Over parachutisten en visies
Fred A. Pruyn

 

Als kleine jongen genoot ik ervan om mijn fiets te pakken, de stad te verlaten en te gaan kijken naar de parachutisten die in de nabijgelegen weilanden neerkwamen. Ik stak een boerenerf over, passeerde gezapige koeien, waarbij ik steeds moest uitkijken voor hun grote vlaaien die in een hinderlaag achter hoge grassprieten verborgen konden liggen, en met een oog schuin omhoog tastte ik intussen rusteloos het zwerk af. Na een paar honderd meter te hebben afgelegd kwam ik bij een kleine vierkante plek met zand waarnaast een windzak stond en wat mensen. De zon scheen helder aan de prachtig blauwe hemel en het was heerlijk warm op die typisch dromerige zomerse dag - alleen de wind was een spelbreker. Veel parachutisten was dat niet ontgaan. Zij hadden grote moeite met de soms onverwacht zware windstoten.
        En toen gebeurde het. Ik zag het vliegtuigje heel hoog aan de hemel, en aan het afnemende geluid van de motor kon ik opmaken dat de piloot de gashendel had teruggetrokken. Een klein zwart stipje verscheen dat bijna te snel naar de aarde terugviel. Het valscherm ging op tijd open en ik zag dat de man met grote snelheid door de wind werd meegenomen, tot ver, ver weg van de landingsplaats.
        Eventjes verdween hij uit het zicht toen hij in een greppel was terechtgekomen. Seconden later kwam hij weer te voorschijn, door en door nat, worstelend met zijn parachute en de zware windstoten. Ik was opgelucht dat hij heelhuids was geland, want het was duidelijk dat hij geen ervaren parachutist was. Toen hij om hulp riep, snelde ik op hem af. Buiten adem stopte ik vlak voor een klein boerenslootje, hetzelfde slootje waarin hij zijn onfortuinlijke landing had gemaakt. Het kroos en de grotere waterplanten hadden het oppervlak van het water weer volledig bedekt, en hadden zelfs niet het geringste bewijs achtergelaten van wat er enkele minuten eerder had plaatsgevonden. De arme druipende kerel, weer weggesleept door de machtige wind, werd ook nog eens door een koeienvlaai getrokken en riep nog eens om hulp. Het dichtstbijzijnde bruggetje scheen mij een wandeling van misschien wel tien minuten. Een berekening van mijn atletische vermogens en de breedte van het slootje waren snel gemaakt, te snel. Maar eindelijk had ik het gevoel dat er tenminste één volwassene was die vertrouwen in mijn hulp had. Terugkijkend moet ik hebben geweten dat het me niet zou lukken, want ik blonk nou niet bepaald uit in wiskunde of atletiek. Ik nam een lange aanloop, sprong en ging kopje onder om uiteindelijk onder het kroos weer boven te komen, met een enorme stank.
        Na de man met zijn parachute te hebben geholpen, die een wilde vrijage maakte met de stevige bries, fietste ik als een klein groen marsmannetje naar huis en trok een lang spoor van water en kroos achter me aan. Thuisgekomen kon ik de hoon van mijn ouders natuurlijk niet ontlopen; ik zal nooit vergeten dat mijn vader riep: ‘Als ik andere mensen in de sloot zag springen, zou ik dat in ieder geval niet doen!’
        Toen werd ik me ervan bewust dat ik niet sprong om een beloning te krijgen, noch was er een vervelende gedachte over eventueel falen door mijn hoofd gegaan. Wat overbleef was slechts de hulpeloosheid van de parachutist die ik in mijn hart had gevoeld. Het was misschien wel de eerste keer in mijn jonge leventje dat ik met een andere wereld had kennisgemaakt. Het was waarschijnlijk daarom dat ik mij niet schaamde, en dus was ik zelfs een beetje blij. Soms lijkt het gewoon onvermijdelijk om tot op de modderige bodem te moeten gaan om uiteindelijk met een nieuwe visie weer boven te komen.

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 2003

© 2003 Theosophical University Press Agency