Het pad van de geestelijke krijger
Eloise Hart

 

Het lijkt een tegenstrijdigheid te spreken van een geestelijke krijger, want hoe kan een krijger nu geestelijk zijn? Maar toch, als we bedenken hoe krijgers vechten en dikwijls hun leven opofferen om zaken die volgens hen rechtvaardig zijn in stand te houden en om hun gezin en land te beschermen, kunnen we begrijpen waarom zij die naar geestelijke vooruitgang streven vaak als krijger worden afgebeeld. In het Indiase heldendicht Mahabharata, bijvoorbeeld, wordt Arjuna door zijn geestelijk leermeester aangespoord de wapens op te pakken tegen de krachten van onwetendheid en angst. In het westen putten we nog inspiratie uit de avonturen van ridders met blinkende wapenrusting en het heldhaftige gedrag van mannen en vrouwen die, gewapend met deugdzaamheid en grote vastberadenheid, eropuit trekken om onderdrukking tegen te gaan, de zwakken te beschermen en rechtvaardigheid te herstellen. Hun ‘wapens’ – naastenliefde, verdraagzaamheid, een onverzettelijke wil en onuitputtelijke geestdrift om niet alleen hun verheven doel te bereiken, maar anderen te redden, ongeacht het gevaar dat ze zelf lopen – moesten worden verworven door hun eigen zwakheden te overwinnen en hun geestelijke vermogens tot ontwikkeling te brengen.

Hoe deden zij dat en hoe kunnen wij het doen? Iedere religie stelt diverse regels op: zich onthouden van kwaadspreken en roddelen, van liegen, stelen, doden en verkeerd geloof – met andere woorden, door ons denken en ons hart met veredelende gedachten te vervullen en onze dagen met vriendelijke en liefhebbende daden door te brengen. Reginald Machell verwerkte deze ideeën in zijn grote schilderij (1,88 m x 2,26 m) over Het Pad (afgebeeld op de binnenkant van de achteromslag van dit nummer). Hij brengt daarin door middel van symbolische figuren de conflicten en overwinningen in beeld waardoor we volledig geestelijk zelfbewustzijn kunnen bereiken. Deze toestand wordt voorgesteld door de Christus-achtige figuur van wie het hoofd in de bovenste driehoek opgaat in de stralenkrans van de zon, terwijl zijn voeten in de wateren van de ruimte, in de onderste driehoek, de eenheid van geest en stof aanduiden. Zijn vleugels die het middengedeelte vullen, stellen de beweging of het pulseren van het kosmische leven voor door middel waarvan iedereen kan groeien naar volmaakt mens-zijn. Een grote slang van wijsheid die het hele schilderij omspant, symboliseert het continuüm en de vernieuwing van het leven gedurende uitgestrekte tijdcyclussen.

Als we de details van het schilderij nader bekijken, zien we net boven de onderste driehoek een kind staan onder de hoede van zijn pleegmoeder (de stoffelijke natuur) dat de wapenrusting van een ridder ontvangt: het zwaard van de macht, de speer van de wil, de helm van kennis en de maliënkolder waarvan de schakels zijn gesmeed uit ervaringen in het verleden. Bijna bovenaan het schilderij staat de gevleugelde Isis, de moeder of overziel van al het leven. Haar uitgespreide vleugels schermen het Allerhoogste af voor alles eronder. We zien beneden haar vaag een kring van gouden gestalten die vol vreugde de overwinning vieren van een pelgrim die het Allerhoogste bereikt en dan terugkeert om hen te helpen die beneden ronddwalen. Onder hem is de rode kring van bewakers die degenen die het ‘wachtwoord’ niet kennen neerslaan; dit wachtwoord wordt gesymboliseerd door de witte vlam die oprijst uit het hoofd van gelouterde kandidaten. Twee kinderen die de zuiverheid voorstellen, lopen ongehinderd verder omhoog. In het midden van het schilderij zien we een krijger die de draak van de illusie, het lagere zelf, heeft gedood en verdergaat door op zijn lichaam te stappen – want we gaan omhoog langs de treden van overwonnen zwakheden.

Aan één kant klimmen twee vrouwen; de ene met een wit gewaad en bij wie de vlam helder brandt, helpt haar zwakkere zuster. Dichtbij hen komt een man omhoog uit de duisternis; er hangen geldbuidels aan zijn gordel, maar er brandt geen vlam boven zijn hoofd en de speer van een bewaker zweeft al boven hem, klaar om de onwaardige te treffen in zijn uur van ‘succes’. Niet ver daarvandaan ligt een bard languit; zijn vlam wordt versluierd door een rode wolk van hartstocht en hij wordt getroffen door een speer van een bewaker; maar terwijl hij daar ligt te sterven bereikt hem een straal uit het hart van het Allerhoogste als een belofte van succes in een toekomstig leven.

Aan de andere zijde van het schilderij houdt een beoefenaar van magie zijn rituelenboek vastgeklemd, en volgt het licht van de kroon van eerzucht, omhooggehouden door een zwevende figuur die hem naar de rand van een afgrond heeft geleid. Hij denkt dat het verblindende licht van de kroon van het Allerhoogste komt, maar de diepte wacht op haar slachtoffer. Naast hem valt onopgemerkt zijn trouwe volgelinge neer, maar een straal van Bovenaf beschijnt haar, de beloning voor onbaatzuchtige toewijding zelfs aan een verkeerde zaak. Als Machell zijn bedoeling samenvat, zegt hij tot slot: ‘In een oud boek wordt gezegd: ‘Het Pad is één, de middelen om het doel te bereiken moeten per pelgrim verschillen.’’

Het onderscheid tussen het spirituele pad van de gemiddelde zoeker en dat van de geestelijke krijger kunnen we begrijpen als we nadenken over deze woorden van G. de Purucker:

Er is een pad, een verheven pad van wijsheid en verlichting, dat voor ieder mens, in elke incarnatie in het huidige bestaan op deze aarde, begint . . . het is de weg van bewustzijn en geestelijke verwerkelijking die naar binnen, steeds verder naar binnen voert, naar het mystieke oosten, dat het hart van het heelal en ook uw hart is – de opkomende zon van geestelijk goddelijk bewustzijn in u.     – Levensvragen, blz. 4

Allen zullen uiteindelijk hun innerlijke zelf bereiken via het langzame proces van evolutie, maar

er is een andere weg, steil en doornig, moeilijk te begaan, maar die de Groten van de mensheid hebben gevolgd. Het is de snelle, maar ook moeilijke weg. Het is de weg van zelfoverwinning, de weg waarop men het zelf opgeeft voor het Al, waarop de persoonlijke mens de onpersoonlijke boeddha, de onpersoonlijke christus wordt; het is de weg waarop de liefde voor wat alleen uzelf toekomt wordt opgegeven en uw hele wezen wordt vervuld van liefde voor alle dingen, grote en kleine. Het is een moeilijke weg om te volgen, want het is de weg van inwijding; het is het steile en doornige pad naar de goden; . . .         – Op.cit., blz. 5-6

Ook veel anderen hebben over deze paden geschreven. Het is het onderwerp in Pilgrim’s Progress van John Bunyan, waarin Everyman zijn weg vindt naar de ‘Stad Gods’. Op een dieper niveau vertelt de Spaanse mysticus Johannes van het Kruis erover in zijn ‘Donkere nacht van de ziel’. Vertaler (in het Engels) Allison Peers beschouwt dit dichtwerk, geschreven in 1577 tijdens de gevangenschap van Johannes, als ‘de prachtigste en meest melodieuze spirituele lofzang’. Deze ‘Donkere nacht’ en de toelichting erop beschrijven voor de intuïtief aangelegde lezer de overwinning van de liefde. In de taal van geliefden, zoals die van de soefi’s, gaat het over een minnaar (de menselijke ziel) die tracht de Geliefde (God of het goddelijke Zelf) te bereiken en zich daaraan overgeeft:

Stanza’s van de ziel

In een donkere nacht, door sterke verlangens fonkelend van liefde – o, heuglijke kans!
Vertrok ik zonder te worden opgemerkt, want mijn huis is nu in rust.
In het duister en beschut, langs de verborgen ladder, onherkenbaar – o, heuglijke kans!
In het duister en verscholen, want mijn huis is nu in rust.

In de heuglijke nacht, in het geheim, toen niemand me zag,
En ook ik niets zag, zonder licht of gids, behalve het licht dat brandde in mijn hart.

Dit licht geleidde me, betrouwbaarder dan het licht van de middag,
Naar de plaats waar hij (ik wist goed wie!) op me wachtte –
Een plaats waar niemand kwam.

O, nacht die me geleidde, o nacht lieflijker dan het ochtendgloren,
O, nacht die Geliefde en minnaar samenbracht, de Minnaar veranderd in de Geliefde!

Op mijn borst vol bloemen, helemaal alleen voor hemzelf gehouden,
Daar bleef hij slapen, en ik liefkoosde hem, en het wuiven van de ceders bracht een koel briesje.

Het briesje kwam van het torentje toen ik zijn lokken van elkaar scheidde;
Met zijn zachte hand omstrengelde hij mijn hals en deed al mijn zintuigen hun werk staken.

Ik bleef verzonken in vergetelheid; mijn gezicht liet ik rusten op de Geliefde.
Alles hield op en ik gaf mezelf over, liet mijn zorgen achter bij de lelies.
                                – blz. 33-4

‘Donkere nacht van de ziel’ wordt tegenwoordig in zoveel betekenissen gebruikt dat we moeten vaststellen wat deze woorden voor ons betekenen. Is de nacht donker omdat er licht ontbreekt? Of omdat we het Licht niet kunnen zien dat ons zou leiden? Voor veel mensen is duisternis dat onbekende land van dromen en verbeeldingen waar onze pijn en angsten zo hevig zijn dat we zelfs geen glimp kunnen opvangen van het licht dat onze problemen zou ophelderen. Maar voor hen van wie de ziel de stilte zoekt die uitstijgt boven denken en gevoelens, die de vrede willen leren kennen die het begrip te boven gaat, is duisternis een bescherming tegen het dagelijkse trauma en een tijd dat schaduwen zich oplossen. Het is een tijd, ongeacht het uur, dat ze worden vernieuwd en worden overgoten met vrede, vreugde en liefde die Licht is. Misschien had Johannes dit in gedachte toen hij schreef: ‘o, nacht lieflijker dan het ochtendgloren.’ In zijn commentaar herinnert hij ons eraan dat de schaduwen die we veroorzaken met ons denken en onze zintuigen wel moeten wegsmelten, want ze kunnen het Licht niet bevatten. Als hij uitlegt dat hoe helderder het licht is des te donkerder de schaduwen zijn, zegt hij: ‘hoe helderder en zichtbaarder bovennatuurlijke dingen op zichzelf zijn, des te duisterder voor ons verstand’ (blz. 117).

Als we het Licht willen waarnemen dat in onze Duisternis verblijft (het licht van onze innerlijke god), moeten we de schaduwen opruimen die door ons denken en onze zintuigen worden veroorzaakt – ‘onze zorgen achterlaten bij de lelies’, lelies zijn hier een zinnebeeld voor zuiverheid en vernieuwing. Dit geldt ook voor de kosmos, zoals in de oude Wetten van Manu (1:4-6) wordt uitgelegd:

Dit heelal bestond slechts in het eerste goddelijke idee, nog niet uitgedijd, als het ware in duisternis gewikkeld, onwaarneembaar, niet te beschrijven, niet te ontdekken door het verstand en niet ontdekt door openbaring, alsof het helemaal in slaap was gedompeld; toen verscheen de enige op zichzelf bestaande Kracht, hijzelf onopgemerkt, met onverminderde luister, en breidde zijn idee uit, of verdreef de duisternis.

Uit dit goddelijke Licht straalt dan het zichtbare, stoffelijke licht waarmee we vertrouwd zijn. Het is dezelfde gedachte die in Genesis wordt weergegeven:

In het begin schiep God de hemel en de aarde.
En de aarde was woest en leeg; en duisternis was op de afgrond. En de geest Gods zweefde over de wateren.
En God zei: Laat er licht zijn: En er was licht.
En God zag het licht, dat het goed was: en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.
        – 1:1-4

We keren nu terug naar Johannes: zijn gedicht, in de eerste persoon geschreven, begint als volgt:

In een donkere nacht, door sterke verlangens fonkelend van liefde – o, heuglijke kans!
Vertrok ik zonder te worden opgemerkt, want mijn huis is nu in rust.

Onze krijger/minnaar, met in slaap gebrachte verstandelijke vermogens, hartstochten en begeerten, sloop hier weg om de Geliefde te zoeken – zich te verenigen met zijn goddelijke Zelf. Hoe sterk komt deze taal overeen met de boeddhistische beschrijving van prins Siddhartha die zijn koninklijke paleis verliet in de nachtelijke duisternis toen zijn familie, de bewakers, zelfs de dieren – dat wil zeggen al zijn gedachten en begeerten – vast in slaap waren. Alleen zijn geest was wakker. Omdat hij kort tevoren de drie visioenen had gehad die hem wakker hadden geschud – ouderdom, ziekte en dood – werd hij door verdriet verscheurd en was hij vastbesloten een manier te vinden om aan het lijden van de mensen een einde te maken. Hij kon aan niets anders meer denken: alle praal uit zijn verleden bestond niet meer, was in de nacht verdwenen.

In ons gedicht sloop de minnaar weg ‘langs de verborgen ladder, onherkenbaar’. Ladders en trappen betekenen vooruitgang, en ‘verborgen ladders’ verwijst naar stadia van geestelijke groei waarlangs de ziel omhooggaat via conflictsituaties, verzoekingen en genegenheden van deze wereld van de zintuigen, en daarna van het denken, waarbij zij zich van alle ‘omhulsels’ van het leven in de wereld ontdoet om rein en stralend tegenover haar bron te staan. Zoals H.P. Blavatsky uitlegt:

De mens kan met zijn lichamelijke zintuigen de zuivere geest niet waarnemen, aanraken of ermee spreken. Alleen geest kan tot geest spreken en die zien; en zelfs onze astrale ziel . . . is te grof, te zeer bezoedeld met aardse materie om haar waarnemingen en influisteringen geheel te kunnen vertrouwen.
     – Isis Unveiled 2:117

De gevaren voor iemand die ongetraind is en zich niet heeft gezuiverd zijn groot; daarom wordt er de nadruk op gelegd om lichaam, denken en ziel te reinigen en alles wat aards is achter zich te laten.

Zij die vooruitgang boeken op het geestelijke pad kunnen soms worden verblind door een licht dat ‘helderder is dan de middagzon’, zoals Saulus drie dagen overkwam (Handelingen 9:9). Arjuna werd op een vergelijkbare manier verblind toen Krishna hem de ontzagwekkende wonderen van zijn goddelijkheid onthulde. Toen de visioenen voorbij waren, pasten hun ogen en denken zich echter aan en geleidelijk kregen ze vertrouwen en kwamen tot rust in hun nieuwe wereld. De wijsheid die eens verborgen en geheim was werd een open boek.

Ik bleef verzonken in vergetelheid. Mijn gezicht liet ik rusten op de Geliefde.
Alles hield op en ik gaf mezelf over, liet mijn zorgen achter bij de lelies.

Alle wereldse verlangens, genegenheden en onvolmaakte kennis zijn aan de kant gezet, zelfs de herinnering aan het bestaan ervan is geabsorbeerd of vernietigd. De transformatie is volledig en de minnaar, verenigd met de Geliefde, is nu meer goddelijk dan menselijk. Ook hier zijn de woorden van Blavatsky instructief:

Wanneer de mens (de etherische, innerlijke mens) dat punt bereikt waar hij volkomen geestelijk wordt, en daarom vormloos, heeft hij een toestand van volmaakt geluk bereikt. De mens wordt als objectief wezen vernietigd, maar de geestelijke entiteit met zijn subjectieve leven zal altijd blijven leven, want geest is onvergankelijk en onsterfelijk.

. . . in de eindeloze reeks eeuwen treffen we nu en dan mensen aan die er min of meer in slagen zich te verenigen ‘met God’, zoals het wordt omschreven, met hun eigen geest . . . De boeddhisten noemen zulke mensen arhat. . . . en niemand is aan hem gelijk, noch wat betreft ingegeven kennis noch op het gebied van wonderbaarlijke vermogens.         – Isis Unveiled 1:291

Deze eenwording is het hoogtepunt van levenslange overwinningen en is tegelijkertijd een volkomen overgave aan goddelijke liefde. Als dit het doel is dat we proberen te bereiken, welke leidraad kunnen we dan beter volgen dan de woorden van Reginald Machell, geschreven op zijn schilderij van Het Pad?

Indien u wijsheid wilt verwerven,
Wees sterk, wees moedig, wees barmhartig.
Maar wanneer u deze heeft bereikt,
Laat dan mededogen spreken.
Geef het doel op,
Keer terug naar de aarde
Als redder van de mensheid.

 
Andere artikelen over kunst
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency