Pasen, de equinox en inwijding
Alan E. Donant

 

De eenvoudige symboliek en de duidelijke verhaaltrant van het Nieuwe Testament, samen met het geloof van sommigen naar de letter en het geloof in onfeilbaarheid, hebben geleid tot een oppervlakkige benadering van de universele waarheden die net onder de oppervlakte verborgen liggen. Een onderzoek naar de ontwikkeling van de verrijzenis en maagdelijke geboorte in de christelijke mythologie en dogma’s zal ons nieuwe inzichten verschaffen in de mystieke traditie die daarachter verborgen ligt.

Weet u waarom Pasen elk jaar op een andere zondag valt en soms in een andere maand? Uit een telefonisch onderzoek bij zo’n twaalf kerken bleek dat de meeste ervan geen antwoord erop hadden, en dus hoeven we niet het gevoel te hebben dat we tekortschieten als we het niet weten. De reden is verborgen geraakt door honderden jaren van oppervlakkige benaderingen van het christendom. Voorin The Book of Common Prayer (het gebedenboek van de Anglicaanse liturgie) staat een paragraaf getiteld ‘Tabellen voor de veranderlijke en onveranderlijke feestdagen, samen met de dagen van vasten en onthouding, gedurende het hele jaar’. De titel van de eerste paragraaf luidt: ‘Regels om te weten wanneer de veranderlijke feestdagen en heilige dagen beginnen’, en vervolgt:

Pasen, waar de andere feestdagen van afhangen, is altijd op de eerste zondag na de volle maan die valt op of als eerste na 21 maart [de lente-equinox]; en als de volle maan valt op een zondag, dan is het de zondag erna Pasen.

Maar let op dat voor het toepassen van deze regels en tabellen de volle maan de veertiende dag van de maanmaand is, vastgesteld volgens een oude kerkelijke berekening, en niet de werkelijke of astronomische volle maan.1

En dit is het begin van een fascinerend verhaal.

Tijdens de eerste drie eeuwen werd het christendom op allerlei manieren onder woorden gebracht en had het verschillende leringen over de meest fundamentele onderwerpen. Er is nooit een oorspronkelijk eenduidig christendom geweest. In 196 ontstond voor de eerste christenen een grote crisis over wanneer Pasen moest worden gevierd. In een brief aan vooraanstaande bisschoppen, deed paus Victor een oproep om in diverse provincies synoden te houden om het paasfeest te vieren op de dag die was gekozen door de Kerk van het westen. De Oosterse Kerk had een andere datum. Het voorschrift werd niet door iedereen gevolgd en sommigen spraken openlijk hun afkeuring erover uit, en Victor dreigde met de kerkban. De controverse speelde al vóór die tijd en zou nog eeuwenlang voortduren. Andere belangrijke verschillen werden officieel bekendgemaakt op de eerste van drie synoden die in Antiochië van 264 tot 269 werden gehouden.2 Deze synoden waren onderdeel van een poging die meer dan honderd jaar zou duren om een georganiseerde religie op te richten, met een theologie, dogma’s, feestdagen en een canon – het Nieuwe Testament werd pas in 405 officieel erkend.3

In Antiochië bracht bisschop Paulus van Samosata een heel belangrijk onderwerp ter sprake door de goddelijkheid van Christus te ontkennen. We vinden dit nu misschien verrassend, maar gedurende drie eeuwen van het vroege christendom wist eigenlijk niemand wie Jezus was, wanneer en waar hij werd geboren, of wanneer en waar hij was gestorven. De bisschop van Samosata stond sterk toen hij zijn verklaring gaf, en bovendien door aan te geven dat Jezus alleen op grond van zijn heiligheid en goede daden de ‘Zoon van God’ werd genoemd. De apostel Paulus schreef aan de Romeinen (1:3-4) dat Jezus ‘naar het vlees was voortgekomen uit het geslacht van David; en werd verklaard in kracht de Zoon van God te zijn overeenkomstig de heilige geest, door zijn opstanding uit de dood’.

Er waren verschillende soortgelijke argumenten. Een groot aantal vroege christenen geloofden in alle redelijkheid dat Jezus en God niet dezelfde waren, hoewel ze dachten dat Jezus een groot geestelijk leraar was. Deze denkrichting is tot op de dag van vandaag blijven bestaan en is gebaseerd op diepgaande theologische en filosofische bewijsvoering. Hoe kwam het dan dat het zwakkere filosofische standpunt – Jezus en God zijn een en dezelfde – het dogma van het christendom werd?

Tegen de vierde eeuw hadden christenen overal gestreden en getwist over de beginselen van hun geloof. De strijd werd zo bitter dat de heidenen het in het openbaar tegen hen gebruikten. Religie was in die tijd altijd een onderdeel van de Griekse en Romeinse politiek, en hoewel het christendom niet één van de overheersende religies was, wilde Constantijn niettemin een halt toeroepen aan het getwist en de bitterheid zowel in het westen als in Klein-Azië, die hij in een nieuw Romeins Rijk probeerde te verenigen. De lering dat Jezus goddelijk is geworden maar niet als God werd geboren concentreerde zich rond een man genaamd Arius, die in het oosten leefde, het centrum van wat het Arianisme werd genoemd.

Na het over en weer uitspreken van veroordelingen (323-324) door de Arianen en de verschillende kerkelijke bijeenkomsten in Egypte, Palestina en Syrië, stuurde de Romeinse keizer Constantijn de 1ste, uit een verlangen naar eenheid en vrede, afgezanten om in het conflict te bemiddelen. Deze poging mislukte, en hij riep in mei 325 het eerste oecumenische (algemene) kerkconcilie van Nicea bijeen . . . om een eind te maken aan wat hij een ‘strijd over triviale en dwaze woordelijke verschillen’ noemde.4

Dit is om een aantal redenen van belang. Ten eerste was Constantijn noch een volwaardig lid van de Kerk noch een kerkelijke functionaris, en toch riep hij het eerste kerkconcilie van Nicea bijeen en de bisschoppen gehoorzaamden.5 Ten tweede had hij duidelijk geen idee van het belang van het onderwerp en dit maakte hem vatbaar voor beïnvloeding. Toen Arius verklaarde dat Jezus niet als een godheid werd ontvangen maar veeleer als mens werd geboren en tot godheid werd verheven, steunden zeventien bisschoppen hem in Nicea; de meerderheid was het hiermee echter oneens. Hij werd door Constantijn verbannen, zijn boeken en de geschriften van zijn volgelingen werden verbrand; en in een veelzeggende maatregel beval Constantijn dat de term Ariaans niet zou worden gebruikt maar dat de ideeën Porphyrisch moesten worden genoemd. Deze verwijzing, of die nu vernederend was bedoeld of niet, verbond Arius’ ideeën met Alexandrië en het neoplatonisme, en verbond de door Constantijn en de groeiende Kerk ondernomen daden met aanvallen op de wijsheidstraditie.

Het eerste concilie van Nicea was van grote betekenis. Het was een belangrijke stap in een voortdurend streven een formele religie te vestigen. Van groter belang is dat – omdat Constantijn het Romeinse Rijk opnieuw probeerde op te bouwen – kan worden aangenomen dat zijn behoefte om een eind te maken aan de toenemende religieuze verdeeldheid, die zich vooral in het oosten voordeed, enige invloed op de leer van de Kerk moet hebben gehad. Tenslotte kunnen we hieruit de behoefte van de groeiende Kerk aan politieke macht afleiden, want ze gehoorzaamde de bevelen van iemand die geen kerkelijke functionaris is om zo een beslissing te nemen over kritieke vraagstukken en gebruik te maken van de keizerlijke macht om deze te bekrachtigen. Constantijn verklaarde Jezus en God als een en dezelfde.

Zoals uitdrukkelijk gezegd, konden deze onderwerpen door andere kerkconcilies worden aangepast of veranderd. Aan de discussie over Jezus kwam niet een einde in Nicea maar deze hield meer dan honderd jaar aan. Sommige kerkconcilies herriepen de uitspraak van Nicea. De herroepingen en verschillende veranderingen van gedachten vonden plaats onder voortdurende politieke druk en gingen soms gepaard met wrede bedreigingen van verschillende keizers om de Kerk te dwingen tot het specifieke gezichtspunt van de betreffende vorst. Het was pas in 449 op het concilie van Epheze, een bijzonder gewelddadige bijeenkomst, dat men zich verplichtte de geloofsbelijdenis van Nicea te steunen. Tegenwoordig zeggen miljoenen christenen de Niceaanse geloofsbelijdenis op waarmee ze bevestigen dat Jezus werd ‘ontvangen en niet geboren’, waarbij ze zich misschien nooit afvragen wat de geschiedenis erachter is of wat het betekent. Het is van belang op te merken dat oprechte mensen door de geschiedenis heen hebben moeten worstelen met grote conflicten op hun innerlijke pelgrimstocht om de aard van het heilige te begrijpen. We moeten nu meer dan ooit inzien dat spiritualiteit uiteindelijk een innerlijke zaak is die niet door debat, religieuze organisaties of regeringen kan worden opgelost.

Het andere grote twistpunt in Nicea was om te beslissen over het voortdurende meningsverschil over wanneer Pasen moest worden gevierd. Het besluit werd genomen om de gebeurtenis te verbinden met de equinox, de redenen hiervoor waren ten dele om populair te zijn, bijvoorbeeld om meer aanhangers te winnen. De joodse heilige dagen waren niet alleen gebaseerd op een maankalender, maar ook verbonden met de equinoxen en de solstitia zoals met alle belangrijke heidense gebeurtenissen het geval was. Om te vermijden dat Pasen werd verward met de viering van het joodse paasfeest werd het huidige stelsel ingesteld. Deze regel geldt nog steeds in Het gebedenboek.

Waarom waren astronomische gebeurtenissen, maagdelijke goddelijke geboorten en de verrijzenis zo belangrijk? Zat er misschien meer achter deze onderwerpen dan politiek? Wisten een paar van de vroege kerkvaders iets meer daarover?

Maagdelijke geboorten en verrijzenissen worden overal aangetroffen, en zijn niet het exclusieve eigendom van één religie; ze verwijzen krachtig naar een boodschap van diepgaande betekenis, een algemene waarheid die voorkomt in alle religieuze, filosofische en mythologische tradities van de mensheid. In zijn boek The Hero with a Thousand Faces merkt Joseph Campbell op dat maagdelijke geboorten heel algemeen zijn:

Elk blad dat per ongeluk wordt doorgeslikt, elke noot, of zelfs de adem van een briesje kan genoeg zijn om de schoot die gereed is te bevruchten. De verwekkende kracht is overal. En overeenkomstig de grillen of de bestemming van dat moment kan er òf een held-verlosser òf een wereldverwoestende demon worden ontvangen – je kunt nooit weten.6

Verhalen over maagdelijke geboorte zijn vertrouwd en schijnen overal voor te komen ‘in allerlei gedaanten’. Wanneer een individu

de mensheid naar het dieptepunt van spirituele verlaging heeft gebracht, beginnen de occulte krachten van de cyclus uit zichzelf in beweging te komen. In een onopvallend dorp wordt het meisje geboren dat zich niet laat bezoedelen door de heersende fouten van haar generatie: een miniatuur onder de mensen van de kosmische vrouw die de bruid van de wind was. Haar schoot, die gelijk de oerdiepte blijft braak liggen, roept door de volledige gereedheid ervan de oorspronkelijke kracht tot zich die de leegte bevruchtte.7

Hij vervolgt:

Het verhaal wordt overal opnieuw verteld; en met zo’n treffende eensluidendheid van de hoofdlijnen dat de vroegchristelijke missionarissen gedwongen waren te denken dat de duivel zelf de spot dreef met hun leer waar ze ook aan het werk gingen.8

Vanuit Griekenland komt het verhaal over de maagdelijke geboorte van Adonis, die verrees na te zijn gedood door een wild zwijn. Adonis werd door de Feniciërs vereerd als een stervende en verrijzende god, en de Atheners vierden Adonia, een jaarlijks festival dat zijn dood en verrijzenis tijdens de midzomer symboliseerde.

Uit Amerika komt een opmerkelijk verhaal over de godmens Quetzalcoatl, verteld door de Azteken en de Maya’s. Hij had niet alleen een maagdelijke geboorte, maar hij werd evenals Jezus in verband gebracht met de planeet Venus, de morgenster. Daarnaast gebruikte de religie die zich rondom hem had gevormd het kruis als symbolische voorstelling. Evenals bij de mythen rond Jezus, zei Quetzalcoatl dat hij zou terugkeren om zijn koninkrijk op aarde op te eisen.

Uit het oosten horen we van de Boeddha die door maagdelijke geboorte in de wereld komt, een afdaling uit de hemel naar de schoot van Maya in de gedaante van een melkwitte olifant.

Hoe zit het met de verhalen over een verrijzenis? Ook deze komen algemeen voor. De Kanaänieten hadden hun Baäl – heilige leraar, Heer van het universum – die door monsters werd gedood en tot het eeuwige leven verrees. In Egypte werd Osiris door maagdelijke geboorte uit de goden geboren, en leerde de Egyptenaren hun kunsten en vaardigheden. Hij werd door zijn broer vermoord, en geholpen door zijn vrouw Isis stond hij op uit de dood. Er was een dag gereserveerd om Osiris en het idee van verrijzenis en eeuwig leven te vieren. Het Scandinavische verhaal van Odin heeft treffende gelijkenissen met het christelijke verhaal. Odin vertelt de lezer dat hij zich zijn eigen kruisiging herinnert waarbij hij uit de dood opstond: ‘Ik weet dat ik negen hele nachten in de door de wind geteisterde boom hing, vastgenageld met speren. Geofferd aan Odin, mijzelf aan mijn Zelf boven mij in de boom; en niemand weet waar de wortel van die boom ontspringt.’9 Naar het kruis wordt vaak verwezen als de boom van het leven.

Met zoveel verhalen over maagdelijke geboorte en verrijzenis moeten we wel tot de conclusie komen dat deze verhalen, ongeacht de vorm die ze aannemen of om welk volk het gaat, een universeel proces beschrijven. Maar wat is dat proces? Wat is de bestaansreden ervan? We missen het inzicht dat we kunnen verwerven uit de woorden van de christelijke paasmythe. In Mattheus (27:45-7) wordt het paasverhaal gedeeltelijk verteld:

Vanaf het zesde uur tot het negende uur heerste er duisternis over het hele land. En rond het negende uur riep Jezus met een luide stem en zei: Eli, Eli lama sabachthani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom heeft u mij verlaten? Sommige van de omstanders zeiden, toen ze dit hoorden: Deze man roept Elia.

Marcus (15:33-5) vertelt een soortgelijk verhaal en elke Pasen worden deze passages in elke christelijke kerk gelezen. Christenen zullen verrast zijn om te leren dat de Hebreeuwse woorden in strijd zijn met hun bijbelse vertaling. In zijn boek The Source of Measures [De oorsprong van de maten], geeft J. Ralston Skinner, een vrijmetselaar en kenner van het Oude en Nieuwe Testament, een gedetailleerde analyse. Wanneer het Hebreeuwse Eli, Eli lama sabachthani? wordt vertaald, heeft het de betekenis: ‘Mijn God, mijn God, hoe verheerlijkt u mij!’ Hij licht verder toe:

Maar zelfs nog meer, want hoewel lama waarom of hoe betekent, verbindt het als verbaal substantief het idee van schitteren eraan, of bijwoordelijk gebruikt, zou de zin kunnen lopen ‘hoe schitterend’, enz.

De passage was bedoeld als verwijzing naar Psalmen (22:1):

‘Mijn God, mijn God, waarom heeft u mij verlaten?’ Het Hebreeuws voor deze woorden van dit vers is

waarnaar de verwijzing juist is, en de interpretatie klopt en is correct, maar met een heel ander woord. De woorden zijn –

Eli, Eli, lamah azabvtha-ni?

Geen menselijk verstand, hoe geleerd ook, kan deze passage redden; het is duidelijk een onjuiste weergave; en als zodanig is het op het eerste gezicht een vreselijke klap voor de gepaste heiligheid van het verhaal. Er is slechts één, één enkele uitvlucht en dat is door onze toevlucht te nemen tot de mystieke bedoeling.10

H.P. Blavatsky, G. de Purucker en anderen hebben verdere toelichting gegeven op dit ingewikkelde thema van tegenstrijdige gedachten: verheerlijking tegenover verlaten worden. H.P. Blavatsky merkt op:

Gedurende tien jaar of meer werkten de bijbelherzieners (?), een heel indrukwekkende en gewichtige reeks geleerden uit het land, de grootste geleerden van Engeland in het Hebreeuws en het Grieks, met de bedoeling om de fouten en blunders, de zonden van weglating en toevoeging van hun minder geleerde voorgangers, de bijbelvertalers, te verbeteren. Gaat men ons vertellen dat niemand van hen het opvallende verschil tussen de Hebreeuwse woorden azabvtha-ni, in Psalm 22, en sabachthani in Mattheus heeft gezien; dat ze zich niet bewust waren van de opzettelijke vervalsing?

Want het was een ‘vervalsing’. En als ons naar de reden wordt gevraagd waarom de vroege kerkvaders hun toevlucht daartoe namen, is het antwoord eenvoudig: Omdat de sacramentele woorden in hun juiste weergave tot de heidense tempelriten behoorden. Ze werden uitgesproken na de vreselijke inwijdingsbeproevingen en lagen nog vers in het geheugen bij enkele van de ‘kerkvaders’ toen het Evangelie naar Mattheus werd overgezet in de Griekse taal. En tenslotte ook omdat veel van de hiërofanten van de mysteriën en vele andere ingewijden in die tijd nog leefden, en de juiste woordelijke weergave van de zin Jezus op één lijn zou stellen met de eenvoudige ingewijden. De woorden ‘Mijn God, mijn zon, u heeft uw straling over mij uitgestort!’ waren de laatste woorden die het dankgebed van de ingewijde besloten, ‘de zoon en de verheerlijkte uitverkorene van de zon’.11

Nu zijn we tot de kern van het onderwerp gekomen. Verborgen achter de verhalen over maagdelijke geboorte, dood, en verrijzenis zijn aanwijzingen van de werkelijke inwijdingsgebeurtenissen. Omdat de gebeurtenissen direct verband houden met de solstitia en de equinoxen, kunnen we een reden zien voor het verband tussen Pasen en de equinox. Bij deze gebeurtenissen is al het leven – het aardse en het kosmische – met elkaar verbonden. Wanneer de kandidaat succes heeft, staat de God op uit het uiterlijke en dode persoonlijke zelf. Dit wordt bedoeld met ‘opnieuw geboren worden’ – werkelijk een maagdelijke geboorte.

Op het geschikte moment van nieuwe maan wordt een kandidaat op een kruisvormige bank gelegd en het lichaam in een staat van trance gebracht alsof het dood is. Het bewustzijn van de kandidaat verlaat het fysieke lichaam en ondergaat twee belangrijke gebeurtenissen. De eerste is een confrontatie met niet alleen zijn eigen lagere natuur, maar ook met de diepten van de lagere natuur van de hele mensheid. Hij moet dit doen gescheiden van zijn eigen hogere zelf; en in dat geval zijn de woorden – ‘Mijn God, mijn God, waarom heeft u mij verlaten?’ of ‘Mijn innerlijke god, mijn innerlijke god, waarom bent u vertrokken?’ – heel toepasselijk. Als de beproevingen met succes worden doorstaan, en als de kandidaat tijdens het proces enig licht schenkt aan de wezens van de onderwereld, verrijst hij met volle maan om zich te verenigen met zijn of haar hogere natuur en de glorie van kosmisch leven te ervaren. Na deze vereniging en de verwezenlijking van kosmisch bewustzijn, zijn de woorden ‘Mijn God, mijn God, hoe verheerlijkt u mij’ toepasselijk. De tegenstrijdigheid van Hebreeuwse en Griekse termen in het bijbelse verslag verwijst naar ruimere perspectieven. In dit document zijn aanwijzingen verborgen over de equinoctiale inwijdingen.

Tegenwoordig ondergaat het christendom een hernieuwd en serieus onderzoek naar de wortels ervan. Indien dit succes heeft, zal dit ons ver voorbij de letterlijke interpretatie van een ‘onfeilbare’ bijbel leiden naar een verborgen universalisme dat strookt met oneindige goddelijkheid. Wanneer een religie ontstaat, zijn de eerste volgelingen ervan diegenen die door de oorspronkelijke inspiratie ervan worden getroffen. Terwijl de essentie van die inspiratie het best onbeschreven kan blijven, voelen ze de noodzaak om haar te bewaren en aan anderen door te geven. Tijdens dit proces kunnen minder geïnspireerde figuren gaan overheersen en, in plaats van de inspiratie in iedereen zelf aan te moedigen, wordt een voorgeschreven methode ingesteld en worden verplichte regels en geloofsovertuigingen – dogma’s – vastgesteld.

Het wezenlijke van Pasen is niet het verhaal van één individu verstrikt in maatschappelijke en godsdienstige onrust, die de doodstraf onderging en later uit de dood opstond. Het is het verhaal over een universele gebeurtenis die na levens van training, leidt tot een reeks van diepe bewustwordingen van een kosmische dimensie in ons dagelijks leven. In plaats van een eenmalige gebeurtenis, is inwijding tot op de dag van vandaag mogelijk wanneer de natuur en de mensheid de juiste voorwaarden verschaffen.

 

Noten

  1. The Book of Common Prayer, Oxford University Press, New York, 1944, blz. 1.
  2. A History of the Church Councils from the Original Documents, drie delen, door eerw. Charles Joseph Hefele, D.D., Edinburgh, 1894.
  3. The Oxford Companion to the Bible, red. Bruce M. Metzger en Michael D. Coogan, Oxford University Press, 1993.
  4. Encyclopaedia Britannica, I:518, 15de ed., 1974.
  5. Dit is de algemeen aanvaarde zienswijze. In A History of the Church Councils (I:9) stelt eerw. C.J. Hefele dat er geen geschreven bewijsmateriaal van Nicea aan ons is overgeleverd dat bevestigt dat de Paus werd geraadpleegd; maar, ‘de zesde oecumenische synode in 680 stelt uitdrukkelijk dat het concilie van Nicea bij elkaar werd geroepen door de keizer en Paus Sylvester’.
  6. The Hero with a Thousand Faces, door Joseph Campbell, Bollingen Series XVII, Pantheon Books, New York, 1953, blz. 311-12.
  7. Op.cit., blz. 308.
  8. Op.cit., blz. 309.
  9. The Masks of Odin, Wisdom of the Ancient Norse, Elsa-Brita Titchenell, Theosophical University Press, Pasadena, 1985, blz. 126.
  10. The Key to the Hebrew-Egyptian Mystery in The Source of Measures, J. Ralston Skinner, The Secret Doctrine Reference Series, Wizards Bookshelf, Minneapolis, 1975, blz. 301.
  11. H.P. Blavatsky: Collected Writings, Theosophical Publishing House, Wheaton, 1985, 14:147-8.
 
Andere artikelen over heilige jaargetijden
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency