Ammonius Saccas en zijn leerlingen . . . [werden]
analogeten genoemd . . . omdat het bij hen gebruikelijk was alle heilige
legenden en verhalen, mythen en mysteriën, te verklaren volgens
de regel of het beginsel van de analogie en overeenkomst; zodat gebeurtenissen
waarvan werd verteld dat ze in de uiterlijke wereld hebben plaatsgehad,
beschouwd werden als een weergave van werkingen en ervaringen van
de menselijke ziel. –
H.P. Blavatsky
Wat ik theofysica noem, heeft betrekking op de paden van lijnen, rondstromende
velden, en gebieden van materie, geest, en het oneindig verfijnde, ongrijpbare
materiaal van bewustzijn zelf. Het betreft het volledige creatieve proces
op elke schaal van de vermenging van kristalheldere, doorzichtige en
ondoorzichtige werelden van kosmische materie en hun werking en groei.
In deze fluïdische werelden, zoals een mahatma eens zei, is ‘de
universele eeuwigdurende beweging, die nooit ophoudt, of haar
snelheid vergroot of verkleint . . . maar doorgaat als een in beweging
gezette molen . . . de enige eeuwige en ongeschapen godheid die wij
kunnen erkennen’, eenvoudig omdat ‘Het de bijzondere eigenschap
van de onwillekeurige kracht van het oneindige denken [bewustzijn] is
. . . om eeuwig subjectieve stof in objectieve atomen te evolueren .
. . of om later kosmische stof te ontwikkelen tot vormen.’1
Veel oude tradities erkenden de gestalt werkelijkheid van
atomaire materie. Voor de jains van India is zelfs het kleinste deeltje
materie een jiva, een levensatoom of wezen. In feite zijn wijzelf
jiva’s (bewuste, geestelijke atomen) die rondstromen in en door
het kosmische organisme. De jains wijzen op de onderlinge relatie tussen
de micro-, of menselijke, en macroschaal, en geloven dat een alwetende
ziener of heilige
werkelijk het proces kan volgen van de onophoudelijke
stofwisseling die in het lichaam plaatsvindt, en de cellen kan gadeslaan
tijdens hun voortdurende transmutaties; want zijn individuele bewustzijn
is zodanig verruimd dat het overeenkomt met het oneindige bewustzijn
van het enorme universele zijn. Met zijn innerlijke geestesoog aanschouwt
hij de levensatomen, oneindig in aantal, voortdurend rondstromend,
elk begiftigd met zijn eigen levensduur, lichamelijke kracht, en ademkracht,
tijdens het onafgebroken in- en uitademen.2
– zo vindt er in de ultieme interactieve kunst der kunsten, het
leven genoemd, een cyclische herschepping plaats.
Dagelijks – elk moment zelfs – wordt er een beroep op onze
verbeelding gedaan om hun beelden van het geliefde leven op te bouwen
en te vernieuwen. Deze ingeboren vorm van kunst is net zo natuurlijk
als wanneer ons oog een gebroken boog ziet en uit zichzelf in de lucht
de ontbrekende kromming aanvult. Deze activiteit is de goddelijke wortel
van onze basisdrang naar visuele helderheid en bevestiging, en vormt
het fundament van een ‘kunst-algebra’-evolutie – het
scheppingsmechanisme voor onze zoekende, lerende, expressieve
menselijke geest.
Interessant is dat volgens fysicus Erwin Schrödinger ‘het
doel van de kernfysica het scheppen van beelden van de binnenkant van
het atoom is, die onze intuïtie aanspreken en die in het kader
van onze alledaagse ervaring zinnig zijn’; maar hij was nooit
in staat zijn theorie visueel zo doeltreffend uit te beelden als Bohr
met zijn ‘treffende maar nu achterhaalde afbeelding’, het
universele beeld van drie ovale banen rond een kern. In feite is de
baan van een elektron onzeker – onduidelijk, vaag en ingewikkeld.
En toch vullen deze velden van transformationele waarschijnlijkheid
elkaar op de hogere macroschaal aan om zich te verenigen tot onze bekende
gyroscopische wereld.
 |
Opmerkelijk is het Rydberg-atoom waarin het buitenste elektron een
ontzettend lange baan heeft die zich niet beperkt tot een ellips: ‘Het
pad ervan kan eenvoudig of buitengewoon ingewikkeld zijn; het kan een
regelmatig patroon volgen of in volledige chaos ontaarden.’3
Naar analogie is dit atoom een natuurlijk lijnpad of brug voor de verbeelding
omdat ervan bekend is dat het zich verbazingwekkend heen en weer beweegt
tussen twee verschillende werkgebieden: de kwantumwereld van onzekerheid
en onze macrowereld van voorspelbaarheid met haar geïdealiseerde
modellen. Dr. Von Baeyer zegt ons dat ‘Wanneer het buitenste elektron
in een Rydberg-atoom de kern verlaat voor een lange bochtige reis, het
zich niet langer gedraagt als een voortbrengsel van de kwantummechanica.
In plaats daarvan gedraagt het zich meer als uw huis-, tuin- en keukenhonkbalbal,
sterrenstelsel of molecule.’ Maar op de terugweg ‘gedraagt’
ditzelfde elektron
zich als het ware als een atomair amfibie, sprintend
langs de vaste grond van de klassieke mechanica voordat het terugduikt
in de kolkende golven van de kwantummechanica.
Volgens de kwantummechanica verlaat het elektron
het Rydberg-atoom als een gelijkmatige rondgaande golf maar het komt
zichzelf op de terugweg tegen, deze keer als een ongelijkmatige rondgaande
golf. Het daaruit volgende interferentiepatroon bepaalt welke trajecten
[lijnen of paden] het elektron kan volgen.
Eén van de hardnekkigste raadsels van de moderne
fysica wordt goed samengevat door toneelschrijver Tom Stoppard in
zijn spionagestuk Hapgood: ‘Er is een rechte ladder van het
atoom naar de zandkorrel, en het enige werkelijke mysterie is de ontbrekende
sport. Eronder, deeltjesfysica. Erboven, klassieke fysica. Maar ertussenin,
metafysica.’
– ‘The Philosopher’s Atom’,
blz. 105, 107, 102
Op menselijke schaal kan dit geschetste atoom worden vergeleken met
het denken en de hand van een kunstenaar (kwantumdenken/klassieke hand
– het onzekere scheppende denken en de voorspellende
creatieve hand). Hun werkingen kunnen tezamen worden gevisualiseerd
in de zin van Richard Feynmans ‘samenvatting van geschiedenissen’,
een wiskundig model van op elkaar inwerkende golven die interferentiepatronen
vormen. Wanneer we de theofysica en de kwantumveldentheorie combineren,
kunnen we verkennen hoe het denken of de verbeelding weet wat de meest
rechtstreekse manier is om een lijntekening, ‘veld’-schilderij,
of een eenvoudig/ingewikkeld beeldhouwwerk te maken:
Het deeltje [of de kunstenaar] ‘tast’
tegelijkertijd alle mogelijke paden tussen A en B af. Omdat kwantummaterie
golvend van aard is, veroorzaakt afbrekende interferentie overal golfannulering
behalve in het gebied van het rechte pad (stippellijn). –
Paul Davies, Superforce, blz. 235
Oftewel, omdat kwantumgedachten in het denken van de kunstenaar
golvend van aard zijn, veroorzaakt afbrekende interferentie overal lijn-
of golfannulering behalve in het gebied of de as van het uiteindelijke
pad van zijn of haar visie. Hierboven, zijn een voorbeeld van Feynmans
‘samenvatting van geschiedenissen’ en George Romney’s
figuurtekening getiteld ‘Liefde’ naast elkaar gezet. Verrassend
is dat het lijkt alsof Romney’s hand correspondeert met alle waarschijnlijkheidsreeksen
van kwantummechanica tot scheppende mechanismen!
Zo’n scheppende ‘samenvatting van geschiedenissen’
levert praktisch alle waarschijnlijke uitkomsten van expliciet leven
tussen goddelijke ideeën en hun overgang naar ons gebied
en onze horizon van waarneming (waarnaar soms door kwantumfilosofen
wordt verwezen met de ‘ineenstorting van de golffunctie’).
Deze moeilijkheid van gelijktijdige activiteit is ongrijpbaar op microniveau,
betekent verandering van vorm op menselijk niveau, en geeft o zoveel
voldoening op het hoogste niveau als de quasi-onvoorspelbaarheid van
een idee vertrekt, golft en zijn weg baant naar nieuw ontwikkelde vormen
en begrijpelijke beelden van het leven zoals we die normaal gesproken
zien.
 |
Zie hoe William Blake’s kwantumdenken en scheppende elektronhand,
net als de ingewikkelde voorstellingswereld gevangen in moderne bellen-
of nevel-vatexperimenten, zich een voorstelling van iets maakt, het
ontdekt en dan bewust tot bestaan brengt. Dit proces komt tot leven
in zijn schets De driedubbele boog van de tijd. De voorloper
Blake heeft in woord en beeld zijn intuïtieve begrip van zowel
natuurkunde als Natuurreligie beschreven: ‘De waarnemingen
van de mens beperken zich niet tot de waarnemingsorganen; hij neemt
meer waar dan de zintuigen (hoe scherp deze ook zijn) kunnen bespeuren
. . . hij heeft in feite het vermogen tot geestelijke waarneming. .
. . het verlangen van de mens gaat uit naar het leven van de geest –
‘minder dan Alles kan een mens niet tevredenstellen’.’4
En verder, in zijn America a Prophecy, schrijft hij plichtsgetrouw
op wat zijn innerlijke stem hem influistert: ‘alles is heilig,
het leven verheugt zich in het leven.’
Blake, evenals de jains en zoveel anderen uit het onherroepelijke verleden,
waren volmaakte zieners en meedogende theofysici; meedogend omdat ze
vanuit het diepst van hun hart voor ons wonderlijke visuele analogieën
vormden van de goddelijke, scheppende krachten en vermogens van atomen
en mensen die voortkomen uit de eeuwige activiteit van het grenzeloze
denken en het universele zijn.
Noten
- De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz.
150 (cursieven toegevoegd).
- Heinrich Zimmer, The Philosophies of India,
blz. 276-7.
- Hans Christian von Baeyer, ‘The Philosopher’s
Atom’, Discover Magazine, nov. 1995, blz. 108.
- J.G. Davies, The Theology of William Blake (1948),
blz. 25.