In onze tijd wordt zelden over The Haunted Man [De bezeten
man] van Charles Dickens gesproken, misschien omdat dit verhaal is overschaduwd
door zijn meesterwerk, A Christmas Carol [Een kerstlied]; maar
toch is het in sommige opzichten subtieler van opzet en wordt daarin
een nog diepere toon van mededogen aangeslagen.
Het thema draait om de stelling dat indien een mens de herinnering
aan al zijn vroegere verdriet en rampspoed kon verliezen, dit een overeenkomstig
verlies van sympathie tot gevolg zou hebben, het vermogen om mee te
voelen met zijn medemensen in hun strijd en verdriet. Het is een prachtig
verhaal omdat de lezer zichzelf in de verschillende karakters herkent
en met ze meeleeft.
Zo is er Redlaw, een voortreffelijk scheikundige en een fijnbesnaard
mens die, omdat hij zoveel heeft bereikt, zich nu bezighoudt met allerlei
problemen van het denken en de ziel. We zien hem op de koude en stormachtige
avond vóór Kerstmis voor zijn open haard zitten in de
verlaten vertrekken van de oude universiteit, peinzend over voorvallen
uit het verleden: zijn jeugd zonder vrienden en het latere onrecht dat
hem werd aangedaan door het verraad van zijn vriend in wie hij het grootste
vertrouwen had gesteld. In het tragische verloop van één
uur was al zijn hoop op persoonlijk geluk weggevaagd en bleef hij achter
als een eenzame man, en dat was hij nog steeds. Zelfs de meeste van
zijn studenten bleven op eerbiedige afstand, omdat ze ontzag hadden
voor zijn zwaarmoedige terughoudendheid, hoewel ze konden weten dat
hij onmiddellijk en edelmoedig zou meeleven wanneer zich problemen voordeden.
De scheikundige wordt in zijn gedachtegang gestoord wanneer William,
de concièrge, binnenkomt om de tafel te dekken voor het avondeten.
William heeft een blozend gelaat, is opgewekt en gemoedelijk van aard
en vormt een volmaakte tegenstelling met de chemicus, want men kon zich
in de verste verte niet indenken dat hij zich zou overgeven aan ingewikkelde
bespiegelingen van welke aard ook. Milly, zijn vrouw, die na hem binnenkomt
met het eten, heeft in het stuk de rol van engel. Kalm, handig, met
heldere ogen, vertegenwoordigt ze het rechtstreekse en moeiteloze contact
met wat eenvoudig goed en waar is. Ze blijft een poosje om het vertrek
op te vrolijken met takjes hulst die worden binnengebracht door de bejaarde
vader van William, die vroeger ook concièrge is geweest, en die
ze zolang voor haar vasthoudt. Redlaw vraagt de oude man wat hij vindt
van de jaren die zijn verstreken: ‘Waren ze vrolijk en gelukkig
geweest?’ Maar hoewel de oude concièrge meer dan zijn aandeel
in sterfgevallen en teleurstellingen had gehad, waren daarover bij hem
nooit vragen opgekomen, en hij bleef uitweiden over alles wat hij had
om dankbaar voor te zijn.
Na het vertrek van deze gezonde mensen blijft Redlaw achter om de
draad van zijn overpeinzingen voor de open haard weer op te vatten,
en hij zit daar als ‘een eenzaam gedenkteken van de kwellingen
en tegenslagen van de grote diepten van de mensheid’. Hij denkt
niet alleen aan zichzelf, maar vraagt zich af of het geen weldaad voor
de hele mensheid zou zijn als hun droevigste herinneringen konden worden
uitgewist en alleen de aangename overbleven. Terwijl deze gedachten
zijn denken in beslag nemen, rijst uit de schaduwen achter zijn stoel
langzaam het spookbeeld van hemzelf op, ‘de geest van zijn somberste
uren’, opgeroepen door zijn zwaarmoedige gedachten. De twee zelven
ontmoeten en bestrijden elkaar, maar tenslotte haalt het spook Redlaw
over van alle droevige herinneringen afstand te doen, waarbij het fantoom
hem de gave van vergetelheid verleent – en wanneer hij die eenmaal
bezit, zal hij die ook aan anderen doorgeven.
De gevolgen laten niet lang op zich wachten. Als aan de grond genageld
staat hij op de plek waar het spook hem heeft achtergelaten, en hoort
ergens in het gebouw iemand schreeuwen. Het is een straatjoch, haveloos
en vuil, meer dier dan mens, met wie Milly vriendschap heeft gesloten.
Hij is in de lange gangen de weg kwijtgeraakt. Redlaw komt hem te hulp
en brengt hem naar zijn kamer. Vroeger zou de aanblik van een bedorven
en te gronde gerichte kinderziel zijn hart ineen hebben doen krimpen,
maar nu beziet hij die met een koude blik, met walging en afkeer.
Redlaw heeft van William gehoord dat één van zijn studenten
niet ver daarvandaan in een armoedig logement in bed ligt en te ziek
is om tijdens de feestdagen naar huis te gaan. Milly heeft hem verzorgd.
In een eerste opwelling wilde de chemicus hem dadelijk te hulp komen:
hij geeft nog gehoor aan zijn impuls en vindt hem inderdaad een aardige
jongeman die vervuld is van dankbaarheid voor zijn vriendelijke verzorgster.
Maar nog voordat Redlaw vertrekt, ziet hij hoe de jongeman een verandering
ondergaat van warme genegenheid naar koel geklaag en ondankbaarheid.
Op de trap naar boven naar de kamer van de student kwam Redlaw de familie
Tetterby tegen en sprak met hen. Het is een arm en kinderrijk gezin,
maar ondanks de armoede gewoonlijk opgewekt. Toen hij voorbij was, daalde
dezelfde donkere wolk op deze familie neer en ze vervielen tot gekrakeel
en geweeklaag over hun lot.
Zelfs de levendige en hartelijke William, de concièrge, en zijn
vader zijn nu besmet en zien niet in waarom ze nog langer met elkaar
opgescheept moeten blijven, terwijl de oude man medelijden met zichzelf
begint te krijgen en eist dat er beter voor hem wordt gezorgd en het
hem gemakkelijker wordt gemaakt . . . En er vonden in de loop van die
vreselijke avond meer van dat soort confrontaties plaats.
Redlaw ziet de veranderingen die hij heeft teweeggebracht en voelt
een mateloos innerlijk verdriet. Terwijl hij haastig naar zijn kamer
teruggaat, is hij vastbesloten zich niet meer buitenshuis te begeven
als hij de verschrikkelijke betovering niet van zich kan afschudden.
De enigen die hij niet heeft kunnen beïnvloeden zijn de kleine
teugelloze kwajongen, die geen vertederende herinneringen te verliezen
heeft en ook geen gelukkige om er een contrast mee te vormen –
en Milly die, als de belichaming van goedheid en reinheid, buiten zijn
bereik is.
De chemicus doet een beroep op het spook om zijn schadelijke geschenk
terug te nemen. Hij is de waarheid gaan beseffen: de herinnering aan
verdriet, onrecht en moeilijkheden zijn de dingen die de schakel vormen
tussen onszelf en anderen, die medegevoel en wederzijdse hulpvaardigheid
mogelijk maken. Hij roept uit: ‘Ik heb lange tijd onderwezen dat
niets kan worden buitengesloten; geen stadium of atoom in de wonderbaarlijke
structuur zou verloren kunnen gaan zonder dat er een leegte in het grote
heelal wordt gemaakt. Nu weet ik dat dit ook geldt voor goed en kwaad,
geluk en verdriet, in de herinneringen van mensen.’
. . . Het is kerstmorgen. Terwijl de schaduwen wegtrekken, begint de
betovering haar kracht geleidelijk te verliezen; de kerstklanken worden
door de lucht meegevoerd, en door de melodieën valt de hardvochtige
kou van Redlaw af alsof het een verkillend gewaad was. Het spook verschijnt,
maar zijn aanblik is nu minder schrikwekkend. Het brengt aan zijn zijde
een reflectie van Milly mee en geeft te kennen dat Redlaw naar haar
toe moet gaan en van haar moet leren.
Het haveloze joch dat naast de haard ligt te slapen is voor Redlaw
nog steeds een mysterie en een rustverstoorder. Het spook leest de gedachten
van de chemicus en, terwijl het op de jongen wijst, zegt het:
‘Dit is de laatste en meest volledige illustratie van een menselijk
schepsel dat het volledig ontbreekt aan herinneringen zoals die door
u werden opgegeven . . . Alles in dit ontredderde schepsel is een dorre
woestenij. Alles in de mens die beroofd is van dat waarvan u afstand
heeft gedaan, is dezelfde woestenij. Wee zulk een mens! Tienmaal wee
het land dat monsters zoals dit wat hier ligt, bij honderden en bij
duizenden zal tellen! Er is niet één van hen – niet
één – of hij laat een oogst zien die de mensheid
moet oogsten.
Aanschouw, zeg ik u, het volmaakte type dat u verkoos te zijn . . .
Zijn gedachten vormden een ‘vreselijk gezelschap’ voor uw
gedachten, omdat u tot zijn onnatuurlijke peil bent afgedaald. Hij is
de uitwas van de onverschilligheid van de mens; u bent de uitwas van
de verwaandheid van de mens. Het weldadige plan van de Hemel wordt in
beide gevallen tenietgedaan.’
Verdoofd, maar verlicht, bukt de chemicus zich en dekt de slapende
jongen toe, en ervaart een nieuw gevoel van mededogen voor hem en al
zijn lotgenoten. Later legt hij de gelofte af ‘hem te beschermen,
te onderwijzen en op het rechte pad terug te brengen’.
Tijdens de ochtendschemering doet Milly haar ronde om voor de zieke
jongeman te zorgen en voor twee anderen die we niet hebben genoemd.
Redlaw vergezelt haar en waar ze ook komt, brengt ze de vrede van Kerstmis;
waar geklaag en ruzie zijn geweest, daar herstelt de troost van haar
aanwezigheid de stroom van natuurlijke gevoelens van genegenheid. Zij
is het die Redlaw erop wijst dat het goed voor ons is ons het kwaad
dat ons is aangedaan te herinneren, zodat we het kunnen vergeven.
In dit verhaal is Dickens gestuit op de fundamentele gedachte dat mededogen
in het hart van alle dingen is: ‘De WET der Wetten –
eeuwige harmonie; een oeverloze, universele essentie, het licht van
eeuwigdurend recht, de juiste ordening van alles, de wet van eeuwige
liefde.’