De eenvoudige symboliek en de duidelijke verhaaltrant van het Nieuwe
Testament, samen met het geloof van sommigen naar de letter en het geloof
in onfeilbaarheid, hebben geleid tot een oppervlakkige benadering van
de universele waarheden die net onder de oppervlakte verborgen liggen.
Een onderzoek naar de ontwikkeling van de verrijzenis en maagdelijke
geboorte in de christelijke mythologie en dogma’s zal ons nieuwe
inzichten verschaffen in de mystieke traditie die daarachter verborgen
ligt.
Weet u waarom Pasen elk jaar op een andere zondag valt en soms in een
andere maand? Uit een telefonisch onderzoek bij zo’n twaalf kerken
bleek dat de meeste ervan geen antwoord erop hadden, en dus hoeven we
niet het gevoel te hebben dat we tekortschieten als we het niet weten.
De reden is verborgen geraakt door honderden jaren van oppervlakkige
benaderingen van het christendom. Voorin The Book of Common Prayer
(het gebedenboek van de Anglicaanse liturgie) staat een paragraaf getiteld
‘Tabellen voor de veranderlijke en onveranderlijke feestdagen,
samen met de dagen van vasten en onthouding, gedurende het hele jaar’.
De titel van de eerste paragraaf luidt: ‘Regels om te weten wanneer
de veranderlijke feestdagen en heilige dagen beginnen’, en vervolgt:
Pasen, waar de andere feestdagen van afhangen, is
altijd op de eerste zondag na de volle maan die valt op of als eerste
na 21 maart [de lente-equinox]; en als de volle maan valt op een zondag,
dan is het de zondag erna Pasen.
Maar let op dat voor het toepassen van deze regels
en tabellen de volle maan de veertiende dag van de maanmaand is, vastgesteld
volgens een oude kerkelijke berekening, en niet de werkelijke of astronomische
volle maan.1
En dit is het begin van een fascinerend verhaal.
Tijdens de eerste drie eeuwen werd het christendom op allerlei manieren
onder woorden gebracht en had het verschillende leringen over de meest
fundamentele onderwerpen. Er is nooit een oorspronkelijk eenduidig christendom
geweest. In 196 ontstond voor de eerste christenen een grote crisis
over wanneer Pasen moest worden gevierd. In een brief aan vooraanstaande
bisschoppen, deed paus Victor een oproep om in diverse provincies synoden
te houden om het paasfeest te vieren op de dag die was gekozen door
de Kerk van het westen. De Oosterse Kerk had een andere datum. Het voorschrift
werd niet door iedereen gevolgd en sommigen spraken openlijk hun afkeuring
erover uit, en Victor dreigde met de kerkban. De controverse speelde
al vóór die tijd en zou nog eeuwenlang voortduren. Andere
belangrijke verschillen werden officieel bekendgemaakt op de eerste
van drie synoden die in Antiochië van 264 tot 269 werden gehouden.2
Deze synoden waren onderdeel van een poging die meer dan honderd jaar
zou duren om een georganiseerde religie op te richten, met een theologie,
dogma’s, feestdagen en een canon – het Nieuwe Testament
werd pas in 405 officieel erkend.3
In Antiochië bracht bisschop Paulus van Samosata een heel belangrijk
onderwerp ter sprake door de goddelijkheid van Christus te ontkennen.
We vinden dit nu misschien verrassend, maar gedurende drie eeuwen van
het vroege christendom wist eigenlijk niemand wie Jezus was, wanneer
en waar hij werd geboren, of wanneer en waar hij was gestorven. De bisschop
van Samosata stond sterk toen hij zijn verklaring gaf, en bovendien
door aan te geven dat Jezus alleen op grond van zijn heiligheid en goede
daden de ‘Zoon van God’ werd genoemd. De apostel Paulus
schreef aan de Romeinen (1:3-4) dat Jezus ‘naar het vlees was
voortgekomen uit het geslacht van David; en werd verklaard in kracht
de Zoon van God te zijn overeenkomstig de heilige geest, door
zijn opstanding uit de dood’.
Er waren verschillende soortgelijke argumenten. Een groot aantal vroege
christenen geloofden in alle redelijkheid dat Jezus en God niet dezelfde
waren, hoewel ze dachten dat Jezus een groot geestelijk leraar was.
Deze denkrichting is tot op de dag van vandaag blijven bestaan en is
gebaseerd op diepgaande theologische en filosofische bewijsvoering.
Hoe kwam het dan dat het zwakkere filosofische standpunt – Jezus
en God zijn een en dezelfde – het dogma van het christendom werd?
Tegen de vierde eeuw hadden christenen overal gestreden en getwist
over de beginselen van hun geloof. De strijd werd zo bitter dat de heidenen
het in het openbaar tegen hen gebruikten. Religie was in die tijd altijd
een onderdeel van de Griekse en Romeinse politiek, en hoewel het christendom
niet één van de overheersende religies was, wilde Constantijn
niettemin een halt toeroepen aan het getwist en de bitterheid zowel
in het westen als in Klein-Azië, die hij in een nieuw Romeins Rijk
probeerde te verenigen. De lering dat Jezus goddelijk is geworden maar
niet als God werd geboren concentreerde zich rond een man genaamd Arius,
die in het oosten leefde, het centrum van wat het Arianisme werd genoemd.
Na het over en weer uitspreken van veroordelingen
(323-324) door de Arianen en de verschillende kerkelijke bijeenkomsten
in Egypte, Palestina en Syrië, stuurde de Romeinse keizer Constantijn
de 1ste, uit een verlangen naar eenheid en vrede, afgezanten om in
het conflict te bemiddelen. Deze poging mislukte, en hij riep in mei
325 het eerste oecumenische (algemene) kerkconcilie van Nicea bijeen
. . . om een eind te maken aan wat hij een ‘strijd over triviale
en dwaze woordelijke verschillen’ noemde.4
Dit is om een aantal redenen van belang. Ten eerste was Constantijn
noch een volwaardig lid van de Kerk noch een kerkelijke functionaris,
en toch riep hij het eerste kerkconcilie van Nicea bijeen en de bisschoppen
gehoorzaamden.5 Ten tweede had hij
duidelijk geen idee van het belang van het onderwerp en dit maakte hem
vatbaar voor beïnvloeding. Toen Arius verklaarde dat Jezus niet
als een godheid werd ontvangen maar veeleer als mens werd geboren en
tot godheid werd verheven, steunden zeventien bisschoppen hem in Nicea;
de meerderheid was het hiermee echter oneens. Hij werd door Constantijn
verbannen, zijn boeken en de geschriften van zijn volgelingen werden
verbrand; en in een veelzeggende maatregel beval Constantijn dat de
term Ariaans niet zou worden gebruikt maar dat de ideeën Porphyrisch
moesten worden genoemd. Deze verwijzing, of die nu vernederend was bedoeld
of niet, verbond Arius’ ideeën met Alexandrië en het
neoplatonisme, en verbond de door Constantijn en de groeiende Kerk ondernomen
daden met aanvallen op de wijsheidstraditie.
Het eerste concilie van Nicea was van grote betekenis. Het was een
belangrijke stap in een voortdurend streven een formele religie te vestigen.
Van groter belang is dat – omdat Constantijn het Romeinse Rijk
opnieuw probeerde op te bouwen – kan worden aangenomen dat zijn
behoefte om een eind te maken aan de toenemende religieuze verdeeldheid,
die zich vooral in het oosten voordeed, enige invloed op de leer van
de Kerk moet hebben gehad. Tenslotte kunnen we hieruit de behoefte van
de groeiende Kerk aan politieke macht afleiden, want ze gehoorzaamde
de bevelen van iemand die geen kerkelijke functionaris is om zo een
beslissing te nemen over kritieke vraagstukken en gebruik te maken van
de keizerlijke macht om deze te bekrachtigen. Constantijn verklaarde
Jezus en God als een en dezelfde.
Zoals uitdrukkelijk gezegd, konden deze onderwerpen door andere kerkconcilies
worden aangepast of veranderd. Aan de discussie over Jezus kwam niet
een einde in Nicea maar deze hield meer dan honderd jaar aan. Sommige
kerkconcilies herriepen de uitspraak van Nicea. De herroepingen en verschillende
veranderingen van gedachten vonden plaats onder voortdurende politieke
druk en gingen soms gepaard met wrede bedreigingen van verschillende
keizers om de Kerk te dwingen tot het specifieke gezichtspunt van de
betreffende vorst. Het was pas in 449 op het concilie van Epheze, een
bijzonder gewelddadige bijeenkomst, dat men zich verplichtte de geloofsbelijdenis
van Nicea te steunen. Tegenwoordig zeggen miljoenen christenen de Niceaanse
geloofsbelijdenis op waarmee ze bevestigen dat Jezus werd ‘ontvangen
en niet geboren’, waarbij ze zich misschien nooit afvragen wat
de geschiedenis erachter is of wat het betekent. Het is van belang op
te merken dat oprechte mensen door de geschiedenis heen hebben moeten
worstelen met grote conflicten op hun innerlijke pelgrimstocht om de
aard van het heilige te begrijpen. We moeten nu meer dan ooit inzien
dat spiritualiteit uiteindelijk een innerlijke zaak is die niet door
debat, religieuze organisaties of regeringen kan worden opgelost.
Het andere grote twistpunt in Nicea was om te beslissen over het voortdurende
meningsverschil over wanneer Pasen moest worden gevierd. Het besluit
werd genomen om de gebeurtenis te verbinden met de equinox, de redenen
hiervoor waren ten dele om populair te zijn, bijvoorbeeld om meer aanhangers
te winnen. De joodse heilige dagen waren niet alleen gebaseerd op een
maankalender, maar ook verbonden met de equinoxen en de solstitia zoals
met alle belangrijke heidense gebeurtenissen het geval was. Om te vermijden
dat Pasen werd verward met de viering van het joodse paasfeest werd
het huidige stelsel ingesteld. Deze regel geldt nog steeds in Het
gebedenboek.
Waarom waren astronomische gebeurtenissen, maagdelijke goddelijke geboorten
en de verrijzenis zo belangrijk? Zat er misschien meer achter deze onderwerpen
dan politiek? Wisten een paar van de vroege kerkvaders iets meer daarover?
Maagdelijke geboorten en verrijzenissen worden overal aangetroffen,
en zijn niet het exclusieve eigendom van één religie;
ze verwijzen krachtig naar een boodschap van diepgaande betekenis, een
algemene waarheid die voorkomt in alle religieuze, filosofische en mythologische
tradities van de mensheid. In zijn boek The Hero with a Thousand
Faces merkt Joseph Campbell op dat maagdelijke geboorten heel algemeen
zijn:
Elk blad dat per ongeluk wordt doorgeslikt, elke
noot, of zelfs de adem van een briesje kan genoeg zijn om de schoot
die gereed is te bevruchten. De verwekkende kracht is overal. En overeenkomstig
de grillen of de bestemming van dat moment kan er òf een held-verlosser
òf een wereldverwoestende demon worden ontvangen – je
kunt nooit weten.6
Verhalen over maagdelijke geboorte zijn vertrouwd en schijnen overal
voor te komen ‘in allerlei gedaanten’. Wanneer een individu
de mensheid naar het dieptepunt van spirituele verlaging
heeft gebracht, beginnen de occulte krachten van de cyclus uit zichzelf
in beweging te komen. In een onopvallend dorp wordt het meisje geboren
dat zich niet laat bezoedelen door de heersende fouten van haar generatie:
een miniatuur onder de mensen van de kosmische vrouw die de bruid
van de wind was. Haar schoot, die gelijk de oerdiepte blijft braak
liggen, roept door de volledige gereedheid ervan de oorspronkelijke
kracht tot zich die de leegte bevruchtte.7
Hij vervolgt:
Het verhaal wordt overal opnieuw verteld; en met
zo’n treffende eensluidendheid van de hoofdlijnen dat de vroegchristelijke
missionarissen gedwongen waren te denken dat de duivel zelf de spot
dreef met hun leer waar ze ook aan het werk gingen.8
Vanuit Griekenland komt het verhaal over de maagdelijke geboorte van
Adonis, die verrees na te zijn gedood door een wild zwijn. Adonis werd
door de Feniciërs vereerd als een stervende en verrijzende god,
en de Atheners vierden Adonia, een jaarlijks festival dat zijn dood
en verrijzenis tijdens de midzomer symboliseerde.
Uit Amerika komt een opmerkelijk verhaal over de godmens Quetzalcoatl,
verteld door de Azteken en de Maya’s. Hij had niet alleen een
maagdelijke geboorte, maar hij werd evenals Jezus in verband gebracht
met de planeet Venus, de morgenster. Daarnaast gebruikte de religie
die zich rondom hem had gevormd het kruis als symbolische voorstelling.
Evenals bij de mythen rond Jezus, zei Quetzalcoatl dat hij zou terugkeren
om zijn koninkrijk op aarde op te eisen.
Uit het oosten horen we van de Boeddha die door maagdelijke geboorte
in de wereld komt, een afdaling uit de hemel naar de schoot van Maya
in de gedaante van een melkwitte olifant.
Hoe zit het met de verhalen over een verrijzenis? Ook deze komen algemeen
voor. De Kanaänieten hadden hun Baäl – heilige leraar,
Heer van het universum – die door monsters werd gedood en tot
het eeuwige leven verrees. In Egypte werd Osiris door maagdelijke geboorte
uit de goden geboren, en leerde de Egyptenaren hun kunsten en vaardigheden.
Hij werd door zijn broer vermoord, en geholpen door zijn vrouw Isis
stond hij op uit de dood. Er was een dag gereserveerd om Osiris en het
idee van verrijzenis en eeuwig leven te vieren. Het Scandinavische verhaal
van Odin heeft treffende gelijkenissen met het christelijke verhaal.
Odin vertelt de lezer dat hij zich zijn eigen kruisiging herinnert waarbij
hij uit de dood opstond: ‘Ik weet dat ik negen hele nachten in
de door de wind geteisterde boom hing, vastgenageld met speren. Geofferd
aan Odin, mijzelf aan mijn Zelf boven mij in de boom; en niemand weet
waar de wortel van die boom ontspringt.’9
Naar het kruis wordt vaak verwezen als de boom van het leven.
Met zoveel verhalen over maagdelijke geboorte en verrijzenis moeten
we wel tot de conclusie komen dat deze verhalen, ongeacht de vorm die
ze aannemen of om welk volk het gaat, een universeel proces beschrijven.
Maar wat is dat proces? Wat is de bestaansreden ervan? We missen het
inzicht dat we kunnen verwerven uit de woorden van de christelijke paasmythe.
In Mattheus (27:45-7) wordt het paasverhaal gedeeltelijk verteld:
Vanaf het zesde uur tot het negende uur heerste er
duisternis over het hele land. En rond het negende uur riep Jezus
met een luide stem en zei: Eli, Eli lama sabachthani? Dat is: Mijn
God, mijn God, waarom heeft u mij verlaten? Sommige van de omstanders
zeiden, toen ze dit hoorden: Deze man roept Elia.
Marcus (15:33-5) vertelt een soortgelijk verhaal en elke Pasen worden
deze passages in elke christelijke kerk gelezen. Christenen zullen verrast
zijn om te leren dat de Hebreeuwse woorden in strijd zijn met hun bijbelse
vertaling. In zijn boek The Source of Measures [De oorsprong
van de maten], geeft J. Ralston Skinner, een vrijmetselaar en kenner
van het Oude en Nieuwe Testament, een gedetailleerde analyse. Wanneer
het Hebreeuwse Eli, Eli lama sabachthani? wordt vertaald, heeft
het de betekenis: ‘Mijn God, mijn God, hoe verheerlijkt u mij!’
Hij licht verder toe:
Maar zelfs nog meer, want hoewel lama waarom
of hoe betekent, verbindt het als verbaal substantief het idee van
schitteren eraan, of bijwoordelijk gebruikt, zou de zin kunnen
lopen ‘hoe schitterend’, enz.
De passage was bedoeld als verwijzing naar Psalmen (22:1):
‘Mijn God, mijn God, waarom heeft u mij verlaten?’
Het Hebreeuws voor deze woorden van dit vers is
waarnaar de verwijzing juist is, en de interpretatie
klopt en is correct, maar met een heel ander woord. De woorden
zijn –
Eli, Eli, lamah azabvtha-ni?
Geen menselijk verstand, hoe geleerd ook, kan deze
passage redden; het is duidelijk een onjuiste weergave; en als zodanig
is het op het eerste gezicht een vreselijke klap voor de gepaste heiligheid
van het verhaal. Er is slechts één, één
enkele uitvlucht en dat is door onze toevlucht te nemen tot de mystieke
bedoeling.10
H.P. Blavatsky, G. de Purucker en anderen hebben verdere toelichting
gegeven op dit ingewikkelde thema van tegenstrijdige gedachten: verheerlijking
tegenover verlaten worden. H.P. Blavatsky merkt op:
Gedurende tien jaar of meer werkten de bijbelherzieners
(?), een heel indrukwekkende en gewichtige reeks geleerden uit het
land, de grootste geleerden van Engeland in het Hebreeuws en het Grieks,
met de bedoeling om de fouten en blunders, de zonden van weglating
en toevoeging van hun minder geleerde voorgangers, de bijbelvertalers,
te verbeteren. Gaat men ons vertellen dat niemand van hen het opvallende
verschil tussen de Hebreeuwse woorden azabvtha-ni, in Psalm
22, en sabachthani in Mattheus heeft gezien; dat
ze zich niet bewust waren van de opzettelijke vervalsing?
Want het was een ‘vervalsing’. En als
ons naar de reden wordt gevraagd waarom de vroege kerkvaders hun toevlucht
daartoe namen, is het antwoord eenvoudig: Omdat de sacramentele
woorden in hun juiste weergave tot de heidense tempelriten behoorden.
Ze werden uitgesproken na de vreselijke inwijdingsbeproevingen en
lagen nog vers in het geheugen bij enkele van de ‘kerkvaders’
toen het Evangelie naar Mattheus werd overgezet in de Griekse
taal. En tenslotte ook omdat veel van de hiërofanten van de mysteriën
en vele andere ingewijden in die tijd nog leefden, en de juiste woordelijke
weergave van de zin Jezus op één lijn zou stellen met
de eenvoudige ingewijden. De woorden ‘Mijn God, mijn zon, u
heeft uw straling over mij uitgestort!’ waren de laatste woorden
die het dankgebed van de ingewijde besloten, ‘de zoon en de
verheerlijkte uitverkorene van de zon’.11
Nu zijn we tot de kern van het onderwerp gekomen. Verborgen achter
de verhalen over maagdelijke geboorte, dood, en verrijzenis zijn aanwijzingen
van de werkelijke inwijdingsgebeurtenissen. Omdat de gebeurtenissen
direct verband houden met de solstitia en de equinoxen, kunnen we een
reden zien voor het verband tussen Pasen en de equinox. Bij deze gebeurtenissen
is al het leven – het aardse en het kosmische – met elkaar
verbonden. Wanneer de kandidaat succes heeft, staat de God op uit het
uiterlijke en dode persoonlijke zelf. Dit wordt bedoeld met ‘opnieuw
geboren worden’ – werkelijk een maagdelijke geboorte.
Op het geschikte moment van nieuwe maan wordt een kandidaat op een
kruisvormige bank gelegd en het lichaam in een staat van trance gebracht
alsof het dood is. Het bewustzijn van de kandidaat verlaat het fysieke
lichaam en ondergaat twee belangrijke gebeurtenissen. De eerste is een
confrontatie met niet alleen zijn eigen lagere natuur, maar ook met
de diepten van de lagere natuur van de hele mensheid. Hij moet dit doen
gescheiden van zijn eigen hogere zelf; en in dat geval zijn de woorden
– ‘Mijn God, mijn God, waarom heeft u mij verlaten?’
of ‘Mijn innerlijke god, mijn innerlijke god, waarom bent u vertrokken?’
– heel toepasselijk. Als de beproevingen met succes worden doorstaan,
en als de kandidaat tijdens het proces enig licht schenkt aan de wezens
van de onderwereld, verrijst hij met volle maan om zich te verenigen
met zijn of haar hogere natuur en de glorie van kosmisch leven te ervaren.
Na deze vereniging en de verwezenlijking van kosmisch bewustzijn, zijn
de woorden ‘Mijn God, mijn God, hoe verheerlijkt u mij’
toepasselijk. De tegenstrijdigheid van Hebreeuwse en Griekse termen
in het bijbelse verslag verwijst naar ruimere perspectieven. In dit
document zijn aanwijzingen verborgen over de equinoctiale inwijdingen.
Tegenwoordig ondergaat het christendom een hernieuwd en serieus onderzoek
naar de wortels ervan. Indien dit succes heeft, zal dit ons ver voorbij
de letterlijke interpretatie van een ‘onfeilbare’ bijbel
leiden naar een verborgen universalisme dat strookt met oneindige goddelijkheid.
Wanneer een religie ontstaat, zijn de eerste volgelingen ervan diegenen
die door de oorspronkelijke inspiratie ervan worden getroffen. Terwijl
de essentie van die inspiratie het best onbeschreven kan blijven, voelen
ze de noodzaak om haar te bewaren en aan anderen door te geven. Tijdens
dit proces kunnen minder geïnspireerde figuren gaan overheersen
en, in plaats van de inspiratie in iedereen zelf aan te moedigen, wordt
een voorgeschreven methode ingesteld en worden verplichte regels en
geloofsovertuigingen – dogma’s – vastgesteld.
Het wezenlijke van Pasen is niet het verhaal van één
individu verstrikt in maatschappelijke en godsdienstige onrust, die
de doodstraf onderging en later uit de dood opstond. Het is het verhaal
over een universele gebeurtenis die na levens van training, leidt tot
een reeks van diepe bewustwordingen van een kosmische dimensie in ons
dagelijks leven. In plaats van een eenmalige gebeurtenis, is inwijding
tot op de dag van vandaag mogelijk wanneer de natuur en de mensheid
de juiste voorwaarden verschaffen.
Noten
- The Book of Common Prayer, Oxford University
Press, New York, 1944, blz. 1.
- A History of the Church Councils from the Original
Documents, drie delen, door eerw. Charles Joseph Hefele, D.D.,
Edinburgh, 1894.
- The Oxford Companion to the Bible, red. Bruce
M. Metzger en Michael D. Coogan, Oxford University Press, 1993.
- Encyclopaedia Britannica, I:518, 15de ed.,
1974.
- Dit is de algemeen aanvaarde zienswijze. In A
History of the Church Councils (I:9) stelt eerw. C.J. Hefele
dat er geen geschreven bewijsmateriaal van Nicea aan ons is overgeleverd
dat bevestigt dat de Paus werd geraadpleegd; maar, ‘de zesde
oecumenische synode in 680 stelt uitdrukkelijk dat het concilie van
Nicea bij elkaar werd geroepen door de keizer en Paus Sylvester’.
- The Hero with a Thousand Faces, door Joseph
Campbell, Bollingen Series XVII, Pantheon Books, New York, 1953, blz.
311-12.
- Op.cit., blz. 308.
- Op.cit., blz. 309.
- The Masks of Odin, Wisdom of the Ancient Norse,
Elsa-Brita Titchenell, Theosophical University Press, Pasadena, 1985,
blz. 126.
- The Key to the Hebrew-Egyptian Mystery in The
Source of Measures, J. Ralston Skinner, The Secret Doctrine Reference
Series, Wizards Bookshelf, Minneapolis, 1975, blz. 301.
- H.P. Blavatsky: Collected Writings, Theosophical
Publishing House, Wheaton, 1985, 14:147-8.