Universele broederschap – feit of fictie
Rune E. Goop

 

Broederschap is goed ongeacht waar en wanneer ze in praktijk wordt gebracht, maar als men al de oorlogen in aanmerking neemt die om ons heen woeden, en de explosies van geweld die onder de sterren zouden plaatsvinden, hoe kan de Theosophical Society dan als haar voornaamste lering verkondigen dat broederschap universeel is? Hoe kan men bewijzen dat het geen idealistische, utopische fantasie is, maar iets werkelijks? Zulke gedachten hielden mij op een dag bezig toen ik een bezoek bracht aan mijn vriend de filosoof Melis van der Eijk, die ten noorden van San Francisco in een gezellig huis woont dat over de Grote Oceaan uitkijkt. Hij is een gepensioneerd elektrotechnisch ingenieur en heeft zijn hele leven gestudeerd in De Geheime Leer, en in de werken van Spinoza en Jakob Boehme. Bij een kopje geurige pepermuntthee had Melis niet één maar vele antwoorden gereed:
        ‘Alles wat bestaat, of het nu bewustzijn is of stof, is geworteld in een onpeilbare, transcendente, allesdoordringende, doelbewuste heelheid die de oorsprong is van de evolutie en niet, zoals de wetenschappers misschien denken, het eindproduct ervan. Regelmatig openbaart deze het hele universum, waartoe ook wij mensen behoren, met bewustzijns- en levensstromen die door alle rijken lopen – de goden, alle mensen en de lagere rijken, waaronder de atomen van het fysieke universum die ze allemaal naadloos met elkaar verbinden. Zo is iedereen een onafscheidbaar deel van het heelal, niet alleen fysiek, maar ook psychisch en spiritueel. Er is geen afgescheidenheid of enige lege ruimte waar dan ook.
        Bewustzijn in al zijn verscheidenheid doordringt alles, en daartoe behoren al onze verschillende soorten geest – de monadische geest, de zielengeest en de denkende geest – op dezelfde manier zoals bijvoorbeeld elektriciteit is opgeslagen in een batterij. In het binnenste van elke geest woont altijd een natuurlijk besef van goddelijke ethische principes, omdat onze monadische geest – onze zelfkennende, meest innerlijke vonk van het absolute – die door de denkende geest niet wordt gekend, zijn wijsheid als intuïtie uitstraalt naar de zielengeest. De mogelijkheid om toegang te krijgen tot deze hogere geest is altijd aanwezig, maar de mate waarin dit gebeurt hangt af van ons karma, onze steeds hogere ethische normen en ons geweten.
        Gedurende elke incarnatie, of bij de wedergeboorte, hebben wij mensen het voorrecht om deze heilige wijsheid te laten binnenkomen, niet als iets nieuws maar als een herinnering aan wat we als monaden gedurende de eeuwigheid zijn geweest, begrijp je?’
        ‘Begrijp je?’ is een van de favoriete uitdrukkingen van Melis, en geen wonder – hier was zoveel om over na te denken, maar er was meer. Melis vervolgde:
        ‘In elk mensenhart is een honger naar iets waarachtigers dan waarvan we ons gewoonlijk bewust zijn, een dorst naar wat echt is, naar het verhevene, naar wijsheid, vrede, liefde, schoonheid, en gelijke behandeling, naar een wereld van wederzijds begrip en universele vriendschap. Het is een nostalgie, een verlangen, een heimwee teweeggebracht door de herinnering van de ziel aan de plek waar we vandaan zijn gekomen, onze oorspronkelijke spirituele verblijfplaats waarheen we op de terugreis zijn.
        Universele broederschap is in feite het pad waardoor we allemaal in contact komen met het hart van het universum, en wijzelf – ons eigen innerlijke wezen, ons spirituele zelf – vormen het pad naar alle mysteries en wonderen van grenzeloze oneindigheden! Om dit pad te gaan is een rein hart vereist, een zuivere geest, en een scherp intellect. Met vakkundigheid, wijsheid, intuïtie, een besef van ethische normen, liefdevolle vriendelijkheid, en een intens verlangen naar werkelijke vrede kan de wereld worden veranderd in een rijk van liefde, schoonheid, vrede, gelijkheid en vrijheid.
        Omdat alle wezens, van de kleinste tot de grootste, op een of andere manier onze broeders, zusters, zonen, dochters, moeders, vaders en kinderen zijn geweest, nu zijn, of in de toekomst zullen zijn, verdienen zij onze oprechte liefdevolle vriendelijkheid en diep mededogen. De uitspraak van Matthew Arnold:


Ja!, als op een eiland in de levenszee, . . .
Leven wij miljoenen stervelingen, alleen.


is gebaseerd op een misvatting. Hoewel we ons soms misschien alleen voelen, zijn we geen afzonderlijke, verbannen, verweesde vreemdelingen!
        De uitdrukking universele broederschap drukt de essentiële kwaliteit van ons hele bestaan kernachtig uit. Maar universele broederschap is allesbehalve een onlogisch product van de geest, ze is een feit, als een noumenale subjectieve waarheid en ook als een objectief verschijnsel in de werkelijkheid. Ze is de bron, niet alleen van ons geweten, maar ook van intuïtie, instincten, verreikende herinneringen, en de aangeboren drang naar verbetering. Ze is de enige weg om te groeien naar volledig eenheidsbewustzijn – begrijp je?’
        Ja, ik begreep het! Ook al denken we soms van niet, het universum is door en door goddelijk, met onvoorstelbare mogelijkheden. Het voelde goed te weten dat schepping, vanuit het hoogste punt door al haar manifestaties heen, een onpeilbare kern van neerwaarts stromende liefde en volmaaktheid in zich had.
        Ik bedankte Melis dat hij me zoveel had gegeven om over na te denken, en voor de inspiratie om dit te kunnen doen. Na een laatste blik op de Grote Oceaan, toen de ondergaande zon over het oppervlak ervan een glinsterend, gouden pad wierp naar het hart van de zon, keerde ik huiswaarts en wilde, net als de oceaan, het firmament doen weerspiegelen dat Melis in zulke schitterende bewoordingen aan mij had geopenbaard.

 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency