John P. Van Mater, die jarenlang artikelen heeft
bijgedragen aan Sunrise, is op 25 maart 2002 na een langdurige ziekte
overleden. Hij werd in 1917 geboren in Vallejo, Californië, en
kwam in 1937 naar het Internationale Hoofdkwartier van de Theosophical
Society toen dat in Point Loma, Californië, was gevestigd. Hij
studeerde aan de Theosophical University en behaalde een bachelorsgraad
in Engelse literatuur. Van 1942 tot 1948 was hij Secretary General
van de TS, en van 1948 tot 1982 was hij hoofd van de Amerikaanse afdeling.
In 1972 benoemde Grace F. Knoche hem tot hoofdbibliothecaris van de
Theosophical Library in Altadena, Californië, die in dat jaar
voor het publiek werd geopend. Daar ontwierp hij een nieuw systeem
om de collectie geografisch en historisch te catalogiseren. Bezoekers
van de bibliotheek herinneren zich de vriendelijkheid, de humor, en
de intellectuele diepgang van John; hij hield van mensen, en het was
hem een genoegen zijn brede belangstelling voor theosofie, literatuur,
geschiedenis, en wetenschap met anderen te delen. In 1979 begon hij
aan de voorbereiding van een uitgebreide Index voor The Secret
Doctrine [De Geheime Leer], die in 1997 werd uitgegeven. In de
loop van de jaren schreef hij tientallen artikelen voor theosofische
tijdschriften – alleen al meer dan honderd voor Sunrise
– en hield vele openbare lezingen. Het volgende artikel, geredigeerd
uit een van zijn lezingen, wordt herdrukt uit de Sunrise
van maart/april 1998. – Red.
Dood is niet het tegenovergestelde van leven. Integendeel, het is een
verandering van bewustzijn, een andere manier van leven, een gang van
zaken die in principe dezelfde is bij zowel heelallen als atomen. In
De Vier Heilige Jaargetijden spreekt G. de Purucker over mensen
als ‘kinderen van de zon, kroost van de sterren’. Dit is
een prachtig idee, niet alleen vol poëzie en magie, maar daarnaast
met een diepzinnige filosofische betekenis. Wij mensen worden geboren
als kinderen van het heelal, leiden ons leven, sterven en worden volgens
de oude overlevering na verloop van tijd opnieuw geboren.
Om verschillende redenen is het bewustzijn van de tegenwoordige mens
in de val gelopen door stilzwijgend aan te nemen dat de mensheid en
de andere natuurrijken op aarde door toeval zijn ontstaan. Velen nemen
aan dat, terwijl organische wezens levend zijn, al het andere levenloos
is, waaronder onze aarde en de andere planeten; en dat onze prachtige
Vader Zon, die zijn geweldige energieën uitstort, zijn stelsel
en de planetenfamilies voedt, eveneens niet meer dan een fysisch verschijnsel
is, niet bezield door bewustzijn, intelligentie of een of ander soort
leven. Zulke ideeën zouden onze voorvaderen met afschuw hebben
vervuld; zij beschouwden alles, atomen, mineralen, planten, dieren en
mensen, ook de planeten en zonnen, de krachten die ze bezielen en de
wetten waaraan ze zijn onderworpen, als levend. Alle eenheden en stelsels
zijn volgens hen levend, ieder op zijn eigen manier en op zijn eigen
niveau.
Weliswaar openbaart het leven zich organisch in de planten, dieren
en mensen – en op aarde gebeurt dat op een unieke manier –
maar is dat een reden om het elektron dat rond zijn kern draait, de
kristallen die sneeuwvlokken vormen, de bliksem, de regen en de wind
of de majestueuze nevelvlekken die voortwentelen in de kosmische tijd
en ruimte, als levenloos te beschouwen?
Iedere eenheid van leven – atoom, mens, ster – heeft in
haar diepste innerlijk een goddelijke vonk die één is
met de goddelijke overziel, het universele bewustzijn, en ze zijn alle
bezig aan een ontwikkelingsproces dat een ontelbare reeks wederbelichamingen
beslaat. In de loop van deze evolutie worden de mogelijkheden ontvouwd
die in ieder aanwezig zijn. Tot nu toe hebben wij mensen ontwikkeld
wat ons tot mens maakt; we zijn in het mensstadium. De planten zijn
planten om dezelfde reden. Een zon, het levende hart van het stelsel,
heeft ontvouwd wat hem tot een zon maakt. Maar alle wezens, groot en
klein, vormen het netwerk van levens waardoor het universele wezen zich
tot uitdrukking brengt en waarvan wij allen een integrerend deel zijn.
De mens is een heelal in het klein, soms een microkosmos van de macrokosmos
genoemd. Als we de mens nader bekijken, zien we dat atomen, moleculen,
chemische verbindingen, weefsels, organen, vloeistoffen, spieren en
zenuwen samen de eenheid van het fysieke aspect van onze kleine kosmos
vormen. Hoe is het gesteld met de even werkelijke, maar meer metafysische
innerlijke activiteiten en substanties en krachten? Wie is Frans Smit:
het lichaam, de persoon of beide? Wanneer hij slaapt is er het lichaam,
maar waar is Frans? Wie ademt voor hem terwijl hij slaapt? In al die
zaken moet de hele persoon worden beschouwd; de werkelijke en oorzakelijke
kanten van alle wezens zijn de innerlijke aspecten, de delen die onzichtbaar
blijven tot een soort communicatie of activiteit zich voordoet die we
met onze beperkte zintuigen kunnen waarnemen. Naar analogie moet voor
het heelal hetzelfde gelden.
Is het heelal of het zonnestelsel grotendeels lege ruimte? De wetenschap
bevestigt dat onze zonnewereld boordevol licht, magnetisme, zwaartekracht
en allerlei fysische energieën en activiteiten is. En als onze
zon, zoals alle stelsels in de natuur, de belichaming van een bewustzijn
is, moet onze zon het kloppende en bezielende hart zijn van een zonnelichaam
dat zich tot voorbij de verste planeet uitstrekt – een gebied
dat even vol met fysische en metafysische krachten en bewustzijnen en
circulaties is als onze menselijke ruimte of ons lichaam. Zijn er circulaties
van de magnetische levenskrachten van de zon die analoog zijn aan het
regelmatig pulserende bloed in onze aderen en slagaderen? Reinigen wij,
druppels menselijk bewustzijn, ons periodiek door het zonnehart te passeren?
Dat leren de oude overleveringen.
Hoe is een mens samengesteld? De christelijke verdeling in lichaam,
ziel en geest wordt in oosterse filosofieën vaak uitgebreid tot
vijf of zeven aspecten. Het lichaam, bijvoorbeeld, kan als drie afzonderlijke
aspecten worden beschouwd: het fysieke lichaam, een astraal of modellichaam
waar het fysieke omheen wordt gebouwd en bijeengehouden, en de levenskrachten
die het bezielen.
De ziel bestaat uit onze mentale en gevoelselementen, het strijdperk
van het menselijk bewustzijn. De ziel van de mens is tweeledig: het
ene ogenblik geeft ze toe aan grove instincten en een volgend moment
stijgt ze boven zichzelf uit door grootmoedige en onzelfzuchtige daden.
Deze tweeledigheid komt voort uit het feit dat de ziel enerzijds met
geest is verbonden en anderzijds met de lichamelijke aspecten.
De geest, de wezenlijke kern van ieder mens, is een goddelijke vonk,
het ware of goddelijke zelf; dit goddelijke zelf heeft zich omringd
met een sluier – het geestelijke, intuïtieve beginsel dat
ons in onze betere ogenblikken overschaduwt. Op die manier zien we een
mens die uit lichaam, ziel en geest is samengesteld.
De dood wordt een volmaakte slaap, en de slaap een onvolkomen dood
genoemd. We zijn niet bang ons ’s avonds aan de slaap toe te vertrouwen:
we doen afstand van ons gewone bewustzijn en staan verfrist weer op.
Met de dood is het net zo. Een mens leeft, wordt oud en sterft –
dat wil zeggen, zijn bewustzijn trekt zich terug en de lichamelijke
aspecten worden afgeworpen – en na een rustperiode wordt de ziel
naar de aarde getrokken om weer geboren te worden. Zijn ontwikkeling
als menselijke ziel gaat dus van leven tot leven door. De periode na
de dood duurt vanaf de laatste hartslag tot het reïncarnerende
wezen een volgende incarnatie zoekt – het is met andere woorden
de tijd tussen twee levens, een periode van assimilatie en herstel.
Een geleidelijke scheiding van de verschillende aspecten van de mens
gaat maanden of zelfs jaren vooraf aan de normale dood die het gevolg
is van een zich terugtrekken van de hogere beginselen van de mens. Dit
gaat vaak, maar niet altijd, gepaard met sommige verschijnselen die
we in verband brengen met ouderdom. Tenslotte veroorzaakt de aantrekking
van het ego naar het geluk van de innerlijke werelden dat het koord
breekt dat het verbindt met zijn astrale en fysieke lichaam. In de hersenen,
het laatste orgaan dat sterft, begint een panoramische terugblik op
het leven, soms vóór het hart is opgehouden met kloppen.
Bij hoogbejaarden kan die terugblik met tussenpozen weken voor de werkelijke
dood beginnen. Dat het leven aan het geestesoog voorbijtrekt hebben
letterlijk honderden mensen verklaard die na een bijna-dood zijn teruggekeerd;
ze hebben verteld dat hun leven aan hen voorbijtrok.
Na de panoramische terugblik volgt een periode van bewusteloosheid.
De hogere geestelijke kanten van onze natuur beginnen zich los te maken
van de emotionele, astrale en fysieke delen. De dood is dus een zich
geleidelijk terugtrekken van het menselijk bewustzijn uit zijn verschillende
lichamelijke aspecten. De fysieke delen en de levenskrachten keren dan
naar de natuur terug. Tijdens dit ontbindingsproces zijn de meeste mensen
zich niet of slechts gedeeltelijk bewust van wat er gebeurt. De duur
van deze fase is afhankelijk van de persoon. De geestelijk ingestelde
mens zal er snel doorheen gaan; de doorsnee mens kan een maand, een
jaar of misschien zelfs langer in deze toestand verkeren; een slecht
of grof mens daarentegen, die een leven lang zijn aandacht heeft gericht
op de lagere emoties en lichamelijke lusten, heeft misschien meer moeilijkheden
en voor hem kan het scheidingsproces tientallen jaren duren.
Een aantal religies vermeldt deze toestand als de hel, het vagevuur,
of met een gelijkwaardige term. Helaas hebben sommige kerkelijke instituten
geprobeerd hun volgelingen angst aan te jagen en gezegd: ‘Pas
op! Je komt nog in de hel en daar zal je blijven tenzij . . .’
Het is onvergeeflijk angst in te boezemen om gehoorzaamheid aan bepaalde
voorschriften en dogma’s af te dwingen – angst, terwijl
er voor de meeste mensen niets is om te vrezen.
De bevrijde menselijke ziel die deze lagere kanten van zichzelf achterlaat,
leeft in de meest geestelijke en hogere verstandelijke eigenschappen
van zichzelf. Deze toestand komt overeen met de hemelen van verschillende
geloofsvormen. Het dromende bewustzijn van de mens trekt zich terug
in het geestelijk zelf, de Vader in ons, en weeft de vervulling van
al zijn hoogstaande onvervulde aspiraties en verlangens. De mens is
geheel onbewust van iets anders dan wat hij ervaart en dat voor hem
onvergelijkbaar werkelijk is. In het geval van de geestelijk verst gevorderde
mensen kunnen deze dromen grenzen aan nirvana: het bewustzijn is dan
zover ontwikkeld dat zijn dromen de hoogste werkelijkheid benaderen.
Er zijn evenveel hemelen als er mensen zijn omdat het een droomtoestand
is. De in deze toestand doorgebrachte tijd kan inderdaad erg lang zijn
– wel honderd keer de lengte van het zojuist geleide leven.
Tegelijkertijd gaat het geestelijk zelf – dat de dromende menselijke
ziel als het ware onder zijn vleugel draagt – langs de circulaties
van de kosmos via de hogere aspecten of sferen van de aarde; vervolgens
naar buiten door de heilige planeten heen, misschien zelfs naar de zon,
en ontdoet zich in iedere sfeer van die aspecten van zichzelf die bij
die sfeer horen. Daarna keert het langs dezelfde wegen terug en neemt
geleidelijk de aspecten weer op die het eerder had afgelegd.
Tegen het einde van deze rondreis begint het slapende menselijke bewustzijn
zich te roeren. Impulsen, verlangens om te reïncarneren komen in
het bewustzijn op en de incarnatieprocessen vangen aan. De ziel wordt
naar de aarde getrokken om zich te voegen bij hen met wie ze banden
uit het verleden heeft. Alle oude emotionele en mentale eigenschappen
die eerder zijn afgeworpen worden weer samengebracht en er verschijnt
een nieuwgevormde persoonlijkheid met talenten en vermogens en zwakheden
die precies de inspanningen in vroegere levens weerspiegelen. De ziel
zoekt een ouderpaar met wie ze karma heeft uit te werken – vaak
fantastisch karma, want de normale toestand van de mens in een gezin
is vol sterke banden van liefde. Uit de genetische eigenschappen van
de ouders kiest ze de combinaties die aan haar karmische behoefte voldoen
– van onze ouders erven we niet ons zelf. We zijn
onszelf. Tenslotte wordt een kind geboren dat letterlijk ‘wolken
van glorie met zich meevoert’, geestelijk verkwikt, psychisch
rein in de nieuwe persoonlijkheid die het voor zichzelf heeft opgebouwd.
Plato en anderen vermelden het feit dat er vóór de incarnatie
een vooruitblik is – een panorama waarin men een glimp ontvangt
van het komende leven – om de karmische rechtvaardigheid te openbaren
van alles wat zal plaatsvinden. Vervolgens komt de vergetelheid: de
Grieken zeiden dat we drinken van de wateren van Lethe, de ‘vergetelheid’.
Dit betekent eenvoudig dat wanneer de ziel reïncarneert, ze nieuwe
fysieke hersenen heeft. Omdat we nog betrekkelijk onontwikkeld zijn,
is ons geheugen gebonden aan het fysieke brein en we kunnen nog niet
boven die beperking uitstijgen. Daarom herinneren we ons onze vorige
levens niet, of slechts kortstondig. Maar we zijn zelf de beste herinnering
aan ons verleden, want we zijn ons verleden, we zijn wat we van onszelf
hebben gemaakt. Welke herinnering zouden we beter kunnen hebben?
Bijzonderheden over de toestanden na de dood kunnen we vinden in de
religieuze literatuur van de wereld, bijvoorbeeld in Het Egyptische
Dodenboek, dat het verhaal is over de toestanden na de dood en
over inwijding; in gedeelten van de Republiek van Plato en
de Aeneis van Vergilius en in de Goddelijke Komedie
van Dante; en in Het Tibetaanse Dodenboek. Hoe is men oorspronkelijk
tot deze leringen gekomen, kunnen we vragen? De processen na de dood
vinden achter de sluier van de zichtbare wereld plaats. Hoe kon iemand
dan hebben vastgesteld wat er gebeurt? Deze oude overleveringen vertegenwoordigen
de verzamelde wijsheid van ontelbare generaties hoogontwikkelde mensen
– boeddha’s, christussen, bodhisattva’s, adepten –
edele menselijke zielen die zijn geëvolueerd tot het punt dat ze
bewust de doodervaring konden ondergaan en hun scherp waarnemende bewustzijn
in de innerlijke werelden zenden. Dit wordt bedoeld met inwijding, waarvan
deze grote mensen bekleed met de zon terugkeerden, stralend met een
gouden luister, en waarbij de goddelijke eigenschappen in hen volledig
tot ontplooiing waren gekomen.
Wij mensen zijn een deel van de levende aarde en in onze hogere aspecten
zijn we evenzeer zonnewezens. In ons diepste innerlijk is er een goddelijke
vonk, onze wortel, en het thuis dat deze omringt is het uitgestrekte
heelal zelf. Daarom zijn we inderdaad ‘kinderen van de zon, kroost
van de sterren’. Wanneer iemand sterft, zorgen de milde en rechtvaardige
wetten van de natuur goed voor de overledene. Zij die achterblijven
lijden. Dat is niet het moment voor diepzinnige filosofie. Het is een
tijd voor liefderijke steun – misschien zonder woorden, maar diepgevoeld.
Voor wie in reïncarnatie gelooft is er de wetenschap dat de dood
een volmaakte rust is en dat we hen die we liefhebben niet kunnen verliezen.
In toekomstige incarnaties zullen we oude banden vernieuwen en ze zullen
zelfs nog meer betekenis krijgen. Omdat het hart van de natuur meedogende
liefde is, kunnen we het leven en de dood zonder angst en met vertrouwen
tegemoettreden.