*Uit zijn Notes on the Bhagavad Gita,
hfst. 1.
Er is nauwelijks een filosofisch stelsel dat ooit het bestaan van de
Eerste Oorzaak of parabrahman heeft ontkend. Alle sektarische
geschillen en verschillen zijn voortgekomen, niet uit een verschil van
mening over het bestaan van de Eerste Oorzaak, maar uit de verschillende
eigenschappen die het intellect van de mens constant eraan heeft proberen
op te leggen. Is het mogelijk iets te weten over de Eerste Oorzaak?
Het is mogelijk alles over de manifestaties ervan te weten, hoewel het
bijna onmogelijk is dat menselijke kennis doordringt tot de diepste
essentie ervan en dan te zeggen wat ze werkelijk is. Alle religieuze
filosofen zijn het erover eens dat deze Eerste Oorzaak alomtegenwoordig
en eeuwig is. Bovendien heeft ze perioden van activiteit en passiviteit.
Maar zelfs de werkelijke reden voor de activiteit en passiviteit ervan
is voor ons denken onbegrijpelijk. Ze is geen materie of iets dat op
materie lijkt. Ze is zelfs geen bewustzijn, omdat alles wat we over
bewustzijn weten betrekking heeft op een bepaald organisme. Wat bewustzijn
is of zal zijn wanneer het volledig is gescheiden van upadhi
[vorm] is iets dat voor ons onvoorstelbaar is, niet alleen voor ons
maar voor elke andere intelligentie die het gevoel van zelf of ego in
zich heeft, of die een duidelijk geïndividualiseerd bestaan heeft.
Ja, het is zelfs niet atman; dit woord wordt voortdurend in
verband gebracht met het idee van een zelf. Maar parabrahman heeft die
associaties niet; ze is dus geen ego, en ook geen niet-ego, en evenmin
bewustzijn.
In het geval van ieder objectief bewustzijn, weten we dat wat we materie
noemen of niet-ego tenslotte slechts een bundel eigenschappen is. Maar
of we nu tot die conclusie komen door logisch redeneren, of dat we die
bereiken vanuit een innerlijk bewustzijn, we veronderstellen altijd
dat er een entiteit is – de werkelijke essentie van het ding waaraan
alle eigenschappen worden toegekend – dat die eigenschappen als
het ware draagt, terwijl die essentie zelf ons onbekend is. Alle oude
schrijvers van de Vedanta hebben het beginsel beschreven dat parabrahman
de ene essentie is van bijna alles in de kosmos. Het werkelijke ding
in de bundel eigenschappen waarvan ons bewustzijn kennisneemt, de essentie
die de bodem en de grondslag van alle verschijnselen schijnt te zijn,
is parabrahman dat, hoewel zelf geen voorwerp van kennis, toch als basis
en oorzaak kan dienen voor alle soorten objecten en alle soorten bestaan
die een voorwerp van kennis worden.
Dit parabrahman dat bestaat vóór alle dingen in de kosmos
is de ene essentie waaruit een centrum van energie tot bestaan komt,
dat ik hier de logos noem. Deze logos kan isvara, pratyagatman
of sabda brahman worden genoemd. Hij wordt door de
christenen het verbum of het Woord genoemd, en is de goddelijke
Christos die eeuwig in de schoot van zijn vader woont. Hij
wordt Avalokitesvara genoemd door de boeddhisten, hoewel er
in de Chinese leer ongetwijfeld ook andere denkbeelden zijn waarmee
hij in verband wordt gebracht. Het is het eerste ego in de kosmos, en
elk ander ego en elk ander zelf is slechts de weerspiegeling of manifestatie
ervan. In zijn innerlijke natuur is het niet onkenbaar, maar
een voorwerp van de hoogste kennis die de mens kan verwerven. Het is
het ene grote mysterie in de kosmos, en alle inwijdingen en alle filosofische
stelsels zijn op basis daarvan ontworpen.
Dit beginsel is in zijn samenstelling niet materieel of fysiek, en
het is niet objectief; het verschilt in substantie niet van parabrahman,
en toch verschilt het tegelijkertijd daarvan omdat het een geïndividualiseerd
bestaan heeft. Tijdens pralaya [kosmische rust] bestaat het in een latente
toestand in de schoot van parabrahman, zoals bijvoorbeeld het gevoel
van een ego op het moment van de slaap latent is. Het heeft bewustzijn
en een eigen individualiteit. Het is misschien de enige persoonlijke
God die in de kosmos bestaat. Maar in de schoot van parabrahman zijn
een bijna ontelbaar aantal van zulke energiecentra. Hun aantal is bijna
oneindig. Misschien zijn er zelfs in dit energiecentrum dat de logos
wordt genoemd verschillen; dat wil zeggen, parabrahman kan zich niet
alleen in één bijzondere, bepaalde vorm, maar in verschillende
vormen als een logos manifesteren.
Dit is de eerste manifestatie van parabrahman, het eerste ego dat in
de kosmos verschijnt, het begin van alle schepping en het doel van alle
evolutie. Het is de ene bron van alle energie in de kosmos, en de basis
van alle takken van kennis, en bovendien is het de levensboom, omdat
het chaitanya [bewustzijn] – dat de hele kosmos bezielt
– eraan ontspringt. Als dit ego eenmaal tot bestaan komt als een
bewust wezen dat een eigen objectief bewustzijn heeft, zullen we moeten
zien wat het resultaat van dit objectieve bewustzijn zal zijn met betrekking
tot het ene absolute en onvoorwaardelijke bestaan waaruit het aan zijn
gemanifesteerde bestaan begint. Vanuit zijn objectieve standpunt verschijnt
parabrahman aan hem [de logos] als mulaprakriti [oorspronkelijke
substantie]. Deze mulaprakriti is voor hem natuurlijk even stoffelijk
als ieder stoffelijk voorwerp dit voor ons is. Deze mulaprakriti is
evenmin parabrahman als de verzameling eigenschappen van een zuil die
zuil zelf is; parabrahman is een onvoorwaardelijke en absolute
werkelijkheid, en kan op zichzelf niet worden gezien zoals het is. De
logos ziet het met een sluier erover, en die sluier is de machtige uitgestrektheid
van de kosmische stof. Het is de basis van alle manifestaties in de
kosmos.
Verder, nadat parabrahman enerzijds is verschenen als het ego en anderzijds
als mulaprakriti, werkt het als de ene energie door middel van de logos.
De zon kan worden vergeleken met de logos; licht en warmte stralen ervan
uit, maar de warmte en energie ervan bestaan in een onbekende toestand
in de ruimte, en zijn verspreid door de hele ruimte als zichtbaar licht
en warmte door de werking van de logos. Op dezelfde manier straalt parabrahman
vanuit de logos, en manifesteert zich als het licht en de energie van
de logos. Nu zien we dat de eerste manifestatie van parabrahman de hoogste
drieëenheid is die we kunnen begrijpen. Zij bestaat uit mulaprakriti,
de logos, en de bewuste energie van de logos, die de macht en het licht
ervan is; en hier hebben we de drie beginselen waarop de hele kosmos
schijnt te zijn gebaseerd. Ten eerste hebben we materie; ten tweede
hebben we de grondslag van alle krachten in de kosmos; en ten derde
hebben we het ego of de ene wortel van het zelf, waarvan ieder ander
soort zelf slechts een manifestatie of een weerspiegeling is.
Bedenk dat er een duidelijk verschil is tussen mulaprakriti (die als
het ware de sluier is die over parabrahman is geworpen vanuit het objectieve
standpunt van de logos) en deze energie die er vanuit wordt gestraald.
Dit licht van de logos wordt in de Bhagavad Gita daiviprakriti
genoemd; het is de gnostische sophia en de Heilige Geest van
de christenen. Dit licht wordt gesymboliseerd als de Gayatri.
Ze wordt beschouwd als het licht van de logos, en om een bepaald beeld
over te brengen in ons denken, wordt het weergegeven als het licht van
de zon. Maar de zon waaruit het ontspringt is niet de fysieke zon die
we zien, maar de centrale zon van het licht van wijsheid. Het licht
is het leven van de hele natuur. Wat zich manifesteert als licht, als
bewustzijn, en als kracht, is maar een en dezelfde energie. Al de verschillende
soorten krachten die we kennen, alle verschillende bewustzijnsvormen
waarmee we bekend zijn, en het leven dat is gemanifesteerd in ieder
soort organisme, zijn slechts de manifestaties van een en dezelfde kracht,
en die kracht ontspringt oorspronkelijk aan de logos.
Schepping of evolutie begint door de intellectuele energie van de logos.
Het heelal komt in zijn oneindige aantal details en met zijn schitterende
wetten niet alleen door toeval tot bestaan, en evenmin komt het tot
bestaan alleen op grond van de potentiële vermogens die in mulaprakriti
liggen besloten. Het ontstaat hoofdzakelijk door tussenkomst van de
ene bron van energie en kracht die in de kosmos bestaat, en die we de
logos hebben genoemd, en die de enige vertegenwoordiger is van de macht
en wijsheid van parabrahman. De stof verkrijgt al haar eigenschappen
en al haar vermogens die in de loop van de evolutie zulke verbazingwekkende
resultaten geven, door de werking van dit licht dat vanuit de logos
uitstraalt op mulaprakriti. Vanuit ons standpunt zal het erg moeilijk
zijn ons voor te stellen wat voor soort stof het kan zijn die geen van
de geneigdheden heeft die gewoonlijk met allerlei soorten stof in verband
worden gebracht, en die al de verschillende eigenschappen die erdoor
worden gemanifesteerd alleen verwerft doordat ze dit licht en deze energie
van de logos ontvangt. Dit licht van de logos is de schakel tussen de
objectieve stof en het subjectieve denken van isvara. Het wordt in verschillende
boeddhistische boeken fohat genoemd. Het is het ene instrument
waarmee de logos werkt.
Wat in de logos opkomt is eerst eenvoudig een beeld, een idee van wat
er in de kosmos zal zijn. Dit licht of de energie vangt het beeld op
en drukt het af op de kosmische stof die al is gemanifesteerd. Zo komen
alle gemanifesteerde zonnestelsels tot bestaan.