Het lot van de mens in de mythologie
Elsa-Brita Titchenell

 

Op 10 februari 2002 is Elsa-Brita Titchenell overleden; zij was sinds oktober 1989 assistent-redacteur van Sunrise. Ze werd geboren in 1915 in Uppsala, Zweden, en bracht haar jeugd door in Zweden, Shanghai en Engeland. In 1939 werd ze lid van de Theosophical Society in Shanghai, waar ze tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte voor het Zweedse consulaat; daarna kreeg ze van België een ridderorde voor haar hulp aan de door de Japanners geïnterneerde bewoners. Haar scherpe intellect, artistieke en literaire talenten, en goede humeur maakten haar tot een gewaardeerd staflid van het Internationale Hoofdkwartier van de TS, waar ze na haar komst naar de VS in 1948 het grootste deel van de tijd verbleef. Ze is de schrijfster van De maskers van Odin: Oud-Noorse wijsheid, het kinderboek Peters Reis Rond de Zon, en talrijke artikelen voor Sunrise. Het volgende artikel is eerder verschenen in het februarinummer van 1979.    – Red.

Lang, heel lang geleden, in de schemerige eeuwen die verliepen vóór onze geschiedenis begon, schijnen de leden van de mensheid uitzonderlijk eensgezind te zijn geweest in het uitzetten van hun koers. Uit alle mythologieën, ontstaan uit de oudste overleveringen, spreekt eenzelfde eerbied voor de natuur als het kleed van goddelijke krachten, en voor de mens als haar evenbeeld, hoewel ze, wat hun kosmogonie en leefregels betreft, elk een eigen allegorisch stelsel bezitten. Door verschillende stelsels te vergelijken, kunnen we hun symboliek en de richtlijnen die zij geven voor het levensgedrag, voor het zoeken van wijsheid en de groei van de ziel, herkennen en gedeeltelijk ontcijferen; doen we dat niet dan blijven heel wat sprookjes en opera’s die op mythen zijn gebaseerd, zonder betekenis, als een omslag zonder boek, een lijst om een onbeschilderd doek.

Een van de meest bekende maar minst begrepen Noorse allegorieën die te maken hebben met de bestemming van de mensheid, is de legende van het walhalla. Vooral bekend geworden door de opera’s van Wagner is men het, met enige geringschatting, gaan zien als een lichtelijk humoristische parodie op de hemel, waar woeste vikingen na de dood hun drinkgelagen hielden. Kort samengevat, het is het rijk van de krijgsgod Odin; zijn helden sneuvelen dagelijks in de strijd en worden ’s avonds door Odins krijgsmaagden, de walkuren, van het slagveld naar het walhalla gebracht, waar ze worden onthaald op varkensvlees en honingwijn en vanwaar ze elke morgen terugkeren naar de strijd, waar ze opnieuw worden gedood. Het walhalla wordt beschermd door vele hindernissen: het is omgeven door een gracht, Tund, waarin een weerwolf, Tjodvitner, naar mensen vist. De toegangspoort wordt beveiligd door magie en aan de deur van de hal hangt een wolf die daar is vastgespietst met daarboven een bloedende adelaar. Bovendien wordt het bewaakt door Odins beide wolfshonden.

Om het verhaal te kunnen begrijpen, moeten we de erin voorkomende begrippen verklaren. In de Noorse Edda komt Odin op elk levensgebied voor. Op het hoogste plan van kosmische ideeënvorming, is hij de essentie van scheppend universeel bewustzijn, de Alvader. De naam komt van odr, universele intelligentie (de Griekse nous), waarvan de geestelijke ziel van de mens een intrinsiek deel is. Terwijl in algemene zin de Alvader wordt geacht in alle gemanifesteerde vormen aanwezig te zijn, heeft Odin ook zijn specifieke domein: een ‘laag’ of gebied van substantie, hoger dan onze fysieke stof, dat de naam ‘Blijhuis’ (Gladsheim) draagt, waar zich val-holl bevindt, ‘de hal van de uitverkorenen’. Val betekent ‘keuze’; het heeft ook de betekenis van ‘dood’ [de ‘gevallenen’], als het betrekking heeft op de krijgers van Odin, de ‘Eén-overwinnaars’ (einherjar). Deze term wil zeggen dat ieder de overwinning heeft behaald over één – zichzelf. Ieder verkoos te sterven als een persoonlijk, beperkt ego, en verwierf een hoger bewustzijn in het rijk van de goden of, om het anders te zeggen, ieder heeft de menselijke neigingen van een lager gehalte overwonnen en zich verenigd met het kosmische levensdoel. Dit is een voortgaand proces van groei, en dus van verandering, waarin elk dagelijks ‘sterven’ een overgang is van een lagere naar een meer volmaakte toestand. De helden worden naar Odins heilige hal gebracht door de ‘dienaressen van de uitverkorenen’ (walkuren), die nauw verwant zijn aan de hamingja van de mens, zijn ‘beschermengel’ of geestelijke ziel. Ze zijn daarom onze beschermers en leermeesters.

Walkuren die de gevallen helden
meevoeren naar het walhalla.

 

Iedere hindernis naar de Hal van de Uitverkorenen symboliseert een of andere menselijke zwakheid die moet worden overwonnen. De krijger die de rivier van de tijd (Tund), ook genoemd de rivier van de twijfel (Ifing), wil oversteken, moet zijn doel onverzettelijk nastreven en zichzelf in de hand houden om niet door de onstuimige stroom van het tijdelijke bestaan te worden meegesleurd. Hij moet de dierlijke begeerten van zijn lagere natuur (de verlokkingen van Tjodvitner) negeren en ‘de andere oever’ bereiken. In veel heilige geschriften vinden we dezelfde allegorie. Het boeddhisme spreekt bijvoorbeeld over vier verschillende stadia van vooruitgang: zij die de stroom zijn ingegaan, zij die zich in de stroom bevinden, zij die de stroom bijna zijn overgestoken, en zij die met succes de andere oever hebben bereikt. Men zegt dat de hele natuur zich verheugt als een kandidaat zijn doel bereikt.

Vervolgens moet de kandidaat die op weg is naar het walhalla, de honden ‘Hebzucht’ (Gere) en ‘Vraatzucht’ (Freke) overwinnen, en het geheim ontdekken van de magische poort, die alleen opengaat voor wie over voldoende kracht en aspiratie, zuiverheid van motief, en onwrikbare standvastigheid beschikt, waarna de wolf en de adelaar moeten worden overwonnen. Dit zijn de zelfzuchtige neigingen die zich in nieuwe vormen voordoen, als uitdaging aan hen die het rijk van de goden naderen; ze moeten worden vastgespietst boven de ingang van de hal, als afschrikking tegen indringers. Odins raven, Hugin en Munin, die dagelijks wegvliegen om het slagveld, de aarde, te overzien, vertegenwoordigen globaal ‘het denkvermogen’ en de ‘herinnering’, maar houden veel meer in dan deze woorden aanduiden. Hugin (van hugr) betekent ‘denkvermogen’, maar omvat zaken zoals neigingen, zienswijzen, verlangens, gevoelens, bedoelingen, motieven; terwijl Munin (van munr), ‘herinnering’, het gehele verleden vertegenwoordigt, bijeengebracht in een onvermijdelijk daaruit voortvloeiend heden, wat karma kan worden genoemd, en dat alle mogelijke omstandigheden teweegbrengt die de ziel moet overwinnen. Over hun dagelijkse inspectie van het slagveld merkt Odin op: ‘ik maak mij ongerust dat Hugin misschien niet terugkeert, maar ik vrees zelfs meer voor Munin.’ Deze raadselachtige opmerking schijnt erop te wijzen dat zij, door Odin een beeld in vogelvlucht te geven van het collectieve karma van de wereld, een hoogst belangrijke rol spelen.

Alle aanvals- en verdedigingswapens moeten worden afgelegd, en ze moet worden omgezet in het bouwmateriaal voor de heilige tempel. De muren zijn gebouwd van de speren van de krijgers, en het dak van hun schilden. Binnen de hal worden zelfs de harnassen afgelegd: ‘overal op de banken liggen maliënkolders’. Als deze mythen waren ontstaan onder de oorlogszuchtige vikingen die volgens een van hun voorschriften op hun schild moesten slapen met het zwaard in de hand, dan lijkt dit wel erg weinig bij hen te passen. Het versterkt eerder de theorie dat de Noorse mythen tot een veel vroegere tijd teruggaan dan deze krijgers, en uit dezelfde archaïsche bron stammen als andere oude overleveringen. Er steekt kennelijk veel meer achter de poëtische bekoring van de Edda en zijn soms erg grove anekdoten, dan op het eerste gezicht lijkt, want het overgeven van wapens is op zichzelf een kenmerk van de mysterie-traditie. Wie naar universaliteit streeft, kan zich, gezien de aard van zijn pogen, niet zien als afgescheiden van het geheel; hij kan niets beginnen met een middel dat verdeeldheid brengt, in gedachte, woord of daad. Als eerste moeten de aanvalswapens verdwijnen, omdat men ernaar streeft geen kwaad te berokkenen. Daarna worden alle verdedigingsmiddelen afgelegd, en tenslotte elk soort harnas. De Eén-overwinnaar heeft zich van elk gevoel van afgescheidenheid bevrijd. Zijn taak ligt niet in het ogenblikkelijke, maar in het eeuwige; zijn wezen is niet langer begrensd door een zelf, maar strekt zich onbeperkt uit; van nu af aan heeft de heldenziel elk persoonlijk belang opgegeven, en stelt hij zijn vertrouwen volledig in het universele doel dat hij onvoorwaardelijk dient als een onbaatzuchtig werktuig van de goddelijke Wet.

Het feestmaal van de Eén-overwinnaars is verre van een dronkenmans-orgie – tenzij het wordt opgevat in de zin van de oorspronkelijke Dionysische Mysteriën, waar wijn geestelijke verlichting symboliseerde – maar betekent het deelhebben aan universele elementen. Deze worden gesymboliseerd door de honingwijn of nectar van de goden, zoals in de Griekse mythen1, en door de drie wilde zwijnen:

Andrimner laat Saerimner onderdompelen in Eldrimner:
Weinigen weten wat de Einherjar eten.

‘Het zwijn van de lucht laat het zwijn van het water onderdompelen in het zwijn van het vuur.’ Het zwijn vertegenwoordigt de vormende beginselen van de aarde waar de nodige ervaring wordt opgedaan. We vinden een overeenkomstige beeldspraak in de Purana’s van de hindoes, waar het zwijn Brahma, de schepper, symboliseert, die de aardbol op zijn slagtanden draagt. Hier in het ‘Grimnismál’ (Lied van Grimner) uit de Edda, worden de Eén-overwinnaars gevoed door een drietal zwijnen die eveneens de scheppende krachten, het energie-aspect van de natuurelementen, vertegenwoordigen. Odin (lucht: geest), Höner (water: denkvermogen), en Lodur (vuur: wil en begeerte), kunnen in het vers aldus worden vervangen:

De geest laat het denken dompelen in wil en begeerte:
Weinigen weten wat de Eén-overwinnaars tot voedsel dient.

Het hogere zelf, of de geest van de mens, geeft het menselijke ego de gelegenheid om in het vuur van de ziel te worden beproefd om zijn zuiverheid vast te stellen. Als hij slaagt, brengt de mens zijn innerlijke god tot geboorte, het sterfelijke wordt onsterfelijk door zich te verenigen met de inwonende universele Odin.

Als verhelderend feit kan worden vermeld dat Alvader, wanneer hij zijn helden in Valholl verwelkomt, Ropt wordt genoemd, ‘over wie wordt kwaadgesproken’: de brenger van lijden en ongeluk. Ongetwijfeld is dat zo, in deze context, want hij is de inwijder, de hiërofant die, behalve dat hij instrueert en inspireert, het menselijke ego moet onderwerpen aan de tegenstrijdige vuren van zijn eigen ziel, zonder het resultaat van de beproeving te mogen beïnvloeden. Alleen de ingewijde die slaagt, herkent Odin als Ropt, over wie wordt kwaadgesproken.

Valholl vertoont nog een aspect, dat de verbinding legt met andere heilige schriften uit de grijze oudheid:

Vijfhonderd deuren, en nog eens veertig,
zijn er in het schitterend verblijf;
achthonderd krijgers komen uit iedere deur
als Odin eropuit trekt om de wolf te bestrijden.

540 x 800 = 432.000. In de Babylonische en Indiase chronologieën komt dit getal op vele manieren voor. Veelvouden ervan duiden op grote cyclussen van astronomische gebeurtenissen, terwijl het, gedeeld door verschillende getallen, betrekking heeft op vaker voorkomende voorvallen. Het is in menselijke jaren uitgedrukt de duur van onze IJzeren Eeuw, kaliyuga, waarin de krachten van de duisternis een grote beproeving vormen. Het is merkwaardig dat dit het aantal moest zijn van Odins helden (de gelederen daarvan zouden zich moeten versterken naarmate de eeuwen verstrijken)! Het is beslist een krachtige aanwijzing voor het bestaan van een gemeenschappelijke universele kennis, waaruit deze ver van elkaar gescheiden tradities moeten zijn voortgekomen.

Het ‘slagveld’ (Vigridsslätten) waar Odins krijgers dagelijks slag leveren, zal door lezers van de Bhagavad-Gita gemakkelijk worden herkend als Kurukshetra, waar de strijd tussen de krachten van het licht en de duisternis elke dag of iedere levensperiode plaatsvindt. Vigridsslätten kan ook worden vertaald als de ‘vlakte van heiliging’. Het is het slagveld van de mens zelf, waar de menselijke eigenschappen – die zelf de eigenschappen van de grotere natuur weerspiegelen – tegenover elkaar in slagorde zijn opgesteld. Het resultaat van deze dagelijkse strijd is van diepgaande invloed op het verloop van de evolutie van wezens. Van tijd tot tijd steekt een Eén-overwinnaar vanuit de mensenwereld over om zich aan te sluiten bij de gelederen van de goden; deze zeldzame voorlopers die toegang krijgen tot ‘het schitterende verblijf’ verenigen hun krachten met het goddelijke plan van de natuur. De walkuren, ons eigen inspirerende diepste zelf, zoeken onafgebroken op het veld van heiliging naar waardige rekruten, die hebben besloten de goden te helpen in hun eindeloze streven naar de glorieuze vervulling van de cyclus, wanneer de mensheid als geheel haar goddelijk erfdeel en verantwoordelijkheid zal aanvaarden.

De geheimzinnige verhalen van de Edda kunnen aldus worden geïnterpreteerd in het licht van andere vergelijkbare legenden, en dragen op hun beurt ertoe bij deze te verduidelijken. Het is waarschijnlijk dat de krijgshaftige attributen van moed en kracht in het proces van overlevering onevenredig veel nadruk hebben gekregen bij de Noren, ten koste van idealen zoals sereniteit en zachtmoedige wijsheid, al ontbreken deze niet geheel. Aan de andere kant is de strijdbare geest in deze bondige verhalen zo goed verwerkt, dat bepaalde denkbeelden via de vikingtijd naar onze eeuw konden worden overgebracht. Onze tijd is bijzonder begunstigd omdat zowel de middelen als de wens aanwezig zijn om op zijn minst een deel van de zo ingenieus verhulde overgeleverde wijsheid te ontcijferen. Haar leerzame en inspirerende boodschap, die in de Noorse mythen in allegorieën lag verborgen, is lang over het hoofd gezien, genegeerd en verkeerd opgevat; toch is ze opmerkelijk intact gebleven en houdt de belofte in dat de universele waarheid, die diep geworteld is in de heilige legenden van de mensheid, kan worden gevonden.

 

Noot

  1. Honing wordt verzameld dankzij de onbaatzuchtige inspanningen van de bijen voor het algemeen welzijn. In de Griekse mysteriën werden de mystae, de initianten, melissae (bijen) genoemd.
 
Oude culturen/beschavingen en hun spirituele tradities: Noorwegen, IJsland
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency