De bezeten man
Madeline Clark

 

In onze tijd wordt zelden over The Haunted Man [De bezeten man] van Charles Dickens gesproken, misschien omdat dit verhaal is overschaduwd door zijn meesterwerk, A Christmas Carol [Een kerstlied]; maar toch is het in sommige opzichten subtieler van opzet en wordt daarin een nog diepere toon van mededogen aangeslagen.

Het thema draait om de stelling dat indien een mens de herinnering aan al zijn vroegere verdriet en rampspoed kon verliezen, dit een overeenkomstig verlies van sympathie tot gevolg zou hebben, het vermogen om mee te voelen met zijn medemensen in hun strijd en verdriet. Het is een prachtig verhaal omdat de lezer zichzelf in de verschillende karakters herkent en met ze meeleeft.

Zo is er Redlaw, een voortreffelijk scheikundige en een fijnbesnaard mens die, omdat hij zoveel heeft bereikt, zich nu bezighoudt met allerlei problemen van het denken en de ziel. We zien hem op de koude en stormachtige avond vóór Kerstmis voor zijn open haard zitten in de verlaten vertrekken van de oude universiteit, peinzend over voorvallen uit het verleden: zijn jeugd zonder vrienden en het latere onrecht dat hem werd aangedaan door het verraad van zijn vriend in wie hij het grootste vertrouwen had gesteld. In het tragische verloop van één uur was al zijn hoop op persoonlijk geluk weggevaagd en bleef hij achter als een eenzame man, en dat was hij nog steeds. Zelfs de meeste van zijn studenten bleven op eerbiedige afstand, omdat ze ontzag hadden voor zijn zwaarmoedige terughoudendheid, hoewel ze konden weten dat hij onmiddellijk en edelmoedig zou meeleven wanneer zich problemen voordeden.

De scheikundige wordt in zijn gedachtegang gestoord wanneer William, de concièrge, binnenkomt om de tafel te dekken voor het avondeten. William heeft een blozend gelaat, is opgewekt en gemoedelijk van aard en vormt een volmaakte tegenstelling met de chemicus, want men kon zich in de verste verte niet indenken dat hij zich zou overgeven aan ingewikkelde bespiegelingen van welke aard ook. Milly, zijn vrouw, die na hem binnenkomt met het eten, heeft in het stuk de rol van engel. Kalm, handig, met heldere ogen, vertegenwoordigt ze het rechtstreekse en moeiteloze contact met wat eenvoudig goed en waar is. Ze blijft een poosje om het vertrek op te vrolijken met takjes hulst die worden binnengebracht door de bejaarde vader van William, die vroeger ook concièrge is geweest, en die ze zolang voor haar vasthoudt. Redlaw vraagt de oude man wat hij vindt van de jaren die zijn verstreken: ‘Waren ze vrolijk en gelukkig geweest?’ Maar hoewel de oude concièrge meer dan zijn aandeel in sterfgevallen en teleurstellingen had gehad, waren daarover bij hem nooit vragen opgekomen, en hij bleef uitweiden over alles wat hij had om dankbaar voor te zijn.

Na het vertrek van deze gezonde mensen blijft Redlaw achter om de draad van zijn overpeinzingen voor de open haard weer op te vatten, en hij zit daar als ‘een eenzaam gedenkteken van de kwellingen en tegenslagen van de grote diepten van de mensheid’. Hij denkt niet alleen aan zichzelf, maar vraagt zich af of het geen weldaad voor de hele mensheid zou zijn als hun droevigste herinneringen konden worden uitgewist en alleen de aangename overbleven. Terwijl deze gedachten zijn denken in beslag nemen, rijst uit de schaduwen achter zijn stoel langzaam het spookbeeld van hemzelf op, ‘de geest van zijn somberste uren’, opgeroepen door zijn zwaarmoedige gedachten. De twee zelven ontmoeten en bestrijden elkaar, maar tenslotte haalt het spook Redlaw over van alle droevige herinneringen afstand te doen, waarbij het fantoom hem de gave van vergetelheid verleent – en wanneer hij die eenmaal bezit, zal hij die ook aan anderen doorgeven.

De gevolgen laten niet lang op zich wachten. Als aan de grond genageld staat hij op de plek waar het spook hem heeft achtergelaten, en hoort ergens in het gebouw iemand schreeuwen. Het is een straatjoch, haveloos en vuil, meer dier dan mens, met wie Milly vriendschap heeft gesloten. Hij is in de lange gangen de weg kwijtgeraakt. Redlaw komt hem te hulp en brengt hem naar zijn kamer. Vroeger zou de aanblik van een bedorven en te gronde gerichte kinderziel zijn hart ineen hebben doen krimpen, maar nu beziet hij die met een koude blik, met walging en afkeer.

Redlaw heeft van William gehoord dat één van zijn studenten niet ver daarvandaan in een armoedig logement in bed ligt en te ziek is om tijdens de feestdagen naar huis te gaan. Milly heeft hem verzorgd. In een eerste opwelling wilde de chemicus hem dadelijk te hulp komen: hij geeft nog gehoor aan zijn impuls en vindt hem inderdaad een aardige jongeman die vervuld is van dankbaarheid voor zijn vriendelijke verzorgster. Maar nog voordat Redlaw vertrekt, ziet hij hoe de jongeman een verandering ondergaat van warme genegenheid naar koel geklaag en ondankbaarheid.

Op de trap naar boven naar de kamer van de student kwam Redlaw de familie Tetterby tegen en sprak met hen. Het is een arm en kinderrijk gezin, maar ondanks de armoede gewoonlijk opgewekt. Toen hij voorbij was, daalde dezelfde donkere wolk op deze familie neer en ze vervielen tot gekrakeel en geweeklaag over hun lot.

Zelfs de levendige en hartelijke William, de concièrge, en zijn vader zijn nu besmet en zien niet in waarom ze nog langer met elkaar opgescheept moeten blijven, terwijl de oude man medelijden met zichzelf begint te krijgen en eist dat er beter voor hem wordt gezorgd en het hem gemakkelijker wordt gemaakt . . . En er vonden in de loop van die vreselijke avond meer van dat soort confrontaties plaats.

Redlaw ziet de veranderingen die hij heeft teweeggebracht en voelt een mateloos innerlijk verdriet. Terwijl hij haastig naar zijn kamer teruggaat, is hij vastbesloten zich niet meer buitenshuis te begeven als hij de verschrikkelijke betovering niet van zich kan afschudden. De enigen die hij niet heeft kunnen beïnvloeden zijn de kleine teugelloze kwajongen, die geen vertederende herinneringen te verliezen heeft en ook geen gelukkige om er een contrast mee te vormen – en Milly die, als de belichaming van goedheid en reinheid, buiten zijn bereik is.

De chemicus doet een beroep op het spook om zijn schadelijke geschenk terug te nemen. Hij is de waarheid gaan beseffen: de herinnering aan verdriet, onrecht en moeilijkheden zijn de dingen die de schakel vormen tussen onszelf en anderen, die medegevoel en wederzijdse hulpvaardigheid mogelijk maken. Hij roept uit: ‘Ik heb lange tijd onderwezen dat niets kan worden buitengesloten; geen stadium of atoom in de wonderbaarlijke structuur zou verloren kunnen gaan zonder dat er een leegte in het grote heelal wordt gemaakt. Nu weet ik dat dit ook geldt voor goed en kwaad, geluk en verdriet, in de herinneringen van mensen.’

. . . Het is kerstmorgen. Terwijl de schaduwen wegtrekken, begint de betovering haar kracht geleidelijk te verliezen; de kerstklanken worden door de lucht meegevoerd, en door de melodieën valt de hardvochtige kou van Redlaw af alsof het een verkillend gewaad was. Het spook verschijnt, maar zijn aanblik is nu minder schrikwekkend. Het brengt aan zijn zijde een reflectie van Milly mee en geeft te kennen dat Redlaw naar haar toe moet gaan en van haar moet leren.

Het haveloze joch dat naast de haard ligt te slapen is voor Redlaw nog steeds een mysterie en een rustverstoorder. Het spook leest de gedachten van de chemicus en, terwijl het op de jongen wijst, zegt het:

‘Dit is de laatste en meest volledige illustratie van een menselijk schepsel dat het volledig ontbreekt aan herinneringen zoals die door u werden opgegeven . . . Alles in dit ontredderde schepsel is een dorre woestenij. Alles in de mens die beroofd is van dat waarvan u afstand heeft gedaan, is dezelfde woestenij. Wee zulk een mens! Tienmaal wee het land dat monsters zoals dit wat hier ligt, bij honderden en bij duizenden zal tellen! Er is niet één van hen – niet één – of hij laat een oogst zien die de mensheid moet oogsten.

Aanschouw, zeg ik u, het volmaakte type dat u verkoos te zijn . . . Zijn gedachten vormden een ‘vreselijk gezelschap’ voor uw gedachten, omdat u tot zijn onnatuurlijke peil bent afgedaald. Hij is de uitwas van de onverschilligheid van de mens; u bent de uitwas van de verwaandheid van de mens. Het weldadige plan van de Hemel wordt in beide gevallen tenietgedaan.’

Verdoofd, maar verlicht, bukt de chemicus zich en dekt de slapende jongen toe, en ervaart een nieuw gevoel van mededogen voor hem en al zijn lotgenoten. Later legt hij de gelofte af ‘hem te beschermen, te onderwijzen en op het rechte pad terug te brengen’.

Tijdens de ochtendschemering doet Milly haar ronde om voor de zieke jongeman te zorgen en voor twee anderen die we niet hebben genoemd. Redlaw vergezelt haar en waar ze ook komt, brengt ze de vrede van Kerstmis; waar geklaag en ruzie zijn geweest, daar herstelt de troost van haar aanwezigheid de stroom van natuurlijke gevoelens van genegenheid. Zij is het die Redlaw erop wijst dat het goed voor ons is ons het kwaad dat ons is aangedaan te herinneren, zodat we het kunnen vergeven.

In dit verhaal is Dickens gestuit op de fundamentele gedachte dat mededogen in het hart van alle dingen is: ‘De WET der Wetten – eeuwige harmonie; een oeverloze, universele essentie, het licht van eeuwigdurend recht, de juiste ordening van alles, de wet van eeuwige liefde.’

 
Kunst, muziek, (kinder)verhalen en literatuur
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 2003

© 2006 Theosophical University Press Agency