Bespiegelingen over licht en duisternis
William A. Savage

 

We kunnen zien en dagelijkse voorwerpen onderscheiden door hun weerkaatsing van specifieke lichtfrequenties, die we als kleuren herkennen. Licht dat door de ruimte reist zonder te worden weerkaatst, is onzichtbaar. Het is een paradox dat het meeste licht onzichtbaar en daarom in feite duisternis is. Elektromagnetische straling, waaronder ‘zichtbaar licht’, is in het algemeen onzichtbaar (of wordt niet waargenomen) totdat het door een stoffelijk voorwerp wordt weerkaatst, door onze zintuigen wordt opgevangen en door ons bewustzijn waargenomen.

Dit begrip duisternis dat licht is, is ook van toepassing op de oorspronkelijke ruimte vóór het heelal zich manifesteerde, zoals te zien is in de Stanza’s van Dzyan: ‘Duisternis alleen vulde het grenzeloze Al’ (H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, 1:70); parallel daarmee vinden we in Genesis (1:2): ‘Duisternis lag op den vloed.’ Blavatsky doelde op absoluut licht en duisternis als verschillende aspecten van dezelfde toestand. In termen van oorzaak en gevolg is de straling van licht vanuit een bron de oorzaak, die onzichtbaar ofwel duisternis is; en verlichting – licht dat door een voorwerp wordt weerkaatst – is het gevolg, dat alleen dan zichtbaar is wanneer het door iets stoffelijks wordt weerkaatst. In deze betekenis duidt verlichting op stof, omdat licht alleen zichtbaar is als er stof is.

Wanneer licht in aanraking komt met doorzichtige materie van verschillende dikte – bijvoorbeeld een prisma of een regendruppel – wordt wit licht gedifferentieerd in de bekende kleuren van het spectrum. Het prisma, dat ervoor zorgt dat de gekleurde stralen ontstaan uit de oorspronkelijke straal wit licht, is te vergelijken met een layacentrum. In de theosofische literatuur is een layacentrum een mathematisch nulpunt of enkelvoudig punt, waar energie, levenskracht of stof zich manifesteert op of uitstraalt naar het ene gebied, terwijl het tegelijk uit een ander gebied verdwijnt – zoals een substantie die neerslaat of oplost, overgaat van de ene toestand in een andere. Manifestatie komt voort uit potentialiteit: ongemanifesteerde duisternis.

Aan muziektonen zijn, evenals bij de kleuren van het spectrum, afzonderlijke frequenties en golflengten toegekend. Naar analogie met octaven op de toonladder mogen we aannemen dat het spectrum van zichtbaar licht een tegenhanger heeft in een deel van het ultraviolette gebied, in een deel van het infrarode gebied en omhoog en omlaag in de oneindige reeks elektromagnetische golflengten. Deze gebieden zijn voor onze normale zintuigen onzichtbaar. Volgens G. de Purucker ‘liggen de ultraviolette en infrarode stralen in het grensgebied tussen ons fysieke heelal en de astrale gebieden direct boven en direct beneden onze eigen fysieke wereld’ (The Dialogues of G. de Purucker, 3:383). Omdat deze golflengten ook invloeden op het fysieke gebied hebben, voelen we de warmte van infrarode stralen en worden we bruin als gevolg van ultraviolette stralen.

Gezien vanuit een fysiek gebied doet licht zich voor als energie, en wetenschappers zien fotonen (licht ‘deeltjes’) als energiekwanta of -pakketjes. Maar vanuit een hoger plan beschouwd, zou licht een werkelijk stoffelijke substantie in beweging kunnen zijn. In de woorden van De Purucker is licht ‘etherische stof’; en, omgekeerd, stof is ‘vast geworden licht, gekristalliseerd licht’ (op. cit., 3:385).

Zichtbaar licht ontstaat door emissie van energie op atomair niveau. Wanneer een elektron in een atoom energie in zich opneemt, kan het op een hoger energieniveau komen, bekend als een ‘geëxciteerde’ of ‘aangeslagen’ toestand. Wanneer het elektron terugspringt naar een lager energieniveau, wordt de energie uitgestoten en komt ze vrij in de vorm van kwantumdeeltjes (fotonen), en we zien licht.

Van elektronen in aangeslagen toestand kan men zeggen dat ze latent licht bevatten. Licht, een stroom van fotonen, wordt manifest wanneer elektronen terugvallen tot een lager energieniveau. Bovendien zenden in beweging zijnde elektronen, die een elektrisch veld opwekken, voortdurend fotonen uit en nemen deze continu weer in zich op. Omdat deze fotonen weer snel worden opgenomen (en daarom voor ons onzichtbaar zijn), worden ze virtuele fotonen genoemd. Virtuele fotonen zou men kunnen vergelijken met ‘ongemanifesteerd licht’. Het is nuttig ons elektrische velden voor te stellen als velden die uit fotonen of licht bestaan. Hieruit volgt dat er onzichtbare velden van licht zijn die ons voortdurend omringen, maar die door onze ogen niet kunnen worden waargenomen. We kunnen aannemen dat het menselijk lichaam (of in feite elk lichaam) voortdurend zulk ‘ongemanifesteerd licht’ uitzendt en weer in zich opneemt.

Een elektron laat een foton vrij wanneer het terugvalt naar een lager, misschien materiëler, energieniveau. Tot dan is er duisternis, ‘puur’ licht in potentie. In de woorden van Blavatsky:

Duisternis wordt gezien als synoniem met zuivere geest, en licht als typerend voor de materie.
        – Collected Writings, 11:487

Duisternis, of potentieel licht, verliest iets wanneer het zich tenslotte manifesteert als een foton: het valt naar een ander energieniveau. Kan, naar analogie, goddelijk licht als zodanig blijven bestaan, als wij het gaan kennen?

Straalt het goddelijke? Duisternis straalt, maar de bron blijft verborgen, onzichtbaar. Hoe verhoudt dit zich tot de traditionele symboliek van duisternis en kwaad enerzijds, licht en goed anderzijds? In voorchristelijke tijden was het kwaad niet zo kwaad, maar op een of andere subtiele wijze een deel van het geheel – om te verleiden, uit te dagen, te beschuldigen.

Wat betekent dat voor de religieuze iconografie die wezens met stralenkransen van licht uitbeeldt? We associëren licht gewoonlijk met geestelijke zaken en het goddelijke. Toch is de bron van licht – het goddelijke – duisternis, onzichtbaar, tot het door de stof wordt weerkaatst. De stof die het goddelijke licht weerspiegelt is het noodzakelijke voertuig of de drager ervan. Het lijkt erop dat zelfs goddelijk licht niet kan worden weerkaatst, tenzij er een wezen is dat ermee kan omgaan en het kan transformeren om het zichtbaar te maken. Maar dan zou het niet langer goddelijk licht zijn maar een weerkaatsing daarvan – iets onuitsprekelijks is verloren gegaan. Om voor ons zichtbaar te worden moet het energie verliezen.

Licht is misschien meer dan alleen vibrerende straling – licht is mogelijk een eigenschap of kenmerk dat eigen is aan bewustzijn. Wanneer we de theosofische opvatting volgen dat bewustzijn alles doordringt en universeel is, is licht tot op zekere hoogte bewust. De Purucker zegt het als volgt:

Ik herhaal: licht is betrekkelijk bewuste substantie; en omdat substantie in het heelal op al de zeven (of tien) gebieden ervan zevenvoudig is, en omdat ieder gebied bipolair is in zijn werking, en zowel zijn spirituele als zijn materiële pool heeft, daarom is licht eveneens bipolair. . . .

Er zijn dus in feite veertien verschillende soorten licht of straling, en elk daarvan is substantieel en min of meer bewust, en bovendien een voertuig voor hoger bewustzijn.
        – The Dialogues of G. de Purucker, 3:380

Licht kan dus op meer dan alleen het fysieke gebied bestaan en erop inwerken. Hoe kan bewustzijn werken door middel van lichtstralen? Metafysisch gesproken is ‘licht de manifestatie van de levenskracht van een god’ (op. cit., 2:113), zoals onze zon laat zien. Zo’n oogverblindende levenskracht lijkt misschien geestelijk, toch is het nog maar een pranische levenskracht en staat veraf van de essentie van geest. De oorspronkelijke duisternis van zuivere geest is omgevormd en omlaag getransformeerd om zich tot uitdrukking te brengen als levenskracht, en op een grover gebied als zichtbaar licht. Dit suggereert dat het fysieke verschijnsel ‘licht’ niet zelf een oorzaak is, maar zijn oorsprong heeft in een hoger gebied – dat voor onze zintuigen en ons denken duisternis is, maar niet voor onze goddelijke natuur. Blavatsky formuleert het als volgt:

Verscheidene nogal mystiek aangelegde geleerden verkondigden dat licht, warmte, magnetisme, elektriciteit, zwaartekracht, enz., niet de uiteindelijke oorzaken waren van de zichtbare verschijnselen, waaronder ook de beweging van de planeten. Dit zijn volgens hen de secundaire gevolgen van andere oorzaken.         – De Geheime Leer, 1:531

De Purucker ging verder hierop in en gaf de volgende gedachten over de oorsprong van licht in de bewustzijnsgebieden:

De psycho-elektromagnetische kracht brengt zichzelf tot uitdrukking via verschillende tussenliggende astrale treden, en wanneer de geschikte omstandigheden op het fysieke gebied aanwezig zijn, bijvoorbeeld wanneer men een lucifer aanstrijkt, . . . dan kan de psycho-elektromagnetische kracht zich manifesteren.         – The Dialogues of G. de Purucker, 2:115

We kunnen erover speculeren of licht zijn oorsprong vindt op gebieden die ver verheven zijn boven het fysieke gebied waartoe onze zintuigen gewoonlijk zijn beperkt. Misschien is licht een uiting van een of andere graad van bewustzijn – van goddelijke of elementale aard. Ieder gebied beïnvloedt de aangrenzende gebieden; en wanneer aan de fysieke omstandigheden en voorwaarden is voldaan, kan licht zich manifesteren – door het aanstrijken van een lucifer of door het drukken op een lichtschakelaar. Of misschien door een flits van inzicht of een daad van mededogen. Misschien zijn we in meer letterlijke zin ‘lichtbrengers’ dan we wel denken.

 
Andere artikelen over wetenschap: natuurkunde
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency