Tsong-kha-pa: Wijsheid voor onze tijd
Alan E. Donant

 

Van de vele werken van de Tibetaanse meester Tsong-kha-pa zijn er wat populariteit en diepgaande invloed betreft maar weinige te vergelijken met zijn Grote verhandeling over de stadia op het pad naar verlichting (Lamrim chenmo), die al eeuwenlang door zowel beoefenaren als geleerden wordt gewaardeerd. Wat haar onderscheidt als een van de belangrijkste teksten van het mahayanaboeddhisme is haar omvang en helderheid. Ze verklaart het gehele pad, vanaf de manier waarop men dient te vertrouwen op een geestelijke leraar, wat de kern ervan vormt, tot het bereiken van het boeddhaschap, wat de uiteindelijke vrucht is. De verschillende stadia van het pad worden zó duidelijk en systematisch gepresenteerd dat ze gemakkelijk kunnen worden begrepen en ze inspireren om in praktijk te worden gebracht.       – Z.H. de Dalai Lama

De Engelse vertaling van Tsong-kha-pa’s De grote verhandeling over de stadia op het pad naar verlichting1 is een belangrijke gebeurtenis. Het grootste deel van haar 600-jarig bestaan was ze buiten Tibet en Mongolië weinig bekend, en nu wordt ze voor het eerst in haar geheel in een westerse taal gepubliceerd. Te oordelen naar het eerste deel is het geen wonder dat dit werk door de eeuwen heen de geest van Tibetanen uit alle lagen van de bevolking heeft gefascineerd. Uitzonderlijk en toegankelijk als het is, kan men op elk willekeurig punt erin duiken en vreugde eraan beleven.

Het boeddhisme werd uit India naar Tibet gebracht, maar in de 8ste eeuw van onze jaartelling, bijna honderd jaar later, moest het nog vat krijgen op de Tibetaanse geest. Er heerste in het land een krijgshaftige cultuur, in een imperium dat zich uitstrekte over Centraal-Azië, en een algemeen voorkomende en ongebreidelde neiging tot het ontwikkelen van mystieke vermogens. Op advies van een boeddhistische leraar liet keizer Trisong Detsen de grote Indiase meester Padmasambhava komen, die de Tibetaanse geschiedenis en beschaving hervormde door het denken van de mensen opnieuw te richten op de wijsheid en het mededogen van het boeddhisme.2 Maar na verloop van tijd verslapte de belangstelling van het volk en opnieuw richtten hun gedachten zich op natuurgeesten en paranormale vermogens, waardoor het boeddhisme zich vermengde met de inheemse bhönreligie.

Pas in de 14de eeuw begon de grootste boeddhistische leraar die Tibet heeft gekend zijn levenswerk: Tsong-kha-pa (1357-1419), stichter van de Gelug-pa sekte (Geelkappen), die nu de belangrijkste plaats inneemt en de oorsprong is van de tradities van de dalai- en panchen lama. Er wordt gezegd dat hij in visionaire ervaringen tal van persoonlijke instructies heeft ontvangen van Mañjusri (Sanskriet voor ‘de heilige, de schitterende’), een naam die gewoonlijk is verbonden met boeddha-bewustzijn en ook verbonden is met de geestelijke beschermers van de verschillende innerlijke en uiterlijke dimensies van de aarde. Deze uitspraak houdt in dat Tsong-kha-pa soms een kracht en bewustzijn belichaamde van de hoogste geestelijke orde. Daarom wordt hij in hoge mate vereerd en wekken zijn leringen het grootste respect.

In 1991 zette het Tibetan Buddhist Learning Center (Tibetaans Boeddhistisch Onderwijscentrum) zich aan de taak om zijn Grote verhandeling in zijn geheel in het Engels beschikbaar te maken, en bracht een groep bekwame vertalers bijeen. Dit eerste van de drie delen (de twee andere verschijnen volgend jaar) behandelt de aard van de studerende, de leringen en de leraar, meditatie, aandacht schenken aan de dood, karma, ethisch gedrag, lijden, en toevlucht in de drie juwelen. In zijn voorwoord noemt Robert A.F. Thurman het

de kern van het hele boeddhistische pad geconcentreerd uit de enorme oceaan van haar literatuur, geconcentreerd door de integratie ervan met de hoogste esoterische leringen van de tantra’s op elke afzonderlijke stap van de weg . . . zonder de oningewijde beoefenaar bloot te stellen aan het gevaar van formele tantrische praktijken. De manier waarop transcendentie wordt onderwezen, de manier waarop mededogen en de geest van verlichting worden onderwezen, en zelfs de manier waarop wijsheid wordt voorgesteld als het onverbiddelijk met elkaar verbonden zijn van leegte en relativiteit – dit alles maakt de kracht van tantra toegankelijk op een grootmoedige, karakterveranderende, en dynamische, maar veilige en gezonde, we zouden kunnen zeggen ‘faalveilige’, manier. Dit is het knappe van de ‘Grote verhandeling’. 
        – blz. 14-15

De eenvoudige maar krachtige visie die ze belichaamt kan iemands leven veranderen. Tsong-kha-pa’s presentatie berust op traditie; hij citeert uit veel boeddhistische bronnen die door de vertalers volledig worden vermeld. De hoofdstukken over de leringen en de leraar lijken misschien zelfs sektarisch:

Wil daarom iets een zuiver persoonlijke instructie zijn, dan moet het een bepaalde kennis verschaffen van de klassieke teksten. Hoe goed men deze ook zou leren, persoonlijk onderricht behoort alleen te worden verworpen als het niet een bepaalde kennis kan verlenen over de betekenis van Boeddha’s woorden en de grote commentaren daarover; of als het een weg aanduidt die daarmee in strijd is.
        – blz. 50

Het bevat niettemin principes die in elke grote religieuze traditie toepasbaar zijn. Tsong-kha-pa bespreekt leringen uit drie belangrijke boeddhistische scholen – Theravada, Mahayana en Vajrayana – steeds met nadruk op de zes volmaaktheden of paramita’s van het bodhisattvapad:

Het pad van de volmaaktheden vormt de kern van het pad dat leidt naar het boeddhaschap. Het is daarom ongepast die opzij te zetten. Zoals dit al vele keren is gezegd, zelfs in het Vajrayana, behoort het pad van de volmaaktheden tot zowel sutra als tantra . . . als u de paden verwerpt die samenvallen met het voertuig van de volmaaktheden, begaat u een grote fout.         – blz. 49

Omdat geen enkel deel van De grote verhandeling van meer betekenis is dan een ander, zijn de hoofdstukken over ‘de meditatiesessie’, ‘het wegnemen van misvattingen over meditatie’, en ‘aandacht schenken aan de dood’ waarschijnlijk van direct belang voor lezers van deze tijd. De uiteenzetting over het zich voorbereiden op de meditatie, bijvoorbeeld, geeft een veelomvattende visie:

Kies als onderwerp van meditatie niet de boeddha’s van één enkele richting in het universum of van een bepaalde tijd. Neem veeleer alle overwinnaars die wonen in alle tien richtingen, en ook zij die al eerder deze wereld hebben bezocht, die deze in de toekomst zullen bezoeken, en die nu verschijnen. . . . Stel je alle overwinnaars voor die in alle richtingen en tijden verblijven alsof je ze werkelijk waarneemt als voorwerpen in je denken. En als je neerbuigt, roep dan veelvuldige beelden van je lichaam op die uit je lichaam tevoorschijn komen, zo talrijk als de atomen uit de boeddha-gebieden. . . .
   . . . Er zitten zelfs boeddha’s op elk van die atomen en ze zijn even talrijk als die atomen. Elke boeddha is omgeven door bodhisattva- discipelen. . . .
   . . . Stel je voor dat ontelbare hoofden uit elk van je ontelbare lichamen voortkomen en dat ontelbare tongen voortkomen uit ieder hoofd. Veelstemmig eerbetoon brengt dan met mooi gezang de onuitputtelijke lofprijzing van de goede eigenschappen van de boeddha’s tot uitdrukking.      – blz. 95-96

Hierop volgt een beschrijving van de feitelijke meditatie en hoe deze moet worden volgehouden en afgesloten, en hij geeft verschillende redenen en aanwijzingen. Meditatie, zegt hij,

is de handeling om een onderwerp van meditatie en specifieke subjectieve aspecten vast te houden door herhaaldelijk je geest te richten op een heilzaam onderwerp van meditatie. Het doel daarvan is het volgende. Vanaf de beginloze tijd werd je beheerst door je denken; je denken werd niet door jou beheerst. Bovendien neigde je denken ertoe door kwellingen te worden verduisterd, enz. Daarom beoogt meditatie dit denken, dat de oorzaak is van alle fouten en gebreken, onder controle te brengen en daarna om het dienstbaar te maken. Dienstbaarheid wil zeggen dat je je denken naar wens kunt richten op een deugdzaam onderwerp van meditatie.      – blz. 99

Zelfs tussen de meditatiesessies door wordt de student aangeraden om

naar leringen om te zien die de betekenis onthullen van jouw onderwerp van meditatie, en dit steeds weer in de herinnering op te roepen. Verzamel op vele manieren al die dingen die gunstige omstandigheden zijn voor het voortbrengen van goede eigenschappen. Ruim eveneens op vele manieren de onduidelijkheden uit de weg die ongunstige omstandigheden zijn. Streef ernaar je te houden aan elke gelofte die je hebt afgelegd, door toe te passen wat je weet, want dit is de grondslag van alles.    – blz. 101

De manier om te beginnen is om

eerst samen met iemand te bestuderen wat je van plan bent te gaan doen, en dit dus uit de tweede hand te weten te komen. Maak vervolgens gebruik van heilige teksten en logisch redeneren om je zo goed mogelijk te bezinnen op de betekenis van wat je hebt bestudeerd en deze zo uit de eerste hand te leren kennen. Als je op die manier met deze studie en dit overdenken eenmaal de betekenis hebt vastgesteld van wat je oorspronkelijk wilde doen, en je niet meer twijfelt, maak dan door herhaling je ermee vertrouwd. Dit vertrouwd maken door herhaling noemen we ‘meditatie’. Men heeft dus zowel herhaalde ana- lytische meditatie als niet-analytische stabiliserende meditatie nodig, omdat meditatie zowel niet-analytische stabilisatie inhoudt als de betekenis van wat je oorspronkelijk van plan was te beoefenen, en waartoe je had besloten door onderzoek en nadenken en het gebruik van onderscheidend inzicht om deze betekenis te analyseren.    – blz. 109-110

Er is misschien geen onderwerp zo belangrijk in het leven als de dood. In De grote verhandeling is de bespreking praktisch en diepzinnig:

wat je grove vergankelijkheid betreft – en dat is je dood – is het heel verkeerd om te denken ‘ik ga niet dood’. Iedereen heeft het idee dat de dood pas later komt, aan het eind. Maar elke dag die voorbijgaat denken de mensen, ‘vandaag ga ik niet dood; vandaag ga ik niet dood’, en houden aan deze gedachte vast tot het moment dat ze overlijden. Als je door zo’n houding wordt gekweld en de remedie je niet te binnen schiet, zul je blijven denken dat je dit leven zult voortzetten.

Kortom, de enige tijd dat wezens hun doelstellingen kunnen realiseren is nu, nu je een bijzonder leven hebt bereikt met voldoende tijd en kansen . . . Zelfs als je de omstandigheden hebt verworven die je in staat stellen de leringen in praktijk te brengen, is de reden dat je dit niet op de juiste manier doet de gedachte ‘ik zal nu nog niet sterven’.
   Daarom is de gedachte dat je niet zult sterven de bron van alle achteruitgang, en het middel daartegen is te denken aan de dood, de bron van alles wat voortreffelijk is.

Zelfs al kon je de langst denkbare tijd blijven leven . . . dan zou het verkeerd zijn te denken dat je tijd genoeg hebt. Een groot deel van je leven is nu al verspild. De helft van wat overblijft zal worden besteed aan slapen, en veel van de tijd dat je wakker bent zal worden verknoeid aan andere dingen die je afleiden. Dan, naarmate de jeugd verdwijnt, komt de tijd van het ouder worden. Je fysieke en mentale kracht gaan zodanig achteruit dat zelfs als je je religieuze overtuiging wilt praktiseren, je het vermogen mist om dat te doen. Daaruit volgt dat je niet meer dan een paar kansen hebt om de leringen in praktijk te brengen.         – blz. 145, 147, 152-3

Voor sommigen was het centraal stellen van het lijden in het boeddhisme een hinderpaal; voor velen is ‘het streven naar geluk’ immers de kern van hun leven. Maar, door heel De grote verhandeling heen vraagt Tsong-kha-pa ons na te denken over wat werkelijk is en wat niet. Met werkelijk bedoelt hij blijvend, en het is duidelijk dat niets duurzaam is – onze bezittingen niet, onze vrienden niet en onze posities niet. Als we deze vergankelijkheid gaan inzien, ontdekken we dat we ons vertrouwen hebben gesteld in dingen die zullen verdwijnen, zelfs als we denken dat dat niet zo is. Als dat toch gebeurt, lijden we. We zullen moeten erkennen dat lijden en geluk hand in hand gaan als we besluiten te geloven dat het onwerkelijke het werkelijke is.

Door heel de verhandeling heen worden we voortdurend eraan herinnerd dat het bodhisattvapad en mededogen ons doel zijn. Het is niet zozeer wat er wordt gezegd, noch hoe het wordt gezegd dat zo ontroerend is, maar veeleer dat men het gevoel heeft dat men tegenover een edele leraar zit, waarbij de lessen en zegeningen even talrijk worden als de kleinste deeltjes in de rijken van de boeddha’s.

 

 

Noten

  1. The Great Treatise on the Stages of the Path to Enlightenment, deel 1, vertaling in het Engels door de Lamrim Chenmo Translation Committee, Snow Lion Publications, Ithaca, NY, 2000; 434 blz., isbn 1559391529. Zie Sunrise mrt/apr 2006, voor een bespreking van deel 2, en Sunrise herfst 2007 voor een bespreking van deel 3.
  2. The Dalai Lama’s Secret Temple, Ian Baker en Thomas Laird, blz. 49.
 
Andere artikelen over boeddhisme
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 2002

© 2006 Theosophical University Press Agency