Stof tot stof
Nhilde Davidson

 

Daar lag mijn vriendin; al een paar dagen verbleef ze op de afdeling intensive care en kon elk ogenblik uit dit leven vertrekken. Haar ogen waren gesloten en ze leek zich niet bewust van mijn aanwezigheid. Omdat ik echter ervan overtuigd was dat de innerlijke onsterfelijke geest die haar nog aan het leven ketende, me kon horen en ‘zien’, praatte ik wat over filosofie en onze eeuwige pelgrimstocht door tijd en ruimte. Terwijl ik keek naar haar niet meer reagerende lichaam dat zo’n last was geworden, vertelde ik haar even blij als zij te zijn als ze eindelijk van dit stoffelijke omhulsel kon worden bevrijd en kon vliegen naar de sterren waar ze zoveel van hield. Plotseling deed ze haar ogen open en haar lippen beefden. Ze kon nog steeds niet spreken, maar toen ik in haar ogen keek openden zich voor mij de oneindige ruimten van de ruimte. Ik had contact gemaakt met het eeuwige!
        Gedurende dat korte moment was het me zo duidelijk dat alle zorgen en ellende onbelangrijk waren. Lichamen en bezittingen waren tenslotte niet meer dan kortstondige stoffelijke dingen. Wat overbleef was de enige werkelijkheid – bewustzijn. Al lag ze met een lichaam dat niet kon bewegen en waarvan de levensfuncties begonnen uit te vallen, haar ogen waren bezield, leven en intelligentie glansden helder, niet aangetast door het ontbreken van een geschikt voertuig. Een minuut lang straalde er een luisterrijk licht; het vulde de atmosfeer met de waarheid dat altruïsme en barmhartigheid de enige werkelijkheden van doorslaggevende betekenis zijn in tijd en ruimte. Toen ik daar stond zag ik in hoe zinloos het was dat ik belang hechtte aan het niet-eeuwige. Maar al te gauw zal ook ik bij dat vertrekpunt zijn en alleen mijn bewustzijn hebben om mee te nemen. Wat zal mijn bagage zijn van dit leven? Wat zal ik de ziel kunnen tonen over deze jaren dat van waarde is? Ik voelde me intens gezegend. Mijn hart riep uit:


Wend u in uw hart af van alle uiterlijke kennis en stel u open voor de kennis van de sferen. . . .
U bent een vogel uit het paradijs, een vrije ziel! . . .
U bent vrij, zie eens hoe mooi uw vleugels zijn.
Voel nu hoe volmaakt uw gezondheid is.
Ga op weg naar de vuurkoning, uw lijden is voorbij. . . .
Vecht niet langer, u heeft het Elysium verworven. . . .
O, lach, lach, lach dan. . . .
O, schitterende en gelukkige ziel! . . .
O, gelukkige ziel, algauw zullen onze wegen uiteengaan, want ik moet terugkeren . . .
Ik kan niet gaan waar u kunt binnentreden, mooie vogel uit het paradijs; als u de vuurkoning in al zijn schoonheid ziet zeg hem dan dat    ik ernaar verlang om met hem te worden verenigd.
Nu, vaarwel schitterende vogel, stijg op, u bent zo vrij als de lucht.


        En evenals de priester die het bovenstaande zong vroeg ik haar toen ik vaarwel zei om de goden voor mij te groeten. Ik wenste haar ‘bon voyage’ en vertelde haar dat we maar voor korte tijd uiteengingen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency