[Israel Manuel Oderberg die in de loop
van de jaren vele artikelen heeft bijgedragen aan Sunrise,
is op 18 september 2002 gestorven. Hij werd op 30 november 1912 geboren
in Londen, Engeland, kort voor zijn familie naar Melbourne, Australië,
verhuisde. Op ongeveer 15-jarige leeftijd raakte hij serieus geïnteresseerd
in Egypte, en toen hij van een naschoolse activiteit spijbelde en in
de plaatselijke bibliotheek rondsnuffelde, ontdekte hij H.P. Blavatsky’s
Isis Ontsluierd. Toen hij 18 jaar was geworden, werd hij lid
van de Theosophical Society, maar op aandringen van zijn ouders trok
hij zich terug, om opnieuw lid te worden toen hij 21 werd. In 1930 begon
hij een studie farmacie aan de Universiteit van Melbourne, waarna hij
een aanvullend college filosofie volgde. Hij was actief als apotheker
tot de Tweede Wereldoorlog, waarna hij in het leger diende als signalist.
Na de oorlog werd hij journalist bij het Australian Jewish News,
en werd begin jaren ’50 redacteur daarvan. Hij was nauw betrokken
bij het theosofische werk in Australië, en tijdens een bezoek aan
het theosofische hoofdkwartier in 1962 werd hij uitgenodigd om staflid
te worden. Hij schonk het grootste deel van zijn grote verzameling boeken
aan het hoofdkwartier. In 1972 werd het Theosophical Library Center
in Pasadena voor het publiek geopend, en werd hij tot Research Librarian
benoemd, een positie die hij tot halverwege de jaren ’90 behield.
Men zal zich Manuel niet alleen herinneren wegens zijn encyclopedische
kennis, maar ook door zijn warme hart, zijn speelse gevoel voor humor,
zijn voorliefde voor de gedachtewisseling, zijn grenzeloze nieuwsgierigheid,
en jeugdige geest. Het volgende artikel verscheen eerder in Sunrise
in februari 1980. – Red.]
Ik neem geen rust bij het vervullen van mijn grote
taak!
Om de eeuwige werelden te openen,
om de onsterfelijke ogen van de mens naar binnen te richten
en te openen voor de werelden van het denken,
voor de eeuwigheid die zich steeds uitbreidt
in de schoot van God, de menselijke verbeelding.
– William
Blake, Jerusalem
Langgeleden werd in de vroege mensheid het vermogen tot
denken gewekt, wat de deur opende tot zelf-identificatie en het besef
van ruimte en tijd. Het was een magisch moment in het leven van de mensheid
toen we de specifieke verschillen en overeenkomsten tussen de wezens
die de aarde bewonen, gingen zien. Het Oude Testament symboliseert dit
door de episode waarin Adam de planten en dieren een naam geeft, want
de mensheid was de eerste klasse van aardse wezens die de eigenschappen
opmerkte van elk individu en soort of geslacht. Bij die gelegenheid
ontstond de menselijke spraak, die zich sterk onderscheidt van de klanken
die door de niet-zelfbewuste dieren worden voortgebracht, want in onze
door mensen gevormde woorden worden de klinkers door medeklinkers ingesloten.
Onze taal is afgemeten, een teken van een beheerste en scherpe intelligentie.1
Gedachten moeten zijn voorafgegaan aan woorden, die dus werden gecreëerd
uit de behoefte om aan die gedachten uitdrukking te geven.
Oude leringen zeggen ons dat het potentiële denken
van de vroege mensheid werd ontstoken door de al ontwikkelde geestelijk-mentale
vermogens van wezens die in een voorafgaande planetaire levensperiode
hoog geëvolueerde mensen waren. Misschien zouden we onze opvatting
over het denkvermogen moeten uitbreiden tot voorbij het rationele aspect
dat in onze tijd zo hoog staat aangeschreven, want het omvat zoveel
meer – zoals het aspect dat de bron is van de intuïtie. We
hebben ook nog een andere eigenschap die nauw is verbonden met onze
scheppende vermogens.
Onze verbeeldingskracht is een vermogen dat zich aan een
bindende definitie onttrekt, want haar eigenschappen zijn duidelijk
immaterieel. Met behulp daarvan kunnen wij alle mogelijke activiteiten
en bestaansvormen bedenken en scheppen. Charles Darwin verklaarde in
The Descent of Man dat ‘De verbeeldingskracht een van
de grootste voorrechten is van de mens. Door dit vermogen verenigt hij
vroegere beelden en ideeën, onafhankelijk van de wil, en schept
zodoende schitterende en nieuwe resultaten’ (uitg. 1896, blz.
74). De middeleeuwse mystici Hugh en Richard van het St. Victor klooster
in Parijs spraken over ‘de verbeelding, de rede en het intellect’
als verschillende facetten van onze innerlijke natuur, waarbij ze zich
misschien baseerden op de driedeling van Paulus die de mens zag als
een wezen samengesteld uit geest, ziel en lichaam.
We kunnen in de westerse opvatting over de verbeelding
een langzame ontwikkeling ontdekken. Iamblichus bijvoorbeeld, die aan
het eind van de derde en aan het begin van de vierde eeuw leefde, schreef:
‘De verbeelding gaat de hele natuur en al wat is voortgebracht
te boven en door haar kunnen we ons verheffen boven de wereldlijke orde,
deelhebben aan het eeuwige leven en aan de boven-hemelse energie. Daarom
zullen we door juist dit beginsel worden bevrijd van de banden van het
lot.’ Volgens een commentator bedoelt Iamblichus dat, door ‘contact
te maken met’ inspiratie en inzicht, wij het ‘‘lot’
van ons karakter kunnen overwinnen door de problemen en beperkingen
van de persoonlijkheid te boven te komen’. Van de verbeelding
kan inderdaad een krachtige invloed uitgaan die onze ziel vormgeeft
of verandert, en op zijn minst één schrijver met inzicht
heeft ons aangemoedigd ‘ons voorstellingsvermogen te gebruiken’,
want daardoor ‘stellen wij ons in onze verbeelding grootse dingen
voor’, en openen we een ‘deur naar nieuwe vermogens’
in onszelf.2 Dit aspect van de verbeelding
wordt beschreven als tweeledig, in zijn lagere vorm even destructief
als creatief in zijn hogere. Met andere woorden, wij worden wat wij
ons voorstellen.
In deze tijd heeft het woord verbeeldingskracht verschillende
betekenissen gekregen, en het wordt gewoonlijk alleen gebruikt in de
literatuur en in andere vormen van kunst. Men heeft haar bijvoorbeeld
opgevat als de eigenschap die de omlijsting schept, de ‘atmosfeer’
of de achtergrond, en de symboliek in de meest ontroerende gedichten
of andere vormen van kunst. Dat wil zeggen, ze werd als synoniem beschouwd
van fantasie of het fantaseren. Maar geleidelijk aan zijn de betekenissen
van de termen ver uiteen gaan lopen. De twee dichters uit de 19de eeuw
die veel hebben bijgedragen tot het groter worden van de verschillen,
waren Wordsworth en Coleridge, die beiden van mening waren dat het maken
van een gedicht bepaald geen verstandelijk proces is. Coleridge, die
Wordsworths voorlopige opvatting uitwerkte dat de verbeelding een ‘element
van het innerlijke zelf van de natuur’ is, identificeerde haar
met scheppingskracht, het hoogste vermogen dat ervaringen in beelden
samenvat. Ze neemt vormen en orde waar en gebruikt verschillende, zelfs
tegengestelde, elementen van gevoel, visie en denken om een verenigd
geheel te verkrijgen. Met andere woorden, ze verbindt en assimileert
de dagelijkse ervaringen tot een grotere eenheid. Terwijl Carlyle van
mening was dat de verbeelding een lagere plaats op de schaal innam dan
het intellect, beschouwde Coleridge haar als het ‘orgaan van het
goddelijke’. Aan de andere kant zag hij in de fantasie alleen
maar het vermogen om dingen en gebeurtenissen te combineren. Wordsworth
associeerde de ‘hogere dichtkunst’ met de ‘wijsheid
van het hart’ en de ‘grootsheid van de verbeelding’.
Hij vond ook dat ‘waar deze zich ook voordoen, eenvoud hen vergezelt’.
Ook Shelley gaat diep op dit thema in. Als platonist plaatst
hij het verstand op een lager niveau dan de andere mentale vermogens;
het verstand heeft een leidend beginsel, de verbeelding, dat hij voorstelt
als een ‘troon binnen de onzichtbare aard van de mens’.
Verder zegt hij, zoals Carl Grabo het verwoordt, dat er
goddelijke orde, waarheid en schoonheid
bestaan in de immateriële wereld van ideeën, een wereld
waartoe het creatieve of poëtische denken soms toegang heeft.
In het licht van de tekenen vanuit deze wereld – die wij bij
gebrek aan een betere term intuïties moeten noemen – past
het creatieve denken dat ze waarneemt zijn verbeeldingskracht, zijn
vermogen verbanden te leggen, toe op de feitelijke ervaringen, en
draagt zodoende ertoe bij dat het feitelijke zich vormt overeenkomstig
het goddelijke.3
Wat de wereld volgens Shelley het meest nodig heeft, zijn
niet nog meer feiten, maar de scheppende verbeelding, en hij analyseert
de hachelijke toestand waarin onze materialistische beschaving verkeert,
die in hoofdzaak op wetenschappelijke en economische kennis is gebaseerd.
Zowel voor Plato als voor hemzelf geldt dat de stoffelijke kant van
het leven de werkelijke wereld waarvan deze de weerkaatsing of ‘schaduw’
is, gedeeltelijk verduistert en gedeeltelijk onthult. Tijdens die momenten
waarin we ons verlicht voelen, worden we ons bewust van het ‘hart
van de dingen’, wat betekent dat we de aanwezigheid voelen van
de eeuwige levensessentie, waarvan alle kortstondige en routinematige
gebeurtenissen van ons dagelijks leven niet meer dan symbolen zijn.
Dit is de reden waarom de dichter zich in een toestand schijnt te bevinden
van voortdurende verwondering over de fijnere aspecten van het leven
– hij is gevoelig voor de onzichtbare werkelijkheid.
Shelley is ervan beschuldigd onpraktisch te zijn, maar
hij zag de wreedheid, onrechtvaardigheid en zelfzucht die niet alleen
in zijn wereld heersten, maar ook in onze tijd waarneembaar zijn. Als
hij nagaat wat de grondoorzaak is van al het lijden en de onmenselijkheid,
komt hij uit bij het verlangen naar geluk dat wij allen hebben, en bij
onze onzekerheid waar wij dit moeten zoeken. In een commentaar schrijft
Carl Grabo:
Tenzij het verstand door de verbeelding
wordt geleid, brengt het slechts zinloze resultaten voort. Wij beschikken
over kennis, materiële zaken en macht over natuurkrachten; maar
deze hebben op zichzelf geen betekenis . . . tenzij wij, daartoe aangezet
door de intuïtie vanuit het goddelijke, er op fantasierijke wijze
een bruikbare vorm aan geven, voor een vrijere en minder zelfzuchtige
maatschappelijke orde. Dit is niet de analyse en de leer van een ziener,
maar realisme van de hardste soort. Het is geïnspireerd gezond
verstand. Het is niet Shelley die fantastisch en krankzinnig is, maar
de wereld van ‘praktisch’ ingestelde mensen.4
– blz. 363
Als de verbeelding in zich het vermogen draagt van vindingrijkheid
of originaliteit, hoe staat het dan met imitaties en het werk van een
handwerksman? Een kernspreuk van Ptah-hotep, een hoge regeringsambtenaar
uit het oude Egypte die met het toenemen van de jaren wijsheid had verworven,
zegt, vrij vertaald, ‘Een kunstenaar bereikt nooit de top van
zijn creativiteit. De handwerksman kan nooit volmaaktheid bereiken.’
Zoals de volle bloei van de artistieke inspiratie niet volledig kan
worden weergegeven zoals ze in de verbeelding wordt gezien, zo kan ook
de kunst van de handwerksman geen absoluut volmaakt werk voortbrengen.
Philostratus verhaalt dat Apollonius van Tiana in een discussie met
Thespesion over de prachtige Griekse beelden van godheden, gemaakt door
Pheidias en Praxiteles, zei dat deze kunstenaars met het uitbeelden
van de goden niet alleen imiteerden of fantaseerden, zoals hij had aangegeven,
maar veeleer
een invloed hadden ondergaan geladen
met wijsheid en genialiteit. . . . De verbeelding bracht deze werken
tot stand, een veel wijzere en subtielere kunstenaar dan de imitatie;
want imitatie kan als haar werk slechts scheppen wat ze heeft gezien,
maar de verbeelding ook wat ze niet heeft gezien – want zij
stelt zich haar ideaal voor met betrekking tot de werkelijkheid, en
de imitatie is vaak verbijsterd door angst [of ontzag], maar de verbeelding
door niets; want zij gaat onverschrokken op het doel af dat zij zich
heeft gesteld.’ – Life of
Apollonius, vi, xix
En de Griekse platonische filosoof Longinus merkt op dat
‘de verbeelding vaak de grenzen van de ruimte overschrijdt, zodat,
als we ons leven van alle kanten bezien, en merken hoe grootsheid en
schoonheid en verhevenheid overal heersen, we rechtstreeks het doel
zullen ontdekken waarvoor we werden geschapen’ (Over het verhevene,
xxxv).
Laten we ons nu wenden tot een andere dichter-kunstenaar
uit de 19de eeuw, die de term verbeelding een nieuwe en ruimere betekenis
gaf. William Blake, die zich grotendeels door zelfonderricht tot mysticus
had ontwikkeld, was even begaafd in de beeldende kunsten als in de dichtkunst.
Hij begaf zich in de stroom van ideeën, die in het moeras van de
donkere eeuwen van Europa vloeide en zijn oorsprong vond in Plato, de
neoplatonisten en die weinige mystici, die, verspreid wat plaats en
tijd betreft, zich in de levenschenkende wateren hadden gedompeld. Door
het duister van de dogmatiek en ongeletterdheid van die tijd heen, zag
Blake schijnsels van geestelijk licht, afkomstig uit een zeer oude wijsheidstraditie.
Doordat hij aan deze verschillende bronnen omschrijvingen ontleende
over het bezielde heelal en de samengestelde natuur van de mens, schiep
hij zijn eigen taal, waarvan de belangrijkste term misschien het woord
verbeelding is, dat hij op een kenmerkende manier gebruikt.
Blake zag de mens als een geestelijk wezen, dat eeuwen
geleden in het rokerige vuur van het materiële leven was getrokken
en zich niet bewust was van zijn ware identiteit. De zielen, ‘uit
de hemel gevallen’, of uit hun oorspronkelijke toestand van zuiverheid,
blijven ‘rook’-gebonden, gevangen door de valse schittering
van de genoegens die de fysieke kant van het aardse bestaan biedt. Hun
honger naar bezittingen en de vreugde die voedsel zijn voor het ego
en zijn lagere aspecten, neemt toe, telkens wanneer het gevoel van bevrediging
verflauwt. De toename brengt een verdere bedwelming met zich mee.
Als de deuren tot waarneming werden
gereinigd,
zou de mens alles zien zoals het is, oneindig.
Want de mens heeft zichzelf opgesloten,
tot hij alles ziet door nauwe spleten van
zijn grot.
–
The Marriage of Heaven and Hell
De enige redder is de verbeeldingskracht die, naar hij
zegt, in feite de scheppende ziel van het heelal is. In zijn geschriften,
illustraties, tekeningen en etsen, vergelijkt hij de verbeelding met
de dorre, mechanistische aspecten van het redenerende denken. De mythologie
die hij bedacht symboliseert dit proces. Zijn uitdrukking ‘duivelse
fabrieken’, bijvoorbeeld, waarschuwt tegen de verderfelijke kanten
van de industriële revolutie: het verlagen van menselijke entiteiten
die geestelijke individuen zijn tot louter stoffelijke schepsels, die
functioneren als de tandwielen waardoor de machines draaien. De namen
van de Engelse geleerde Newton en de filosoof Locke vertegenwoordigen
in zijn dichtkunst de verstandelijke elementen in de menselijke natuur;
zij symboliseren de buitensporige afhankelijkheid van de mechanistische
aspecten van het denken – dat deel ervan dat slechts de ‘computer’
of het brein bedient, en niet de hogere elementen die het programmeren.
Blake’s zienswijze legt de nadruk erop dat dit gebeurt ten koste
van de betere kwaliteiten van de mens. De schepper van de fysieke wereld,
de ‘werkman’, zou slechts een machineachtig heelal kunnen
voortbrengen, dat in feite een schaduwbeeld is van het veel hogere rijk
waar de werkelijk scheppende aspecten van het goddelijke meer tot hun
recht kunnen komen.
 |
Blake,
‘Het scheppen van Adam’ |
Wij mensen zijn slechts afspiegelingen van de geestelijke
wezens die we bij het begin van de wereld waren en die we innerlijk
nog steeds zijn, zelfs al beseffen we niet dat dit het geval is. Door
een glimp op te vangen van onze ware natuur, door te aspireren en te
streven naar het ideaal, worden we opnieuw de logos waarvan
we essentiële delen waren (en nog steeds zijn!). Deze logos,
de Goddelijke Rede van de Griekse filosofen en de gnostici, het ‘Woord’
van het Nieuwe Testament, noemde Blake ‘Jezus de Verbeeldingskracht’.
De term heeft geen betrekking op de figuur van 2000 jaar geleden, maar
op de universele ‘goddelijke mensheid’ waarvan de aardse
mensheid een onvolmaakt voertuig is. Een Indiaas symbool voor deze ‘goddelijke
mensheid’ is de banyanboom, waarbij onze mensheid is als de afhangende
takken die tenslotte wortel zullen schieten in de kosmische bodem om
op hun beurt de stammen te worden van een nieuw gewas.
In onze tijd is meer literatuur beschikbaar over de gnostische
gemeenschappen dan in de tijd van Blake, en hij zou daarin de middelen
hebben gevonden om de betekenis van zijn visie af te ronden en uit te
breiden, namelijk dat de mensen in het begin zuivere en doorschijnende
– en hij voegde daaraan de sleutelterm onzelfbewuste
toe – goddelijke essenties waren. De Tibetaanse boeddhist stelt
zich de essentiële vonk in het hart van alle entiteiten voor als
het ‘juweel in de lotus’. De levensprocessen hebben bijgedragen
aan het polijsten van het juweel, totdat het volledige besef van het
innerlijke potentieel is bereikt. Dan zal de mensheid gereed zijn voor
het volgende stadium van de evolutie of ontplooiing van latente vermogens
– een hoger niveau van groei van de ziel, want lichamen zijn slechts
de omhulsels die het mogelijk maken om de innerlijke kwaliteiten tot
uitdrukking te brengen die tot dan toe niet waren geopenbaard.
Blake voelde de enorme verantwoordelijkheid die de kunstenaar
heeft om, hetzij met woorden of in beelden, voor de mens te bemiddelen
tussen de stoffelijke gebieden en de fijnere gebieden van de geest.
Hij haalde graag Shakespeare’s visie aan:
In schone vervoering rolt het oog
van de dichter,
Ziet van de hemel naar de aarde, van de aarde weer omhoog;
Als de verbeelding dingen oproept, onbekend,
Geeft de pen van de dichter daaraan vorm,
En schenkt aan het etherisch niets
Een plaats op aarde en een naam.
Een sterke verbeelding haalt dat soort streken uit.
–
Een Midzomernachtsdroom 5.1
Blake had echter bezwaar tegen de laatste regel van dit
citaat. Eén biograaf schrijft dat Blake zelf
geestelijke beelden zag door het aanwenden
van een speciaal vermogen – dat van de verbeeldingskracht –
waarbij dit woord werd gebruikt in de toen ongebruikelijke, maar ware
betekenis, van een vermogen dat zich bezighoudt met de subtielere
werkelijkheden, niet met verzinsels . . . de dingen die de
verbeelding zag waren evenzeer werkelijkheden als de grove en tastbare
feiten. . . . Zijn advies aan een jonge schilder was: ‘je hoeft
alleen de verbeelding te verheffen tot de visionaire toestand en je
bent er.’
– Alexander Gilchrist, Life of
Blake, blz. 318-9
Volgens Jacob Boehme, de Duitse mysticus, die één
van Blakes meest geliefkoosde bronnen was, at Adam met zijn ‘uiterlijke
mond’, en zag zodoende slechts de fysieke boom met de vruchten
van kennis van goed en kwaad. Hij moest opnieuw leren eten, maar nu
met zijn ‘innerlijke mond’, wat volgens Blake betekent het
‘reinigen van de deuren van de waarneming’. Kathleen Raine
maakt de tot nadenken stemmende opmerking dat de levensboom in de Hof
van Eden ‘de wereld van de verbeelding’ voorstelt, terwijl
de boom van kennis van goed en kwaad betrekking heeft op de stoffelijke
kant van de schepping – de ‘vergissing’ van de ‘boom
van schepping’. Zij ziet de levensboom als Adams ‘mysterieboom’
en meent dat de natuur, gezien als de ‘magia’,
of de ‘wonderen van God’, niet langer over de mens zijn
‘destructieve macht’ uitoefent, zoals die wordt vertegenwoordigd
door de verlokkingen van het stoffelijk leven.5
Het onderdompelen in de stof, zoals dat oorspronkelijk plaatsvond en
werd gesymboliseerd door de val van de engelen, was echter geen vergissing
in het scheppingsproces. Het doel ervan was het oproepen, uit de latente
toestand, van de eigenschappen van de geestelijke individualiteit in
alle entiteiten. De vergissing ligt in het weloverwogen kiezen voor
een voortgezet opgaan in het belichaamde fysieke bestaan, in plaats
van het omhooggaan met de cyclus van loutering die nu aan de gang is.
Als Blake echter volledig had doorzien wat zijn visie
op een bezield heelal met zich meebracht, een heelal waarin alle zielen
zijn doordrongen van een zweempje goddelijkheid, dan zou hij het begrip
‘een persoonlijke God’, hoe groots ook, niet zo
hoog hebben aangeslagen. Oneindigheid kan niet in een of andere term
worden gevangen, want dat zou een beperking ervan betekenen. De verbeelding
ziet wat er bestond vóór de schepping van de kosmos met
zijn hemellichamen en ons tegenwoordige thuis, de aarde. ‘Zoals
een spin zijn web weeft en weer intrekt, zoals de kruiden ontstaan in
de grond . . . zo ontstaat het heelal uit het onvergankelijke ene’
(Mundaka Upanishad 1.1.7).
Maar zoals de winter de lente aankondigt, zo bevat elk
sterven de zaden in zich van een nieuw leven. ‘Een onophoudelijk
overschrijden van drempels, een eindeloos zijn door te worden . . .
eindeloos . . . eindeloze tijd . . . geen begin, geen eind . . .’
Want het heelal ‘is een wordende god’ en Blake’s ‘verbeelding’
is het goddelijke aspect van de mensheid, op de vleugelen waarvan wij
kunnen vliegen en zó al onze beste mogelijkheden kunnen verwezenlijken.
Noten
- In De Geheime Leer (2:223-5) wijst H.P. Blavatsky
erop dat de eerste taal inderdaad geheel was gebaseerd op het gebruik
van klinkers zonder medeklinkers. Mogelijk werd deze taal op muzikale
wijze tot uitdrukking gebracht door het op en neer golven langs de
toonladder, zoals dit bij sommige talen in het Oosten zelfs nu nog
gebeurt.
- Katherine Tingley, Theosofie:
Het Pad van de Mysticus, blz. 49.
- The Magic Plant: The Growth of Shelley’s
Thought, blz. 354-5. Dit is een prachtige en stimulerende studie
van Shelley’s opvattingen over dit onderwerp, en van de strenge
logica die Shelley gebruikt om zijn filosofie, en ook zijn intuïtieve
inzichten, op te bouwen. Prof. Peter Butter bespreekt in zijn Shelley’s
Idols of the Cave (1954) ook kort de invloed van Plato en de
neoplatonische filosofie op het denken van Shelley, vanaf de tijd
dat de dichter in 1817 in Eton Symposion [Het gastmaal] las,
toen hij het oude Grieks vlot leerde lezen en hij de oorspronkelijke
teksten tot de grondslag van zijn filosofie maakte.
- Zie Shelley’s A Defence of Poetry voor
een scherpzinnige behandeling van dit onderwerp.
- Zie: Blake and Tradition, deel 2, Appendix
1, blz. 49.