Boekbespreking
Wynn Wolfe

 

The Hole in the Universe: How Scientists Peered over the Edge of Emptiness and Found Everything [Het gat in het heelal: Hoe wetenschappers over de rand van de leegte tuurden en alles vonden] door K.C. Cole, Harcourt, Inc., 2001; 274 blz., isbn 015100398x, gebonden.


 

De meeste kosmologen . . . zijn het erover eens dat het heelal ergens vandaan moet komen, en dat niets de belangrijkste kandidaat is.
     – Dennis Overbye, New York Times, 22 mei 2001

Heeft u ernaar verlangd om greep te krijgen op wetenschappelijke theorieën over het allereerste begin? De oerknaltheorie, de theorie over het uitdijende heelal, de snarentheorie, de M- of Brane theorie, de kwantumtheorie – ze hebben allemaal hun oorsprong in de zogenaamde theorie van het niets. Een hoogleraar in ‘wetenschap, maatschappij en communicatie’, K.C. Cole, geeft les aan de UCLA en schrijft een onderhoudende tweewekelijkse rubriek voor de Los Angeles Times, ‘Bewustzijn boven materie’. Haar innemende stijl en handig gebruik van beeldspraak maken haar laatste boek tot aangename lectuur voor de doorsnee lezer in het theater van de hedendaagse kosmologie. Ze beschrijft en verklaart de ideeën van een voortreffelijke groep wetenschappelijke sterren: ‘magisch’ wiskundige Martin Gardner, schrijver van bestsellers en natuurkundige aan de Universiteit van Columbia Brian Greene, de theoreticus over het uitdijende heelal Alan Guth van MIT, kosmoloog Stephen Hawking, Nobelprijswinnaar Leon Lederman, Edward Witten, ‘de paus van de snarentheorie’, en anderen. Over deze groep zegt K.C. Cole schertsend: ‘Vergeet de met sterren bezaaide nachten. (De meeste kosmologen kijken nooit naar boven). Het is de kracht van ideeën die hen sprakeloos maken.’

Een vlugge blik in haar inhoudsopgave laat weten dat haar denken door niets in beslag wordt genomen. Wat is dit niets waar enkele van de beste denkers vol van zijn?

Niets kan zo moeilijk zijn om te bevatten omdat het zich zo gemakkelijk voordoet als iets, en omgekeerd. Het bewegen van een auto die met een snelheid van 110 km/u rijdt, lijkt niets als je erin zit – totdat hij een muur raakt; lucht doet zich voor als niets totdat de wind haar opzweept tot een orkaan . . .

. . .

Sterker nog, bijna elke soort niets die men kan bedenken is dit in feite niet. In de leegste hoeken van de interstellaire ruimte kan een lepel vacuüm één of twee atomen bevatten. . . .

[Maar] Zelfs als men alles [materie] zou kunnen verwijderen, zou men nog steeds met het vacuüm zitten – dat zowel vorm als inhoud heeft.

. . .

Iets, is volgens deze definitie elke afwijking van niets. Niets is de norm; iets is de afgeleide ervan. We scheppen iets door het verbreken van de volmaakte symmetrie van niets, het verbreken van de stilte – zoals het tekenen van zwarte lijnen op een wit stuk papier, of rimpels die we maken in volkomen stil water, of ongelijkmatigheden in energievelden.

. . .

Natuurkundigen die de uiteindelijke wetten van de natuur proberen te doorgronden, zoeken naar volmaakte symmetrie – het uiteindelijke, volmaakte niets. Maar om het te begrijpen moeten ze eerst het minder interessante alledaagse niets waarin we leven begrijpen – en de verschillende soorten vacua in kwestie die bij het tot stand brengen ervan een rol spelen.    – blz. 13-16

In De Geheime Leer (1888), het voornaamste boek van de huidige theosofische beweging, schreef H.P. Blavatsky: ‘Wat voor de natuurkundige, die alleen maar de wereld van zichtbare oorzaken en gevolgen kent, de afgrond van het niets is, is voor de occultist [de occulte wetenschapper in de oudheid] de grenzeloze Ruimte van het goddelijke plenum’ (1:178). Laten we Cole’s voorstelling van de 21ste-eeuwse kosmologie eens naast Blavatsky’s 19de-eeuwse bloemlezing van kosmologische wijsheid zetten, volgens het principe van een stereoscoop (‘een optisch instrument waardoor twee afbeeldingen van hetzelfde voorwerp, bezien vanuit enigszins verschillende gezichtspunten [fysisch en metafysisch?], die respectievelijk elk door één oog worden gezien, met als gevolg één enkel beeld van het voorwerp waarbij diepte of reliëf lijkt te ontstaan’). De groep die door Cole wordt gesteund zou dan op één lijn worden gebracht met die van Blavatsky, die reikt van Asuramaya, Hermes Trismegistus, Anaxagoras, Plato en Lucretius tot Paracelsus, Eugenius Philalethes, Kepler, Newton en Crookes, onder vele anderen.

Hoe ziet het niets achter het fysieke heelal eruit bij de groep van Blavatsky? Verstrekkende ideeën over akasa, aether en ‘lichtgevende ether’ komen in overvloed voor. Blavatsky omschrijft akasa als

De verfijnde, bovenzinnelijke geestelijke essentie die de hele ruimte doordringt; de oersubstantie die ten onrechte met ether wordt geïdentificeerd. Ze verhoudt zich tot ether zoals geest tot materie . . . Ze is in feite de universele ruimte waarin de eeuwige ideatie van het heelal, met zijn voortdurend veranderende aspecten op de gebieden van materie en objectiviteit, is geworteld, en waaruit de eerste logos, of gedachte die tot uitdrukking is gebracht, uitstraalt.    – Theosophical Glossary, blz. 13

Alle oude volkeren vergoddelijkten de aether in zijn onweegbare aspect en vermogen. . . . De hindoes hebben hem ook bij hun godheden opgenomen, onder de naam akasa (de synthese van aether) . . . . Anaxagoras van Clazomenae geloofde vast dat de geestelijke oervormen van alle dingen, zowel als hun elementen, waren te vinden in de grenzeloze ether, waar zij waren voortgebracht, waaruit zij zich ontwikkelden en waarheen zij terugkeerden . . .    – De Geheime Leer 1:362

Toen de natuurkunde de 20ste-eeuw inging, werd de materialistische wetenschappelijke theorie over de ether afgedaan als een dwaling, om te worden vervangen door verschillende ideeën over ‘niets’. Maar de hedendaagse wetenschappelijke verklaringen zijn verre van definitief: Cole merkt op dat vooraanstaande wetenschappers erover speculeren dat er de komende tientallen jaren een volledig nieuwe benadering van de ‘nietsheid’ die ten grondslag ligt aan materie, ruimte en tijd, zou kunnen optreden, omdat de huidige theorieën zo ingewikkeld zijn geworden.

Niet-te-min, alles-te-meer: met de Cole/Blavatsky stereoscoop in de hand – links de ene afbeelding en rechts dezelfde afbeelding vanuit een enigszins andere hoek – kan ik niet anders dan een diepteveld zien dat niet alleen wijst op verzoening, maar het oog van intuïtie zelf eraan herinnert om rechtstreeks naar niets te kijken en meer te zien van alles dat daar is – de hele stamboom met van elkaar vervreemde en daarom onscherpe ideeën. Dit verenigde cyclopische gezichtspunt schept een omgekeerd perspectief, dat ons helpt ons de verlichte structuur van de kosmos van boven naar beneden vanuit de akasische kroon van de wereldboom te herinneren (Plato zei: ‘Leren is zich herinneren’), in plaats van te proberen de enorme omvang van de ruimten van de ruimte boom voor boom te begrijpen en te meten! Wanneer we onze enthousiaste studie van de kosmologie voortzetten met deze krachtige stereoscopische visie op oude en moderne ideeën, zullen onze ogen – en het zoekende hart en de ziel die ze dienen – door gelijktijdigheid van doel en inspanning voor altijd de mogelijkheid hebben om ‘te turen’ in en ‘sprakeloos te raken’ door het grenzeloze en eeuwige universum waarin we leven.

 
Andere artikelen over sterrenkunde en kosmologie
 

Uit het tijdschrift Sunrise jul/aug 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency