We kunnen zien en dagelijkse voorwerpen onderscheiden door hun weerkaatsing
van specifieke lichtfrequenties, die we als kleuren herkennen. Licht
dat door de ruimte reist zonder te worden weerkaatst, is onzichtbaar.
Het is een paradox dat het meeste licht onzichtbaar en daarom in feite
duisternis is. Elektromagnetische straling, waaronder ‘zichtbaar
licht’, is in het algemeen onzichtbaar (of wordt niet waargenomen)
totdat het door een stoffelijk voorwerp wordt weerkaatst, door onze
zintuigen wordt opgevangen en door ons bewustzijn waargenomen.
Dit begrip duisternis dat licht is, is ook van toepassing op de oorspronkelijke
ruimte vóór het heelal zich manifesteerde, zoals te zien
is in de Stanza’s van Dzyan: ‘Duisternis alleen vulde het
grenzeloze Al’ (H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, 1:70);
parallel daarmee vinden we in Genesis (1:2): ‘Duisternis lag op
den vloed.’ Blavatsky doelde op absoluut licht en duisternis
als verschillende aspecten van dezelfde toestand. In termen van
oorzaak en gevolg is de straling van licht vanuit een bron de oorzaak,
die onzichtbaar ofwel duisternis is; en verlichting – licht dat
door een voorwerp wordt weerkaatst – is het gevolg, dat
alleen dan zichtbaar is wanneer het door iets stoffelijks wordt weerkaatst.
In deze betekenis duidt verlichting op stof, omdat licht alleen zichtbaar
is als er stof is.
Wanneer licht in aanraking komt met doorzichtige materie van verschillende
dikte – bijvoorbeeld een prisma of een regendruppel – wordt
wit licht gedifferentieerd in de bekende kleuren van het spectrum. Het
prisma, dat ervoor zorgt dat de gekleurde stralen ontstaan uit de oorspronkelijke
straal wit licht, is te vergelijken met een layacentrum. In de theosofische
literatuur is een layacentrum een mathematisch nulpunt of enkelvoudig
punt, waar energie, levenskracht of stof zich manifesteert op of uitstraalt
naar het ene gebied, terwijl het tegelijk uit een ander gebied verdwijnt
– zoals een substantie die neerslaat of oplost, overgaat van de
ene toestand in een andere. Manifestatie komt voort uit potentialiteit:
ongemanifesteerde duisternis.
Aan muziektonen zijn, evenals bij de kleuren van het spectrum, afzonderlijke
frequenties en golflengten toegekend. Naar analogie met octaven op de
toonladder mogen we aannemen dat het spectrum van zichtbaar licht een
tegenhanger heeft in een deel van het ultraviolette gebied, in een deel
van het infrarode gebied en omhoog en omlaag in de oneindige reeks elektromagnetische
golflengten. Deze gebieden zijn voor onze normale zintuigen onzichtbaar.
Volgens G. de Purucker ‘liggen de ultraviolette en infrarode stralen
in het grensgebied tussen ons fysieke heelal en de astrale gebieden
direct boven en direct beneden onze eigen fysieke wereld’ (The
Dialogues of G. de Purucker, 3:383). Omdat deze golflengten ook
invloeden op het fysieke gebied hebben, voelen we de warmte van infrarode
stralen en worden we bruin als gevolg van ultraviolette stralen.
Gezien vanuit een fysiek gebied doet licht zich voor als energie, en
wetenschappers zien fotonen (licht ‘deeltjes’) als energiekwanta
of -pakketjes. Maar vanuit een hoger plan beschouwd, zou licht een werkelijk
stoffelijke substantie in beweging kunnen zijn. In de woorden van De
Purucker is licht ‘etherische stof’; en, omgekeerd, stof
is ‘vast geworden licht, gekristalliseerd licht’ (op.
cit., 3:385).
Zichtbaar licht ontstaat door emissie van energie op atomair niveau.
Wanneer een elektron in een atoom energie in zich opneemt, kan het op
een hoger energieniveau komen, bekend als een ‘geëxciteerde’
of ‘aangeslagen’ toestand. Wanneer het elektron terugspringt
naar een lager energieniveau, wordt de energie uitgestoten en komt ze
vrij in de vorm van kwantumdeeltjes (fotonen), en we zien licht.
Van elektronen in aangeslagen toestand kan men zeggen dat ze latent
licht bevatten. Licht, een stroom van fotonen, wordt manifest wanneer
elektronen terugvallen tot een lager energieniveau. Bovendien zenden
in beweging zijnde elektronen, die een elektrisch veld opwekken, voortdurend
fotonen uit en nemen deze continu weer in zich op. Omdat deze fotonen
weer snel worden opgenomen (en daarom voor ons onzichtbaar zijn), worden
ze virtuele fotonen genoemd. Virtuele fotonen zou men kunnen vergelijken
met ‘ongemanifesteerd licht’. Het is nuttig ons elektrische
velden voor te stellen als velden die uit fotonen of licht bestaan.
Hieruit volgt dat er onzichtbare velden van licht zijn die ons voortdurend
omringen, maar die door onze ogen niet kunnen worden waargenomen. We
kunnen aannemen dat het menselijk lichaam (of in feite elk lichaam)
voortdurend zulk ‘ongemanifesteerd licht’ uitzendt en weer
in zich opneemt.
Een elektron laat een foton vrij wanneer het terugvalt naar een lager,
misschien materiëler, energieniveau. Tot dan is er duisternis,
‘puur’ licht in potentie. In de woorden van Blavatsky:
Duisternis wordt gezien als synoniem met zuivere
geest, en licht als typerend voor de materie.
– Collected Writings,
11:487
Duisternis, of potentieel licht, verliest iets wanneer het zich tenslotte
manifesteert als een foton: het valt naar een ander energieniveau. Kan,
naar analogie, goddelijk licht als zodanig blijven bestaan, als wij
het gaan kennen?
Straalt het goddelijke? Duisternis straalt, maar de bron blijft verborgen,
onzichtbaar. Hoe verhoudt dit zich tot de traditionele symboliek van
duisternis en kwaad enerzijds, licht en goed anderzijds? In voorchristelijke
tijden was het kwaad niet zo kwaad, maar op een of andere subtiele wijze
een deel van het geheel – om te verleiden, uit te dagen, te beschuldigen.
Wat betekent dat voor de religieuze iconografie die wezens met stralenkransen
van licht uitbeeldt? We associëren licht gewoonlijk met geestelijke
zaken en het goddelijke. Toch is de bron van licht – het goddelijke
– duisternis, onzichtbaar, tot het door de stof wordt weerkaatst.
De stof die het goddelijke licht weerspiegelt is het noodzakelijke voertuig
of de drager ervan. Het lijkt erop dat zelfs goddelijk licht niet kan
worden weerkaatst, tenzij er een wezen is dat ermee kan omgaan en het
kan transformeren om het zichtbaar te maken. Maar dan zou het niet langer
goddelijk licht zijn maar een weerkaatsing daarvan – iets onuitsprekelijks
is verloren gegaan. Om voor ons zichtbaar te worden moet het energie
verliezen.
Licht is misschien meer dan alleen vibrerende straling – licht
is mogelijk een eigenschap of kenmerk dat eigen is aan bewustzijn. Wanneer
we de theosofische opvatting volgen dat bewustzijn alles doordringt
en universeel is, is licht tot op zekere hoogte bewust. De Purucker
zegt het als volgt:
Ik herhaal: licht is betrekkelijk bewuste substantie;
en omdat substantie in het heelal op al de zeven (of tien) gebieden
ervan zevenvoudig is, en omdat ieder gebied bipolair is in zijn werking,
en zowel zijn spirituele als zijn materiële pool heeft, daarom
is licht eveneens bipolair. . . .
Er zijn dus in feite veertien verschillende soorten
licht of straling, en elk daarvan is substantieel en min of meer bewust,
en bovendien een voertuig voor hoger bewustzijn.
– The Dialogues
of G. de Purucker, 3:380
Licht kan dus op meer dan alleen het fysieke gebied bestaan en erop
inwerken. Hoe kan bewustzijn werken door middel van lichtstralen? Metafysisch
gesproken is ‘licht de manifestatie van de levenskracht van een
god’ (op. cit., 2:113), zoals onze zon laat zien. Zo’n
oogverblindende levenskracht lijkt misschien geestelijk, toch is het
nog maar een pranische levenskracht en staat veraf van de essentie van
geest. De oorspronkelijke duisternis van zuivere geest is omgevormd
en omlaag getransformeerd om zich tot uitdrukking te brengen als levenskracht,
en op een grover gebied als zichtbaar licht. Dit suggereert dat het
fysieke verschijnsel ‘licht’ niet zelf een oorzaak is, maar
zijn oorsprong heeft in een hoger gebied – dat voor onze zintuigen
en ons denken duisternis is, maar niet voor onze goddelijke natuur.
Blavatsky formuleert het als volgt:
Verscheidene nogal mystiek aangelegde geleerden verkondigden
dat licht, warmte, magnetisme, elektriciteit, zwaartekracht, enz.,
niet de uiteindelijke oorzaken waren van de zichtbare verschijnselen,
waaronder ook de beweging van de planeten. Dit zijn volgens hen de
secundaire gevolgen van andere oorzaken. –
De Geheime Leer, 1:531
De Purucker ging verder hierop in en gaf de volgende gedachten over
de oorsprong van licht in de bewustzijnsgebieden:
De psycho-elektromagnetische kracht brengt zichzelf
tot uitdrukking via verschillende tussenliggende astrale treden, en
wanneer de geschikte omstandigheden op het fysieke gebied aanwezig
zijn, bijvoorbeeld wanneer men een lucifer aanstrijkt, . . . dan kan
de psycho-elektromagnetische kracht zich manifesteren.
– The Dialogues of G. de Purucker,
2:115
We kunnen erover speculeren of licht zijn oorsprong vindt op gebieden
die ver verheven zijn boven het fysieke gebied waartoe onze zintuigen
gewoonlijk zijn beperkt. Misschien is licht een uiting van een of andere
graad van bewustzijn – van goddelijke of elementale aard. Ieder
gebied beïnvloedt de aangrenzende gebieden; en wanneer aan de fysieke
omstandigheden en voorwaarden is voldaan, kan licht zich manifesteren
– door het aanstrijken van een lucifer of door het drukken op
een lichtschakelaar. Of misschien door een flits van inzicht of een
daad van mededogen. Misschien zijn we in meer letterlijke zin ‘lichtbrengers’
dan we wel denken.