Indiana, USA, 10 februari 2002
Ik heb zitten nadenken over onze geliefde hond Bosco en over mijn worsteling
met een verschrikkelijke beslissing: haar al of niet laten inslapen.
Hoewel de omstandigheden mij een bepaalde weg deden inslaan, wil dat
niet zeggen dat die voor iedereen geldt. Toch vertel ik dit verhaal
in de hoop dat een groter vertrouwen en ruimere visie ten opzichte van
een natuurlijke dood mogelijk is.
Bosco was een slordig uitziende langharige bastaardherdershond die
een uitstraling had waardoor iedereen onmiddellijk van haar hield. Mijn
man en ik hebben haar als puppy uit een dierenasiel gehaald en beschouwden
haar als onze eerstgeborene; ze was voor ons een echt gezinslid. Tien
jaar en twee gezinsuitbreidingen later besloten we te verhuizen naar
een andere staat waar we meer het leven konden leiden zoals we ons dat
hadden gedroomd. Helaas moesten we Bosco tijdelijk achterlaten bij mijn
ouders. Een half jaar later hebben we Bosco opgehaald, alleen maar om
na een paar maanden te ontdekken dat ze lymfklierkanker had.
Ik kan me nog die ellendige dag herinneren dat ik haar van de dierenarts
naar huis bracht met het hartverscheurende nieuws van haar ongeneeslijke
ziekte. Terwijl ik de hevige emotie ondervond en ontsteld was, werd
ik me bewust van de moeilijke beslissingen waarvoor ik zou komen te
staan. Omdat ik altijd tegen euthanasie bij mensen was geweest, was
ik van mening dat hetzelfde voor dieren zou moeten gelden; als het voor
mensen verkeerd was, hoe kon het dan juist zijn voor dieren? Zou het
leven voor hen niet even kostbaar zijn als het voor ons is? Zou de goddelijke
wet in haar barmhartigheid niet voor dieren zorgen zoals ze dat voor
de mens zou doen?
Toch had ik grote bedenkingen om een pijnlijk stervensproces op zijn
beloop te laten. Nu ik voor de werkelijke beslissing kwam te staan,
was ik toch niet zo zeker van mijn overtuiging. Steeds had ik tegenover
me het geloof van de samenleving dat het juist en barmhartig was haar
te laten inslapen om onnodige pijn te vermijden. Maar stel dat dan pijn
en ongemak noodzakelijk zijn in de ruimere zienswijze van leven en dood
die we nog niet hebben begrepen? Al deze vragen draaiden constant rond
in mijn hoofd. Mijn man liet de beslissing helemaal aan mij over en
de enige beslissing die ik kon nemen was één dag tegelijk
te bekijken en elke innerlijke aanwijzing te volgen zoals die zich aandiende.
Om haar moeilijkheden wat te helpen verlichten, gebruikte ik de Bach
bloemenmedicijnen hoewel ze nooit de symptomen vertoonde die de dierenartsen
beschrijven. Naarmate haar toestand echter verslechterde begon de strijd
van verstand en hart zwaarder op mij te drukken. Ze was een middelgrote
hond en ik wist dat als ze niet naar buiten kon voor haar behoefte ik
haar niet zou kunnen dragen. Maar hoe kon ik een binnenhuishond midden
in de winter buiten laten, onbeschut in een veel kouder klimaat dan
waaraan ze was gewend? Beide mogelijkheden waren onacceptabel –
feitelijk waren alle opties die ik voor me zag onacceptabel!
Op een dag zat ik op de grond Bosco gade te slaan die een klein eindje
verder lag en vroeg me af hoe het met haar pijn was gesteld en of ik
er goed aan deed haar in leven te houden. Het arme dier krabbelde met
grote moeite overeind, alleen maar om wat dichterbij te komen en gewoon
vlak bij me te liggen. Toen had ik mijn antwoord. Ik kon de situatie
door haar ogen zien. Het deerde haar niet dat ze pijn leed; van belang
was dat ze naast me lag. Iedere minuut bij haar baasje was een vreugde
voor de ziel die ik haar niet kon ontnemen. Ik nam definitief een besluit
om mijn hond toe te staan onder mijn hoede een natuurlijke dood te sterven,
ongeacht wat er ging gebeuren.
Toch brak al spoedig de dag aan dat ze niet meer met mijn hulp naar
buiten kon komen. Ik moest vertrouwen hebben en haar aan moeder
natuur en de goddelijke wet overlaten, want alle andere wegen waren
afgesloten. Ik legde een klein stuk overgebleven karpet op het gras
vanwaar ze naar binnen kon kijken en hielp haar voor het laatst naar
buiten. Het was een mooie decemberochtend, helder en stralend, en de
zon scheen op ons van over de bergen in de verte. Het was niet al te
koud zodat ik enige tijd bij haar buiten kon blijven toen ze op het
karpet lag. Ze was nu zo ver dat ze alleen nog maar op haar zij kon
liggen. Ze at een beetje en wat later deed ze haar behoefte zonder dat
ze zelfs nog overeind kon komen. Ik deed de dingen waar ik voor kon
zorgen en stond mezelf niet toe te denken aan wat daarna kon gebeuren.
Kort daarna kwam er, toen ik naast haar zat, een geluid van verstikking
uit haar keel. Omdat ik haar niet in paniek wilde laten geraken, legde
ik mijn hand opzij van haar kop en fluisterde: ‘Vecht er niet
tegen’. Ze bewoog of worstelde niet, maar lag daar vredig en stierf.
Een hele poos maakte ik geen beweging en deed niets. Ik zat alleen maar
naast haar, ten dele in een shocktoestand, deels uit ontzag voor het
hele proces – stil en verlamd door de pure diepte van het innerlijke
geestelijke drama dat zich net had afgespeeld tussen baasje en hond.
Die middag hebben we haar laten cremeren en een paar dagen later haar
as verstrooid aan de voet van een waterval.
Tot slot wil ik nog zeggen dat we allemaal steeds meer ernaar moeten
streven om vertrouwen te hebben in de processen van leven en dood; dat
de goddelijke wet in haar werkingen voor allen een doel heeft en vol
mededogen is. Het is niet aan ons om te zeggen wat moet leven of sterven,
of dat pijn en strijd niet nuttig zijn, want we hebben geen inzicht
in het grotere functioneren van de dingen. Maar laten we vertrouwen
hebben en de moed vinden om te laten leven en te laten sterven wanneer
de innerlijke geest dat wenst. – Doreen Melbrod
Nederland, 27 februari 2002
Als we willen proberen de andere oever te bereiken, zoals Heer Boeddha
ons heeft opgedragen, dienen we de vele wegen te bestuderen die deze
grootse onderneming tot een klinkend succes kunnen maken. Ik denk dat
dat de oorspronkelijke bestaansreden van de wetenschap was: Proberen
te weten te komen hoe de natuur werkt, en haar gewoonten nauwlettend
gade te slaan, om onszelf in harmonie met haar te brengen, en op die
manier uiteindelijk de goddelijke werelden opnieuw te bereiken. Als
we de natuur bestuderen, bestuderen we de gewoonten van duizenden onderling
afhankelijke bezielde wezens op evenzoveel verschillende geestelijke
niveaus – een standpunt dat door het wetenschappelijke establishment,
en daartoe behoren de astronomen, wordt afgewezen.
En toch, de astronomen beseffen dat ze nog veel moeten leren. Onder
het kopje ‘een kritiek gebied op Jupiter brengt een theorie in
gevaar’ verkondigde NASA onlangs de ontdekking met behulp van
de Chandra röntgentelescoop van een pulserende röntgenbron
in de hogere atmosfeer van Jupiter, waardoor eerdere theorieën
over hoe de röntgenstralen van Jupiter worden teweeggebracht, moeten
worden verworpen.
Deze röntgenbron verschijnt op een vaste locatie
in de buurt van de magnetische noordpool van Jupiter. In het verleden
zijn er in dit gebied ook heldere uitstralingen in het infrarood en
ultraviolet waargenomen. De röntgenstralen pulseren met een regelmaat
van 45 minuten, . . .
. . . Voor een bron van ionen die op zo’n enorme
afstand moet liggen – op zijn minst 30 keer de straal van Jupiter
– hebben metingen van ruimtevaartuigen uitgewezen dat er lang
niet genoeg energierijke zuurstof- en zwavelionen zijn om de waargenomen
röntgenemissie te kunnen verklaren.
Onderzoekers veronderstellen dat één mogelijke bron kan
bestaan uit de zware ionen die worden gevangen uit de zonnewind. Zulke
gissingen kunnen zich in de loop van de tijd ontwikkelen tot een vaste
wetenschappelijke theorie, die echter voorbijgaat aan een ruimere spirituele
achtergrond. Per slot van rekening kunnen geestelijke werelden nooit
met fysieke instrumenten worden waargenomen.
Kan theosofie eraan bijdragen om deze kloof te overbruggen? Ik denk
van wel. In De Mahatma Brieven vinden we fascinerende informatie
over Jupiter. Over een verplaatsing van het hele zonnestelsel schrijft
de mahatma dat
geen astronoom [die verplaatsing] met een telescoop
zal waarnemen vóór Jupiter en nog enkele andere planeten
- waarvan de kleine lichtpunten nu miljoenen en miljoenen sterren
(op 5.000 of 6.000 na) voor ons gezicht verbergen – ons plotseling
een kijkje geven op enkele Raja-zonnen, die zij nu verbergen.
Er staat zo’n koningsster precies achter Jupiter, die geen sterfelijk
oog in deze, onze ronde, ooit heeft gezien. Zou ze wel kunnen worden
waargenomen, dan zou ze door de beste telescoop, met een sterkte die
haar middellijn tienduizend keer vergroot, toch een klein puntje zonder
afmeting lijken, dat door de helderheid van elke planeet in de schaduw
wordt gesteld; niettemin is deze wereld duizenden keren zo groot als
Jupiter. De heftige beroering van haar atmosfeer en zelfs haar rode
vlek die de laatste tijd de wetenschap zo nieuwsgierig maakt, zijn
het gevolg – (1) van die verplaatsing en (2) van de invloed
van die Raja-ster. Op haar huidige plaats in de ruimte, hoe onwaarneembaar
klein ze ook is, zetten de metaalachtige substanties waaruit zij in
hoofdzaak is samengesteld, uit en gaan langzamerhand over in een ijl
fluïdum – de toestand van onze eigen aarde en haar zes
zusterbollen vóór de eerste Ronde – en gaan deel
uitmaken van haar atmosfeer. – Brief 23b (blz. 181)
Deze raja-ster ‘achter’ Jupiter is volgens mij een omgevend,
voedend wezen op een hoger bestaansniveau. Zouden de pulserende röntgenstralen
een vorm kunnen zijn van een hogere energetische stroming of vloed die
we ons kunnen voorstellen als de psychische en spirituele energieën,
rondgepompt door de hartslag van Jupiters metgezel? Misschien fungeert
de grote rode vlek als een kanaal van instromende en uitgaande krachten
vanuit deze ster? Misschien bestaan er wel overeenkomsten met de kruin
op ons hoofd, of met de navelstreng waardoor het ongeboren kind wordt
gevoed?
Als we Jupiter zouden beschouwen als een enorm groot en krachtig kind,
dan zien we dat ze een groot aantal asteroïden en kometen verorbert.
Door Shoemaker-Levy 9, die in 1994 in de dampkring van Jupiter uiteenspatte,
is de wetenschap ongetwijfeld voor veel vragen komen te staan. Op de
plaats van de inslag verscheen een raadselachtige zwarte plek, die heel
snel uitgroeide tot tweemaal de omvang van de aarde. Dagenlang bleef
het het meest opvallende deel van Jupiter, om pas na maanden te verdwijnen.
Als de ‘inslag-verwonding’ nog maanden later te zien is,
ondanks het feit dat zware stormen Jupiter geselen, dan zou de huidige
theorie over de atmosfeer van Jupiter moeten worden herzien. Volgens
meester KH:
heeft uw wetenschap een theorie, dat als de aarde
plotseling naar bijzonder koude gebieden zou worden verplaatst –
bijvoorbeeld door van plaats te verwisselen met Jupiter – al
onze zeeën en rivieren plotseling in vaste bergen zouden veranderen;
de lucht – of beter gezegd, een deel van de ijle substanties
die haar samenstellen – zou door de afwezigheid van warmte uit
haar onzichtbare fluïdische toestand worden omgezet in vloeistoffen
(die nu op Jupiter bestaan, maar waarvan men op aarde geen idee heeft).
Stel u de omgekeerde toestand voor, of probeer u die in te
denken en u heeft de toestand zoals die op het ogenblik op Jupiter
bestaat. – Brief 23b
De wetenschappers kunnen deze verschijnselen tenslotte nog niet verklaren
omdat ze niet zijn toegerust om de natuur te bestuderen op bestaansgebieden
die door onze fysieke zintuigen niet kunnen worden waargenomen. Maar
het occultisme geeft wel zo’n verklaring. Van hoge ingewijden
wordt gezegd dat ze in staat zijn het leven op andere planeten direct
te ervaren, hoe ongelooflijk dit ook schijnt. Tijd en ruimte zijn tenslotte
illusies. Als we naar een ster kijken wordt deze door ons beroerd, maar
ons aardse bewustzijn kan niet verder gaan dan deze waar te nemen.
En dus, in dezelfde geest waarin de grote Paracelsus de medische wetenschap
benaderde, zou ik willen stellen dat er in de astronomie geen strenge
regels moeten worden vastgesteld door een paar geleerde mannen met een
brein dat vol is met het mechanistische empirisme en de meningen van
anderen. De gekwelde mensheid heeft meer nodig dan het periodieke systeem
van Mendelejev en de wetten van Newton. We zien dat we onze verheven
bestemming niet kunnen bereiken als we alleen op onze zintuigen vertrouwen,
noch brengt een vloed aan technologische snufjes ons dichter bij ‘die
andere oever’. Ik vraag me af of we bij het afwerken van ons zware
menselijke karma veel zijn geholpen met een steeds groeiende berg computergegevens
over de sterren en planeten die worden geïnterpreteerd alsof ze
overeenstemmen met de onwrikbare natuurwetten en theorieën die
hier op aarde gelden. Nee, de lijdende mensheid verlangt bijna wanhopig
naar een ruimere geestelijke visie die ons het gevoel teruggeeft dat
we niet zijn omgeven door saaie en passieve hemellichamen die rond de
zon draaien, maar door bezielde wezens die altijd aan het werk zijn
voor het welzijn van het leven op alle planeten, niet alleen van dat
op aarde. – Fred A. Pruyn
Californië, 24 maart 2002
Bewustzijn is geworteld in de essentie van wezens en van dingen –
de essentie die nergens in het bijzonder is omdat ze zich overal bevindt.
Voor nieuwsgierige mensen die alleen over het dagelijks nieuws uit de
krant beschikken zou een eerste beschouwing over bewustzijn
zich kunnen uitstrekken van kosmische superclusters tot aan leven op
subatomair niveau. Dr. Leon R. Kass, professor filosofie en ethiek aan
de universiteit van Chicago en adviseur van president Bush op het gebied
van bio-ethiek, ‘heeft het in zijn publicaties over de ziel, een
woord dat hij niet in theologische zin gebruikt en waarmee hij een levend
organisme bedoelt, zelfs een bacterie, dat niet slechts een verzameling
moleculen is maar een wezen met behoeften, bewustzijn, verlangens en
doelgerichte activiteiten’. (New York Times Science,
dinsdag 19 maart 2002). Of, zoals dr. Seuss’ Horton zegt: ‘Per
slot van rekening is een persoon toch een persoon. Het maakt niet uit
hoe klein die is.’
Als een wetenschapper wezens en dingen wil waarnemen
en onderzoeken, moet hij in de eerste plaats de entiteiten die in de
ruimten van de ruimte leven in grote lijnen schetsen. Eén zo’n
beschrijving heeft bijvoorbeeld betrekking op microscopisch kleine eencellige
diertjes die amoeben worden genoemd. De oorspronkelijke betekenis van
dit woord is ‘voortdurend aan het veranderen’. Toen de microscoop
tegen het einde van de zeventiende eeuw werd uitgevonden, werden deze
tot dan toe onzichtbare amoeben waargenomen als een altijd veranderende
entiteit die bezig was met de activiteiten van leven, dat wil zeggen
in wisselwerking staan met zijn omgeving, voedsel opnemen, zich voortplanten,
enz.
Onder de kop ‘Amoebe ‘vroedvrouwen’ assisteren bij
voortplantingsproces’ meldt de Los Angeles Times van
22 maart:
Een bevalling is nooit gemakkelijk, en moeders die
gaan bevallen hebben vaak de hulp van een vroedvrouw nodig. Nieuw
onderzoek wekt de indruk dat deze regel zelfs van toepassing is op
amoeben . . . die zichzelf voortplanten door zich op te splitsen in
een moedercel en dochtercellen. Onderzoekers hebben onlangs bij minstens
één soort vastgesteld dat dit proces tot stilstand komt
omdat de twee cellen door een fijn draadje nog steeds met elkaar zijn
verbonden – en men is er niet zeker van hoe de cellen deze celdeling
voltooien. Biofysicus Elisha Moses en haar collega’s van het
Weizmann Instituut in Rehovot, Israel, melden in het laatste nummer
van het tijdschrift Nature dat de amoeben worden bijgestaan
door een ‘amoebe vroedvrouw’ die zich tussen de zich afsplitsende
cellen begeeft en deze uit elkaar drukt totdat de draad breekt. De
aan elkaar vastzittende amoeben geven een chemisch noodsignaal voor
hulp waardoor de vroedvrouw wordt aangetrokken, zo meldde het team1.
Het oorspronkelijke artikel in Nature beschrijft vervolgens
dit ‘verbazingwekkende voorbeeld van primitieve samenwerking’:
Als een amoebe zich splitst, blijven de twee dochtercellen
door een buisvormig draadje verbonden dat intact blijft totdat het
mechanisch wordt verbroken. Wanneer een oproep wordt gedaan, beweegt
de naastgelegen amoebe vroedvrouw (gekleurde cel in bovenstaande afbeelding)
zich, gewoonlijk in een rechte lijn, naar de zich delende cel. Vervolgens
verbreekt de vroedvrouw de draad, waarna de drie amoeben ieder hun
weg vervolgen2.
Het samenwerken van bewustzijnen en het gevoel voor mededogen op microscopisch
niveau wekt de indruk dat op macroscopisch of menselijk niveau hetzelfde
geldt, zoals verwoord door de vroedvrouwen uit de oudheid en van alle
tijden: ‘Als de leerling gereed is, verschijnt de leraar.’
Vervolgens gaan de drie entiteiten hun eigen weg – het oude zelf,
het nieuwe zelf en de vroedvrouw – met de ervaring die is opgedaan
om anderen te onderrichten. – Wynn Wolfe
Verwijzingen
- ‘Science File’, Metro,
blz. 2.
- Vol. 410, 22 maart 2001; aanvullende
informatie is beschikbaar op de website van Nature: www.nature.com.<