[Enkele jaren geleden vroeg een van de studenten
in Point Loma die een cursus gaf over ‘De mysteriecentra’
aan dr. De Purucker om voor haar het werkelijke verloop van de tocht
van de inwijdingskandidaat aan te geven door de kamers van de Grote
Piramide van Cheops.
Hieronder volgt het antwoord van dr. De Purucker.
Met uitzondering van de eerste twee alinea’s is het antwoord
niet letterlijk, maar een verslag dat onmiddellijk na het interview
werd opgeschreven. Het wordt hier echter weergegeven zoals het is
opgetekend, als samenvatting en essentie van wat G. de P. hierover
onderwees. – Red.]
Men moet zich niet voorstellen dat een menselijke ziel in de piramide
gevangen zat en rondzwierf als een astrale schaduw in het binnenste
ervan. De kandidaat werd geleid langs bepaalde wegen, of soms alleen
gelaten, en de paden of kanalen die hij volgde en de kamers waarin hij
zich bevond, enz., waren in deze vorm voorstellingen voor zijn verbeelding
of zijn denkvermogen van wat de innerlijke mens werkelijk doormaakte
wanneer hij uit het lichaam vertrok.
Een van de hoofddoelen van de inwijding in de piramide was dat de neofiet
de passages doorging onder leiding van zijn leraar of leraren, en aldus
voordat hij in een trance werd gebracht op zijn bewustzijn symbolisch
een sterke afdruk te maken van wat de ziel in de innerlijke werelden
feitelijk zou doormaken.
De kandidaat of discipel of chela gaat binnen langs de neergaande passage
met zijn gids, en ze volgen de tamelijk gelijkmatige passage waar weinig
licht is, tot hij onder de oppervlakte van de piramide begint af te
dalen, omlaag naar de onderwereld als het ware. Dan komt hij bij een
splitsing waar de gids hem alleen laat. Zonder hulp gaat de chela de
‘beproeving van de stof’ of de Put binnen, en legt zijn
lichaam, alle materiële elementen van zijn natuur, af. In deze
Put, die met opzet ruw is aangelegd en onafgewerkt om het ruwe en onvolmaakte
karakter van de stof te symboliseren, moet de discipel alle sluiers
van de stof afwerpen en zelf daaruit klauteren, en ervoor oppassen dat
hij daarbeneden niet tot niets vervalt.
Wanneer hij uit de duisternis komt, ontmoet hij bij het punt van de
splitsing opnieuw zijn gids die hem òf begeleidt òf de
weg wijst langs een andere passage die omhoog leidt. Deze passage wordt
geleidelijk lichter en is heel gelijkmatig. Dan gaat de chela de Bron
van Diepe Wateren binnen, die men zich misschien kan denken als de astrale
werelden. De neofiet moet vervolgens alleen de ‘Ladder van de
Ziel’ beklimmen, die weer ruw en moeilijk te beklimmen is. Tenslotte,
nadat de ziel de top van de ladder heeft bereikt, gaat ze de Velden
van Aahlu binnen, en komt in de Kamer van de Maan, de Koninginnekamer,
de kamer van de maaninvloeden.

Nadat de neofiet daar na de passende ceremoniën heeft gerust, vervolgt
hij zijn weg langs de gang van Aahlu en staat als het ware gereed bij
het vertrekpunt, bij de poort naar de Grote Galerij, de Dubbele Hal
van de Waarheid. Deze Hal is een grootse majestueuze galerij, met zeven
afdelingen, en de neofiet gaat dapper omhoog tot hij komt bij de Antichambre
van de Koningskamer. Voordat de neofiet echter de Antichambre binnengaat
moet hij een grote trede van bijna een meter beklimmen, en dan moet
hij erg diep bukken, en tenslotte als het valhek omhoog is kan hij verdergaan
naar de Koningskamer, het Verblijf van de Verborgen God, en de sarcofaag
van Osiris binnengaan.
Nu begint de werkelijke inwijding wanneer het lichaam van de neofiet
in trance ligt in de sarcofaag van Osiris. Wat hij heeft gevolgd is
feitelijk een symbolische beschrijvende manier om voor te stellen wat
er werkelijk in de innerlijke werelden plaatsvindt.
In de Koningskamer zijn zes grote afdelingen, waarbij de laagste onze
aarde voorstelt en de andere vijf, de vijf planeten Jupiter, Mars, Saturnus,
Mercurius en Venus, terwijl de Koninginnekamer de maan kan voorstellen.
De ziel kan opklimmen naar de planetaire sferen, en dan is deze reusachtige
driehoek in feite de ‘ring-verder-niet’, iets wat een verdere
voortgang verhindert, maar als de kandidaat volledig is bevrijd van
alle aardse en planetaire eigenschappen, dan kan de geest misschien
door de top van deze driehoek opstijgen langs de mystieke lijn door
het hoogste punt van de piramide zelf – en dan naar buiten en
verder – één met de godheid.
Dan de afdaling, omlaag van de top van de piramide, door de mystieke
krachtlijn naar het hoogste punt van de Koningskamer, omlaag naar de
sarcofaag en de ziel wordt verenigd met het in trance verkerende lichaam.
De inwijding is compleet, de neofiet staat als het ware op uit het graf
van beproeving, niet langer een chela, maar een meester, en verbluft,
nog steeds overgoten met de goddelijke luister, gaat hij door de Grote
Galerij, door de Hal van Duisternis, en gaat dan omhoog naar de ingang.
Zijn eerste uitzicht is nu onbeschrijflijk mooi – of dat was zo
op het moment dat deze zou zijn gebouwd – want daar recht vooruit
stond de poolster, die ster die in werkelijkheid de spil is van spirituele
en goddelijke zaken.
Noot
- Dit artikel en de inleiding van de redactie zijn vertaald
uit The Theosophical Forum, jan. 1948, blz. 20-22. De tekst
is niet opgenomen in een van de boeken van G. de Purucker.