Met dit nummer nodigt Sunrise zijn lezers opnieuw uit voor
een ontdekkingsreis, want we zijn allemaal ontdekkingsreizigers: of
we dat nu willen of niet, ieder ogenblik krijgen we te maken met het
onbekende. Vaak verdoezelen we dit ongemakkelijke mysterie met een laagje
routine, proberen we stil te staan waar we nu zijn en nemen ons voor
daar een flinke tijd te blijven. Maar wat we ook proberen, het onbekende
duikt weer op, eist nu en dan onze volle aandacht op, soms ons hele
wezen. De eruit voortkomende verandering is traumatisch voor de illusie
van bestendigheid die we uit ideologische en psychologische gewoontereacties
hebben opgebouwd. Onze gehechtheid aan deze gewoonten is er helaas de
oorzaak van dat we meer aandacht besteden aan de meningen en overtuigingen
van de mensen dan aan het feit dat we ons mens-zijn gemeen hebben. We
denken dat als anderen het maar met ons eens zouden zijn – voelen
zoals wij voelen, denken zoals wij denken – de problemen konden
worden opgelost en alles in de wereld in orde zou zijn.
Sommige mensen beschouwen misschien ook de theosofie als een verzameling
ideeën, zoals reïncarnatie en karma, geestelijke emanatie
en evolutie. Dat was echter niet het oorspronkelijke doel ervan. De
stichters van de Theosophical Society hebben herhaaldelijk gezegd dat
zij niet een nieuwe religie of denkrichting is die probeert dogma’s
of een geloofsovertuiging aan de mensen voor te schrijven. Ze is een
broederschap die iedereen aanmoedigt onderzoek te doen naar de mysteries
van het leven. Ze legt in de eerste plaats de nadruk op universele broederschap,
en mensen die wel of niet een religie aanhangen of een filosofische
overtuiging hebben, zijn welkom om mee te werken zolang ze het beginsel
van broederschap onderschrijven en erkennen dat anderen recht hebben
op hun eigen opvattingen. Ook zijn de theosofische leringen geen kant
en klaar product om massaal te worden aanvaard. De tijdloze filosofie
is eerder iets dat iedereen afzonderlijk zou moeten ontdekken en interpreteren
– niet omdat de werkelijkheid relatief is, maar omdat het persoonlijke
begrip ervan dat noodzakelijkerwijs is.
De centrale plaats die we aan geloofsovertuigingen en ideeën toekennen
kan ons ertoe brengen ons af te vragen wat we werkelijk weten.
We accepteren of verwerpen voortdurend verklaringen, feiten, theorieën,
denkstelsels. We bezitten beslist geen persoonlijke kennis van veel
zaken die het leven onder onze aandacht brengt: onze onwetendheid van
feiten is te groot, onze waarnemingen en interpretaties zijn te vaak
vertekend, ons denkvermogen is te traag. Wanneer we voor nieuwe of tegenstrijdige
ideeën komen te staan, wenden de meesten van ons zich tot een vertrouwde
autoriteit die voor ons vaststelt wat waar is. Het kan een boek zijn
of een geschrift, een denkstelsel, een vooraanstaande figuur of uitgangspunten
die we in de loop van een heel leven ons eigen hebben gemaakt. Veel
westerlingen beschouwen de gangbare wetenschappelijke opvattingen als
de hoogste autoriteit bij het vaststellen van de werkelijkheid; anderen
vinden die misschien in de bijbel, de koran, de veda’s –
of zelfs in de moderne theosofische literatuur.
‘Wie laten we toe om tussen ons en de werkelijkheid te staan?’
is een belangrijke vraag – even belangrijk als ‘wie laten
we toe om tussen ons en het goddelijke te staan?’ We kunnen ons
zelfs afvragen of we een tussenpersoon nodig hebben. Misschien weigerde
de Boeddha wel om over veel metafysische zaken te spreken, want elke
keer dat er een mening boven de eigen ervaring wordt gesteld, wordt
er een autoriteit bij betrokken. In plaats daarvan richtte hij zich
voornamelijk op het menselijke bewustzijn en het praktische leven –
gebieden waar mensen voor zichzelf zaken kunnen waarnemen, ervaren en
toetsen. Misschien is dit ook de reden dat de Theosophical Society is
gebaseerd op universele broederschap, met vrijheid van geweten en overtuiging:
geen leringen of blind geloof, maar in de eerste plaats het streven
om broederschap in het dagelijkse leven tot een levende kracht te maken.
Wordt daarmee bedoeld dat filosofische, wetenschappelijke en religieuze
onderwerpen die buiten onze eigen ervaring liggen er niet toe doen?
Wat is de bedoeling van het praten over de geschiedenis, aard en bestemming
van het heelal en de mensheid, of over de structuur en eigenschappen
van materie en energie? Als mensen zijn we een deel van het kosmische
geheel, zodat het begrijpen van het heelal en alles wat erin is op dezelfde
fundamentele manier nuttig is als het begrijpen van onszelf. Bovendien
zijn zulke onderwerpen alleen maar abstract als we niet begrijpen hoe
we ze kunnen toepassen. Ieder feit of idee wordt praktisch zodra we
een manier vinden om het te gebruiken – of te misbruiken. Onze
beschaving wendt haar opvatting van de stoffelijke wereld aan om technologieën
te ontwikkelen die ons voeden, beschutten, genezen, vervoeren en vermaken.
Religieuze opvattingen worden in even zakelijke bewoordingen aangeboden
als middelen om in aanraking te komen met het goddelijke om ons te verzekeren
van voordelen in zichtbare en onzichtbare werelden, of voor het vestigen
van morele en sociale orde. Laten we echter bij het overdenken van alle
voor ons beschikbare informatie niet de in woorden geklede of wiskundige
beschrijvingen van het werkelijke verwarren met de werkelijkheid
zelf, maar in plaats daarvan vrij en open blijven in onze verkenningen.
Hoe kunnen we dan leren de werkelijkheid duidelijker en nauwkeuriger
te onderscheiden, en te weten? Hoewel feilbaar en beperkt worden
ons verstand en onze intuïtie voor ons de beste gidsen naar een
dieper begrip indien waarheid en niets dan waarheid ons doel is. De
meesten van ons worden beheerst door kennis en gewoonten die geleidelijk
zijn gegroeid terwijl we functioneren op de automatische piloot. We
kunnen onze waarnemingen nuanceren door onafhankelijk denken en onderzoek,
door te weigeren informatie uit de tweede hand als definitief aan te
nemen en welke autoriteit dan ook onvoorwaardelijk te aanvaarden. Zelfonderzoek
en onbevooroordeelde analyse maken het ons mogelijk ons bewust te worden
van de grondslag waarop we ons oordeel vormen en wat of wie we toestaan
tussen ons en de werkelijkheid te staan. Door dieper in onszelf te graven
kunnen we stevig verankerde gedachte- en gevoelspatronen blootleggen
en ons een gelegenheid geven te veranderen en te groeien. Vooral onze
daden, gevoelens en denkgewoonten, en niet onze meningen, onthullen
wat we werkelijk in ons hart geloven.
Het is niet onze verantwoordelijkheid andere mensen onze inzichten
bij te brengen, maar om onszelf open te stellen – voor
het leven en voor anderen. Er zit enorm veel zelfingenomenheid in de
houding dat wij beter weten dan de rest van de mensheid wat juist en
goed voor hen is. Onze medemensen zijn geen grondstof voor onze
edele bedoelingen of om hen naar ons eigen beeld te vormen. Als mensen
zullen we onvermijdelijk verschillende visies en geloofsovertuigingen
hebben, gebaseerd op verschillende hypothesen en autoriteiten die we
kiezen. Dit gevolg van menselijke onvolmaaktheid moeten we aanvaarden
zonder ons te laten verdelen en van elkaar te vervreemden omdat de ideeën
van deze uiteenlopende autoriteiten met elkaar in strijd zijn. Onze
medemensen in de armen sluiten zoals ze nu zijn, onvoorwaardelijk en
zonder bijbedoelingen, is de sleutel om broederschap in praktijk te
brengen en om deze in het leven van de mens tot een werkelijkheid te
maken.