische wet.
     Hoe kunnen we het pad betreden waarvan Jezus zegt: ‘Ik ben de weg, de waarheid, en het leven’? Door te leren ons meer en meer te vereenzelvigen met de weg die ons hogere zelf ons wijst, komen we automatisch dichter bij onze innerlijke gids, onze innerlijke god, en leren zijn taal te verstaan. Het dagelijks leven is onze leermeester, of we nu arbeider zijn, secretaresse, manager, huisvrouw, of een bekende figuur. Ons dagelijks leven, niet een of andere metafysische school, bereidt ons voor op de hogere geestelijke ervaringen die er voor de mensheid bestaan.
     Wat we van leven naar leven met ons meenemen is onszelf. Alleen dat wat we in praktijk brengen – en zijn – hebben we ons eigen gemaakt; onze gedachten, logische gevolgtrekkingen, en hersenverstand-kennis blijven beperkt tot deze huidige incarnatie. We kunnen ons karakter ontwikkelen door onzelfzuchtiger, broederlijker te worden, door consequent te proberen krachtiger de wet van mededogen en het éénzijn van alles, in ons leven tot uitdrukking te brengen. We kunnen het bestuderen van de oude wijsheid of het verwerven van wetenschappelijke kennis net zo goed opgeven als we niet bereid zijn om de inzichten die we verwerven zo goed mogelijk in praktijk te brengen.
     De woorden van HPB in De Geheime Leer wijzen voor de mensheid tot ver in de toekomst de richting aan:

noch de gezamenlijke menigte (demiurg), noch een van de uitvoerende krachten afzonderlijk zijn geschikte voorwerpen voor goddelijke verering of aanbidding. Ze hebben echter allen recht op de dankbare eerbied van de mensheid, en de mens zou er steeds naar moeten streven de goddelijke evolutie van ideeën te bevorderen, door naar zijn beste kunnen een medewerker van de natuur te worden bij haar cyclische taak. Alleen het altijd onkenbare en ondoorgrondelijke karana, de oorzaakloze oorzaak van alle oorzaken, zou zijn tempel en altaar moeten hebben op de heilige en nooit betreden grond van ons hart – onzichtbaar, ongrijpbaar, onuitgesproken behalve door ‘de zwakke stem’ van ons geestelijke bewustzijn. Zij die dit vereren, behoren dat te doen in stilte en de geheiligde eenzaamheid van hun ziel, terwijl ze hun geest tot enige bemiddelaar maken tussen hen en de universele geest, hun goede daden tot de enige priesters en hun zondige bedoelingen tot de enige zichtbare en objectieve offers aan de Tegenwoordigheid.      – 1:307

     Laten we dan nu de vogel van het leven bestijgen en de taal van de goden leren door hier en nu naar de stem van de stilte te gaan luisteren, elk moment van ons kostbare leven. Elke ademtocht, elke hartslag brengt ons dichter bij de tijd van oogsten en rusten. Laten we de vogel van het leven bestijgen, de grote vogel van het verlangen naar ons geestelijk thuis, en opnieuw leren dat de ziel vleugels heeft.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency