Hoewel bewustzijn aan al onze ervaringen ten grondslag ligt, blijft
het met mysterie omgeven. Intuïtie, verbeeldingskracht, emotie,
rede, verstand, instinct en creativiteit – maar weinigen van ons
zijn in staat een volkomen bevredigende verklaring van ook maar één
daarvan te geven hoewel we dagelijks daarmee te maken hebben. Binnenin
ons zit echter een bewustzijn dat belangrijk dieper gaat dan de gedachten
en gevoelens die we meestal identificeren als ‘onszelf’.
Zoals mystici door de eeuwen heen hebben bevestigd, is het bewustzijn
dat de diepste kern van ons eigen wezen vormt identiek aan de kern van
enig ander wezen en ding. Het verbindt ons met alles en iedereen, omdat
het evenzeer de wortel van hun bestaan is.
Maar waarom realiseren we ons dat meestal niet? Gewoonlijk omdat we
door de intensiteit van onze zintuiglijke waarnemingen en onze verstandelijke
interpretaties daarvan worden overweldigd. Vooral de moderne cultuur
kent aan het verstand en het intellect het vermogen toe om uit te maken
wat werkelijk bestaat, maar deze prestigieuze status hebben ze niet
altijd genoten. De hindoefilosofie bijvoorbeeld classificeert het verstand
als de ‘koning van de zintuigen’, wat betekent dat wanneer
het verstand niet wordt verlicht door de geest, zijn gewoonten en beperkingen
ons veroordelen tot een grotendeels bedrieglijke, door onszelf geschapen
wereld, een wereld van illusie (maya). Veel van deze misvattingen en
door onszelf opgelegde beperkingen zijn collectief en wijdverbreid,
omdat de meeste mensen op ongeveer dezelfde manier beperkingen hebben.
Onze uitdaging is om uit deze droomwereld vol zelfbeperking te ontwaken,
deze te ontstijgen, en steeds ruimere perspectieven van de werkelijkheid
te ontwikkelen.
Wat, kunnen wij ons afvragen, draagt het huidige onderzoek bij aan
onze inspanningen en verkenningen op dit gebied? In academische kringen
wordt bewustzijn door de meeste onderzoekers nog steeds beschreven als
een bijverschijnsel van de biochemische en neurologische complexiteit
van het brein, waarmee ze de materialistische benadering van de 20ste
eeuw voortzetten. Er zijn echter ook wetenschappers en mensen uit de
praktijk die het onderwerp op empirische basis bestuderen en bewijsmateriaal
verzamelen dat tot heel andere conclusies leidt. Na het bijeenbrengen
en beoordelen van ruim veertig jaar onderzoekswerk kwam psychiater en
transpersoonlijk psycholoog Stanislov Grof in The Cosmic Game
(1998) [Het kosmische spel] tot de volgende uitspraak:
Recent onderzoek op het terrein van bewustzijn heeft
belangrijke gegevens opgeleverd die de grondbeginselen van de eeuwige
filosofie ondersteunen. Het heeft onthuld dat er een groots, zinvol
‘ontwerp’ ten grondslag ligt aan de hele schepping en
aangetoond dat alles wat bestaat doordrongen is van een hogere intelligentie.
In het licht van deze nieuwe ontdekkingen krijgt spiritualiteit de
waarde van een belangrijk en rechtmatig streven in het menselijk leven,
want het duidt op een essentieel aspect van de menselijke psyche en
van het universele wereldplan. – blz. 3
Het bewijsmateriaal in recente studies over bewustzijn is daarom ‘volkomen
in strijd met de meest fundamentele veronderstellingen van de materialistische
wetenschap ten aanzien van bewustzijn, de menselijke natuur en de aard
van de werkelijkheid. Het geeft duidelijk aan dat bewustzijn geen product
van het brein is, maar een primair beginsel van het bestaan en dat het
een essentiële rol speelt in de schepping van de wereld van uiterlijke
verschijnselen’ (op.cit.). Bewustzijn is hier fundamenteel –
zowel voor onszelf als voor al het andere, waaronder de kosmos als geheel
– op dezelfde wijze als substantie dat is. Samen vormen ze twee
primaire aspecten van een onderliggende realiteit die het bevattingsvermogen
van het gemanifesteerde zijn te boven gaat.
De belangrijkste bewering van Grof is misschien wel dat ‘het
diepste bereik van de psyche van ieder van ons in essentie samenvalt
met al wat bestaat en uiteindelijk identiek is aan het kosmische scheppende
beginsel’ (blz. 3). Zoals in een hologram, is elk wezen een microkosmos,
een deel van het geheel dat in potentie het voortbrengende Ene in zich
bevat. In zekere zin kunnen we ons voorstellen dat het universum zichzelf
schept door middel van een daad van kosmische creatieve verbeelding.
Ook wij zijn de ideatie van ons diepste zelf en tegelijkertijd blijven
we ons voortdurend ontwikkelen door middel van de creatieve visualisaties
van ons alledaagse zelf, want verbeeldingsvolle projectie heeft het
vermogen om vorm te geven aan de werkelijkheid.
Grofs bewering houdt tevens in dat alles in dit ‘bezielde universum’
zowel subjectief als objectief kan worden ervaren, waaronder ‘alle
elementen van de stoffelijke wereld tot en met het hele bereik van het
ruimte-tijdcontinuüm’ en ‘verschillende aspecten van
andere dimensies van de werkelijkheid, zoals archetypische wezens en
mythologische domeinen van het collectief onbewuste’ (blz. 16).
Omdat ons bewustzijn alomvattend is en geen beperkingen kent wat betreft
bereik en kwaliteit, kunnen we leren door middel van directe, bewuste
deelname – door te worden. We hoeven ons niet altijd te beperken
tot het zijn van een ‘subject’ dat een ‘object’
onderzoekt.
Maar kan dit soort subjectief, op ervaringsleer gestoeld onderzoek
– in de oudheid of in onze tijd – als ‘wetenschap’
worden aangemerkt? Grof meent van wel:
Veel van de grote spirituele stelsels zijn
producten van eeuwenlang diepgaand onderzoek van de menselijke psyche
en van het menselijke bewustzijn, dat in veel opzichten op wetenschappelijk
onderzoek lijkt.
Deze stelsels bieden gedetailleerde instructies met
betrekking tot methodes om spirituele ervaringen teweeg te brengen
waarop zij hun filosofische speculaties baseren. Zij hebben systematisch
gegevens verzameld op basis van deze ervaringen en die zijn onderworpen
aan hun collectieve consensusvalidatie, meestal over een periode van
vele eeuwen. Dit zijn precies de fasen die noodzakelijk moeten worden
doorlopen om op elk wetenschappelijk onderzoeksterrein geldige en
betrouwbare kennis te verkrijgen . . .
– blz. 4
Zulke opmerkingen zijn de voorbode van een toekomstige synthese van
moderne wetenschap en meer traditionele spirituele en psychologische
kennis. Een dergelijke verbinding zou leiden tot een frisse nieuwe filosofische
kijk op het menselijk leven en het universum en niet een terugkeer naar
ongegronde religieuze dogmatiek en wetenschappelijke onwetendheid.
Op onze zoektocht naar méér kennis over de mysteries
van het bewustzijn heeft ieder van ons als bewuste entiteit het vermogen
en de middelen om, als wij dat willen, de natuur in al zijn aspecten
te doorgronden. Volgens G. de Purucker kunnen wij voor onszelf ‘die
oorspronkelijke waarheid, waaruit alle grote religies en filosofieën
oorspronkelijk zijn voortgekomen’ ontdekken en ‘dan weten
dat die waarheid tijdloos en onsterfelijk is, en zich toch nestelt in
ieder ernstig mensenhart, waar ze op erkenning wacht om haar licht te
doen uitstromen in de wachtende geest’. De sleutel tot zowel kennis
als wijsheid blijft altijd dezelfde: ‘ken uzelf’ –
ons werkelijke zelf – want volledige zelfkennis staat
gelijk aan alwetendheid.