Mijn broeder – ik heb een lange reis gemaakt
om de hoogste kennis te verwerven, en heb lange tijd rust genomen.
Daarna moest ik bij mijn terugkeer al mijn tijd aan plichten geven,
en al mijn gedachten aan het Grote Vraagstuk. Dit alles is nu voorbij:
de nieuwjaarsfeesten zijn afgelopen en ik ben weer mij'Zelf’.
Maar wat is het Zelf? Niets dan een tijdelijke gast met zorgen
die alle veel weg hebben van een luchtspiegeling in de grote woestijn.
. . .
– KH, De
Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz. 292-3
Wie ben ik? Deze vraag, door de hoge adept en ingewijde in zijn brief
gesteld, behoort tot de belangrijkste die we kunnen stellen. Ze wekt
ons steeds weer op uit ons dagelijkse routinewerk en dwingt ons tot
nadenken. Ze brengt andere even belangrijke vragen met zich mee: Waar
zijn we vandaan gekomen? Waar gaan we naartoe? In welk verband staan
we tot het heelal rondom ons? De overleveringen van de mensheid geven
een verscheidenheid aan antwoorden, maar uiteindelijk schenkt geen ervan
voldoening. Af en toe baadt de zoeker een kort ogenblik in de gloed
van begrip en is tevreden. Maar we weten dat niets geestelijke groei
zozeer bedreigt als de apathie die gepaard gaat met genoegzaamheid.
De leraar probeert daarom het denken van zijn leerling altijd in beweging
en niet-verstard te houden. Bij onze zoektocht moeten we daarom leringen
en symbolen herkennen voor wat ze zijn, ze niet ten onrechte aanzien
voor de waarheid zelf. Per slot van rekening streven we niet ernaar
een eindpunt te bereiken; de reis zelf is onze bestemming, en het pad
begint met een enkele stap. Zelfkennis ontstaat door ontelbare afzonderlijke
stappen; de richting en de lengte ervan bepalen we zelf. Als waarheid
onze doelstelling blijft, kunnen we het voor ons ‘juiste’
pad niet missen.
De islamitische mystiek biedt op onze beginvraag een antwoord dat buiten
het materialistische standpunt ligt. Ze beschrijft de tocht van het
zelf of de monade door de verschillende natuurrijken. Eerst waren we
een mineraal, zeggen ze, daarna een steen, een plant, en een dier, alvorens
tenslotte het menselijke stadium te bereiken. Theosofie wijst erop dat
ons pad eindeloos en grenzeloos verdergaat, en dat het onsterfelijke
zelf de verschillende incarnaties als een sutratman of ‘draadzelf’1
verbindt. Op deze tocht werden niet de vormen van mineralen,
planten en dieren een menselijke vorm. Het is eerder zo dat het innerlijke
wezen zich manifesteerde via een reeks lichamen die passen bij zijn
innerlijke ontwikkeling. Zoals Giordano Bruno zei, ‘de ziel sterft
nooit; integendeel, ze ruilt de vroegere woning in voor een nieuwe zetel
om in te leven en werkzaam te zijn. Alles verandert, maar niets komt
tot een einde.’ We zijn niet het lichaam dat we gebruiken, maar
een monadische essentie die zich via de stof manifesteert en
in de loop van haar evolutie voor zichzelf een lichaam voortbrengt,
een lichaam dat is aangepast aan de heersende ontwikkelingscyclus en
aan het daarmee overeenkomende kosmische gebied waarop we ons openbaren.
In de loop van onze individuele ontwikkeling hebben we voor onszelf
minerale, plantaardige, dierlijke en nu menselijke lichamen en psychische
voertuigen voortgebracht om de ervaringen te verwerven die ze bieden.
Het wezenlijke zelf aan de wortel van alle wezens is echter één,
en onze uiterlijke vorm wordt slechts bepaald door ons stadium van evolutionaire
ontvouwing. Er kan niet genoeg nadruk worden gelegd op dit innerlijke
één-zijn, want dit feit is in de moderne beschaving bijna
geheel vergeten. Al te vaak hebben we de indruk dat we alleen zijn en
de rest van de wereld buiten ons staat – een illusie die voornamelijk
wordt veroorzaakt door zintuiglijke waarnemingen en mentale gewoonten.
Maar ons gewone bewustzijn van onszelf als een eenheid is eveneens
een illusie. In werkelijkheid bestaan we uit een grote hoeveelheid wezens
of ‘uitdrukkingsvormen’; een belangrijk aspect van het volgen
van het pad bestaat uit het ontdekken van deze veelvoudige beginselen
in ons. Iedere uitdrukkingsvorm is een zich ontwikkelende bewustzijnsstroom
die nu actief is binnen het totale kader van ons eigen
wezen. Het begrijpen van onze samengestelde natuur vormt een bedreiging
voor onze persoonlijkheid of het vertrouwde bewustzijn, want de leiding
daarvan over onze gedachten en gevoelens steunt voornamelijk op een
gebrek aan zelfanalyse. We kunnen ons wezen zien als een rivier die
bestaat uit vele kleinere stromen, riviertjes, beken, stroompjes, ja
zelfs uit afzonderlijke druppels. Al deze druppels hebben hun oorsprong
in de grote oceaan van het universele bewustzijn, waarnaar de rivier
aan het einde van zijn reis weer terugstroomt. Wat een prachtig beeld
is dit, want daarin wordt ons een plaats toegekend in de kosmische bestaanscyclus
met zijn eeuwige afwisseling van dag en nacht, leven en dood, bestaan
en niet-bestaan.
Hoe kunnen deze uitdrukkingsvormen of beginselen in ons worden ingedeeld
en hoe hangen ze samen? We kunnen onszelf op talrijke manieren analyseren.
H.P. Blavatsky omschrijft ons in haar leringen meestal als zevenvoudige
wezens, samengesteld uit zeven ‘beginselen’ die zich van
het goddelijke tot het fysieke uitstrekken. Deze beginselen zijn weerspiegelingen
van hun zeven kosmische tegenhangers, de verschillende gebieden van
de universele natuur. Een andere manier om onszelf te zien legt nadruk
op bewustzijnscentra of monaden die werkzaam zijn via ego’s, zielen
en lichamen. Ons goddelijke of universele zelf openbaart zich via zeven
voertuigen die overeenkomen met de zeven kosmische beginselen. Op ieder
gebied manifesteert het zich als een monade, de kleinst denkbare eenheid
van bewustzijn: ondeelbaar (Grieks atomos), onsterfelijk en
onvernietigbaar. Als centrum van zuiver bewustzijn heeft de monade een
tegenpool nodig – de stoffelijke kant van de natuur – om
zich tot uitdrukking te brengen, lichamen voort te brengen, waarnemings-
en kenvermogen te gebruiken, karma te maken en gevolgen te ondervinden.
Deze tweevoudigheid van geest en stof is tijdens manifestatie onontkoombaar.
Maar zuivere geest kan zich in het fysieke heelal niet rechtstreeks
tot uitdrukking brengen als hij niet een levende ladder van bewustzijn-substantie
opbouwt die tot in de diepste lagen van de stof reikt. Daartoe brengt
de monade ego’s voort die zielen en lichamen
doen ontstaan.
Het ego is het psychische brandpunt van de monade op een bepaald kosmisch
gebied, een reservoir dat alle ervaringen bevat die de monade in haar
verschillende belichamingen heeft vergaard. Het ego omringt zich op
zijn beurt met een ziel of kenmerkende sluier van levende substantie.
Het woord ziel kan verwarrend zijn omdat het gewoonlijk uitsluitend
verwijst naar onze psychische en mentale kanten die maar twee aspecten
van ons wezen vertegenwoordigen. Hier wordt ziel meer in het
algemeen gebruikt om een ‘voertuig’ aan te duiden. Iedere
ziel is een layacentrum, een lens of omvormer waardoor geestelijke energieën
zich op een bepaald gebied kunnen manifesteren. Via haar kunnen het
ego en de monade verschillende ervaringen en zintuiglijke gewaarwordingen
verwerken. De ziel kan rond zichzelf haar eigen etherische voertuig
of lichaam opbouwen. In zijn totaliteit wordt ons wezen dus gevormd
door monaden – goddelijke, geestelijke, mentale, emotionele, vitale,
astrale en fysieke – die zich ieder via hun eigen ego, ziel en
lichaam manifesteren op hun eigen kosmische gebied of ‘beginsel’.

Ons verstand aanvaardt gemakkelijk indelingen zoals goden, monaden,
ego’s, zielen en lichamen. Maar als we ons op zulke termen vastpinnen
werkt dat verlammend op ons denken en onze intuïtie. Zelfkennis
moeten we vanuit vele invalshoeken benaderen, want om onszelf te leren
kennen moeten we onszelf vanuit alle mogelijke gezichtspunten bekijken:
van rechts en van links, van boven en van onderen, van buiten en van
binnen. Alleen als we ons hart en verstand beide gebruiken zullen ogenschijnlijke
tegenstrijdigheden oplossen in wijsheid. Wat is bijvoorbeeld het verband
tussen de monaden en de zeven beginselen? G. de Purucker wijst op het
belang van de monaden in intelligente entiteiten als bewustzijnsstromen
of –centra. Tegelijkertijd legt hij uit dat Blavatsky in verband
met de wetenschappelijke en materialistische vooroordelen in het westerse
denken, een stelsel bracht dat was gebaseerd op de soorten substanties
of elementen waaruit het heelal is samengesteld:
de zeven beginselen zijn de zeven soorten ‘bouwstof’
van het heelal. Het hoogste deel van elke soort is zijn bewustzijnskant;
het laagste deel van elk is de lichamelijke kant door middel waarvan
het eigen bewustzijn zich uitdrukt. Toch kan ieder mathematisch punt
in de grenzeloze ruimte worden gezien als een monade omdat het heelal,
collectief gezien, belichaamd bewustzijn is; en individueel uit belichaamde
bewustzijnen of monaden bestaat.
. . . Waardoor verschilt de ene mens van een ander
mens, of een mens van een dier? De verschillen liggen niet in hun
respectievelijke zeven beginselen, want deze maken deel uit en vormen
de samengestelde constitutie van alle entiteiten, maar ontstaan door
de relatieve graad van evolutie van de individuele monaden. –
Bron van het Occultisme,
blz. 493, 494
Deze wederzijdse betrekkingen van ons wezen leiden tot vergaande conclusies.
Ieder van ons is een heelal, en we zijn ook kinderen van het heelal.
Als individuele bewustzijnsstroom zweeft onze bewuste waarneming tegenwoordig
halverwege langs het totaal van onze constitutie. Het lagere deel van
deze bewustzijnsstroom stelt ons in staat ervaringen op te doen op het
fysieke gebied; het hogere deel verbindt ons met het eeuwige. Deze stroom
reikt van het verste verleden naar de onvoorstelbare toekomst. Een beschouwing
van ons verleden verklaart niet alleen wie we zijn maar onthult ook
wie onze huidige omstandigheden bepaalde: wijzelf. Bij het zoeken naar
het zelf kunnen we niet voorbijgaan aan onze verantwoordelijkheid. In
de alchemistische beeldspraak over het omzetten van lood in goud zijn
het verleden en het heden het lood dat moet worden veranderd in een
toekomst van goud door ons te zuiveren in het laboratorium van het dagelijkse
leven.
Evenals de werelden zelf zijn we samengesteld uit ontelbaar veel wezens
en cyclussen; in zekere zin komen we tot aanzijn en gaan we heen bij
elke ademtocht, bij iedere polsslag, bij iedere gedachte en daad. Geen
enkel deel van ons is zonder verandering. Hierdoor kunnen we de woorden
van de adept aan het begin van dit artikel beter begrijpen, dat het
zelf ‘niets dan een tijdelijke gast is met zorgen die alle veel
weg hebben van een luchtspiegeling in de grote woestijn’. Dit
tijdelijke zelf moeten we echter niet verwarren met onze totale bewustzijnsstroom.
In het zonnestelsel dat ons thuis is, behoren we tot een menigte wezens
die een deel vormt van de centrale zonnegodheid. Onze bewustzijnsstroom
is een deel van de leven-bewustzijn-substantie-energie van deze hiërarch.
En omdat alles zonder begin of einde is, is zelfs deze zonnegodheid
een deel van iets groters. Zo zijn we allemaal met iets anders verbonden
– in essentie zijn we één, of zoals de
christen het omschrijft: ‘Ik en mijn Vader zijn één’,
van de wortel der wortels tot de oorzaakloze oorzaak. De hindoe zegt
aham asmi parabrahma, ‘ik ben het grenzeloze’,
omdat het leven dat in ieder van ons klopt het leven is van de universele
godheid. Verschillende mystieke scholen hebben deze denkwijze benadrukt,
en in deze geest schetst De Purucker hoe een echte leraar zijn jonge
leerling of chela onderricht zou kunnen geven:
Je hebt zelf, kind, in jezelf de sleutels tot een
wijsheid die groter is dan de mens kan beschrijven; en het enige wat
ik kan doen is je te tonen hoe je zelf je eigen innerlijke vermogens
en krachten kunt aankweken en ontwikkelen, die de reusachtige intellecten
vóór jouw tijd in zich hebben ontwikkeld, de geestelijke
zieners en wijzen van de mensheid – de god-mensen uit het verleden.
. . . zoek dus in jezelf! Daar liggen de geheimen van alle fouten
van vroeger en je zorgen van nu. In jezelf liggen ook onuitsprekelijke
rijkdommen die je zult begrijpen als je ze eens hebt gevonden en ze
in je leven tot werkzaamheid hebt gebracht. In je ligt de enige wijsheid
die je ooit zal, ooit kan verwerven. In jezelf is het pad, en dat
pad, mijn kind, ben jezelf – je geestelijke zelf, je goddelijke
zelf, die stralende hemelse kracht die jouw wortel van het bestaan
is. Het is ook het hart van het heelal, want jij en het Al zijn in
essentie en fundamenteel één en niet twee. Kan je, kind,
je afscheiden van het heelal dat rondom je is? Kan je er ooit uit
weggaan? Ben je niet een product ervan, lichaam van zijn lichaam,
bloed van zijn bloed, leven van zijn leven, gedachte van zijn denken,
wezen van zijn wezen? Werkelijk, jij bent HET. Als je dus jezelf hebt
gevonden, je grotere zelf, je geestelijke zelf: de innerlijke god,
de godheid in je: dan heb je niet alleen het pad gevonden dat leidt
naar het hart van het heelal, maar dan heb je gevonden dat jij
en het Eén zijn.
– The Esoteric
Tradition 2:1076
Noot
- Een samengesteld Sanskrietwoord voor de gouden draad
van de individualiteit – de stroom van zelfbewustzijn –
waaraan, om zo te zeggen, alle substantie-beginselen van de menselijke
constitutie zijn geregen als parels aan een gouden ketting. De sutratman
is de stroom van leven-bewustzijn die loopt door al de verschillende
substantie-beginselen van de constitutie van de menselijke entiteit
– of ook van iedere andere entiteit. Iedere parel aan de gouden
ketting is een van de ontelbare persoonlijkheden die door de mens
in de loop van zijn manvantara-lange evolutionaire ontwikkeling wordt
gebruikt. Men kan daarom in het kort zeggen dat de sutratman het onsterfelijke
of geestelijke monadische ego is, de individualiteit die in leven
na leven incarneert en daarom terecht het draadzelf of fundamentele
zelf wordt genoemd. – G. de Purucker, Occulte Woordentolk,
blz. 174-5