Het licht op de levensreis
I.C. Amakulo

 

Er is een levensvonk, een zaad-geest, in ieder mens. Ieder is als een tong van een vlam, waarbij God het verterende vuur is. De Psalmen zeggen ‘U bent goden en u bent allen kinderen van de allerhoogste’ (82:6). Noem de levensvonk zoals u wilt; dat wat het leven in iedere mens onderhoudt is altijd op zijn weg naar volledige vereniging met zijn bron.
        Want een vlammentong dient zichzelf te zuiveren om een vuur te worden zoals zijn oudervlam, waardoor onze kleine zaad-geest uitgroeit tot de almachtige Geest. Vóór een waterdruppel als een oceaan kan zijn, moet hij deel worden van de oceaan. Zo is het ook met ons: als een mens één met God wil worden dan moet hij zich geheel vrij maken van zijn persoonlijk wezen. We zijn allen goden, zonnen, grote goddelijke lichten in wording, maar we moeten ons losmaken van alle stoffelijke illusies vóór we onze goddelijke vermogens ten volle tot uitdrukking kunnen brengen.
        De tocht van de zaad-geest van de mens begint bij het goddelijke, de werkelijkheid waar elk paar van tegengesteldheden in evenwicht wordt gehouden. Het pad is een enorme cirkel die we ons kunnen voorstellen als neergaande en opgaande bogen. Op de neergaande boog daalt de zaad-geest door geestelijke hiërarchieën af tot in de grofste niveaus van de materie. Op de opgaande boog ontwaakt hij en stijgt op uit het stoffelijke leven, terug naar de hoogten van geestelijke verworvenheden en hereniging met het goddelijke.
        Loutering en groei zijn op deze tocht de voornaamste taak. Reïncarnatie is voor de mens een gelegenheid om het steeds opnieuw te proberen, want het is voor niemand mogelijk volmaking te bereiken in een tijdbestek van maar zeventig of honderd jaar. Wedergeboorte geeft ons de kans gebreken in het weefsel van onze evolutie te boven te komen en ons beter toe te rusten om één te worden met onze geestelijke bron.
        Goddelijke liefde is de bron van alle licht. Zoals de planeten rond de zon wentelen, beweegt de geestelijk ingestelde mens zich rond het licht dat de boodschappers van waarheid en liefde hebben achtergelaten. Die boodschappers hebben van tijd tot tijd de verschillende rassen van de menselijke familie bezocht. Zoals de zon onze dagen verlicht, zo verhelderen de stralen van de grote geestelijke lichtdragers de innerlijke kant van iedere mens. Deze lichtdragers zijn de bron van de grote wereldreligies. Mensen zijn soms geneigd te vragen: welke lichtdrager heeft de grootste waarheid gebracht? Beste vriend, er bestaat geen kleine waarheid. Belangrijk is zoveel mogelijk waarheid en liefde te ontlenen aan het voorbeeldige leven en werk van hen die in hun eigen tijd en bij hun eigen volk het innerlijke licht hebben ontstoken dat het pad van de mensheid naar de Overziel verlicht.
        Deze grote schatkamers van licht waarvoor de ene of de andere cultuur zo grote eerbied heeft, zijn de levenspaden zoals die in werken als de Bhagavad Gita, Tao Teh Ching, Stem van de Stilte, Bijbel en Koran worden weergegeven. Al deze boeken zijn gebaseerd op de oude wijsheid, het pad naar waarheid, liefde en vereniging met de bron van het leven. Toch zullen er altijd families blijven die het onderling oneens zijn en zal er geen einde komen aan religieuze problemen zolang de volgelingen in religieuze groeperingen blijven volhouden dat alleen hun geschriften alle wijsheid in de wereld bevatten. De hele waarheid en wijsheid ligt alleen in goddelijkheid besloten.
        De mens is in essentie geest en stof. Zijn tocht in het innerlijke gebied is een individuele zaak. Dat het leven een einde heeft is een illusie. Een passend lichaam staat iedereen te wachten in elke toestand van het bestaan waarin hij zich bevindt. In het huis van onze Vader zijn vele zonnen, zoals daar ook vele woningen zijn. Maar het ene onvernietigbare zelf is de geestelijke zon, de adem van God, het licht dat brandt in elke zon in de woningen van onze Vader. Om ons innerlijke licht van de sluiers te ontdoen is geen wapengeweld nodig, maar kennis van het licht en de liefde van het goddelijke.

 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency