In het
kader van de tijdeloze traditie van barden en rishi’s wil ik graag
de legende vertellen over Inanna, koningin van hemel en aarde. Als dochter
van de maan en zuster van de zon, is Inanna in het pantheon van de Soemeriërs
de ochtend- en avondster, Venus-Aphrodite. Toch gaat haar verhaal over
een vrouw, moeder, priesteres, koningin en godin die voor haar volk
niet alleen de wetten en vaardigheden om zich als beschaving te ontwikkelen
van een god opeiste, maar die, door in de onderwereld af te dalen en
weer terug te keren, ons ook verzekert van de onsterfelijkheid van de
ziel. De gedichten waarin haar verhaal wordt verteld zijn bijna vierduizend
jaar geleden, sommige misschien zelfs eerder, in kleitabletten gegraveerd.
Duizenden jaren hebben ze begraven gelegen onder de ruïnes van
oude steden die eens bloeiden in het gebied tussen de rivieren de Tigris
en de Eufraat, en fragmenten ervan zijn gedurende de afgelopen 150 jaar
met veel moeite teruggevonden en ontcijferd. Een van de meer recente
boeken, Inanna, Queen of Heaven and Earth, Her Stories and Hymns
from Sumer,1 geeft uitdrukking aan
de diepte en schoonheid van de oorspronkelijke verhalen. Het boek is
een ontroerende weergave en interpretatie geschreven door de talentvolle
folkloriste Diane Wolkstein in samenwerking met de onlangs overleden
Samuel Noah Kramer, de deskundige bij uitstek op het gebied van Soemerië,
die ook een inzichtelijke samenvatting van de Soemerische geschiedenis,
cultuur en literatuur heeft gegeven.
Deze allegorische gedichten zijn van groot belang omdat ze gedachten
weergeven die door andere culturen in hun mythen en geschriften zijn
overgenomen. Dit betreft verslagen over het begin van de wereld; over
een levensboom en een boom van wijsheid; over het ‘stelen’
van gaven van de goden waardoor het denken van de mens wordt wakker
geroepen en die hem voorzien van de normen en waarden, wetten, gewoonten,
vaardigheden en wetenschappen van het beschaafde leven; en over de ontdekkingsreis
van de held in de innerlijke duisternis, en naar de sferen die onze
ziel tijdens de slaap en na de dood doorkruist. Het eerste gedicht begint
met:
In de eerste dagen toen alles wat nodig was tot leven
werd gewekt,
In de eerste dagen toen voor alles wat nodig was goed werd gezorgd,
. . .
Toen de hemel zich van de aarde had verwijderd,
En de aarde zich van de hemel had afgescheiden,
En de naam van de mens werd vastgesteld;
Toen de god van de hemel, An, de hemelen had weggevoerd,
En de god van de lucht, Enlil, de aarde had weggevoerd,
Toen de Koningin van het Grote Beneden, Ereshkigal, de onderwereld
als domein had gekregen, . . .
Hier komen ‘tijdens de eerste dagen’ drie werelden tot
leven: Het Grote Boven, de aarde, en het Grote Beneden, dit laatste
was voor de Soemeriërs zowel een donker en beangstigend gebied
waar de doden woonden, vanwaar geen terugkeer mogelijk is, en een gebied
waar de mysterieuze processen van voortbrenging en vernieuwing plaatsvinden.
Op dat moment gebeurde het volgende: ‘een enkele boom, een huluppu-boom
/ Werd aan de oever van de Eufraat geplant,’ en werd door het
water ervan gevoed. De zuidenwind ontwortelde hem en de rivier voerde
hem weg. Inanna, een vrouw ‘die leefde in angst voor het woord
van de god van de hemel, An, / Die leefde in angst voor het woord van
de god van de lucht, Enlil, / Trok de boom uit de rivier’ en plantte
hem in haar ‘heilige tuin’ in Uruk. Deze huluppu die oorspronkelijk
was geplant door Enki, god van de wijsheid, doet ons denken aan bomen
in andere scheppingsverhalen. Ze verwijzen onder andere naar de drie
werelden of niveaus van wezens en bewustzijn. Ze zijn geworteld in de
donkere gebieden erbeneden, hun takken strekken zich in deze aardse
wereld uit en verschaffen voedsel, beschutting, en kennis aan haar verscheidenheid
van wezens, terwijl hun kruinen zich verheffen naar de hemelen. Er wordt
op een verband gewezen tussen de wortels van zulke bomen – die
al kronkelend en draaiend in de aarde doordringen – en de serpenten
of slangen die de wijzen voorstellen die het heilige bewaken en zich
in het onbekende wagen om de mysteries van het leven te onderzoeken.
Inanna zorgde tien jaar lang voor de boom, en de boom werd dik;
Toen maakte een slang die niet kon worden bezworen
Haar nest in de wortels van de huluppu-boom.
De Anzu-vogel broedde zijn jongen uit in de takken van de boom.
En het donkere meisje Lilith bouwde haar huis in de stam.
‘De jonge vrouw die ervan hield te lachen, huilde’, maar
ze wilden haar boom niet verlaten. Uiteindelijk kwam de held van Uruk,
Gilgamesh, de tuin binnen.
Gilgamesh doodde de slang die niet kon worden bezworen.
De Anzu-vogel vloog met zijn jongen de bergen in;
En Lilith vernielde haar huis en vluchtte de wildernis in, naar onbewoonde
gebieden.
Gilgamesh maakte toen de wortels van de huluppu-boom los;
En de zonen van de stad die hem vergezelden, sneden de takken af.
Uit de stam sneed Gilgamesh een troon en een bed voor zijn ‘heilige
zus’. Uit zijn kruin en wortels vervaardigde Inanna een mikku
en pukku (een staf en een ring?) voor Gilgamesh.
Toen de jeugdige Inanna volwassen werd en door haar ontwakende vrouwelijke
kracht meer zelfvertrouwen kreeg, realiseerde ze zich dat ze de goddelijke
‘gaven’ nodig had om zich als koningin te vestigen en haar
volk te leiden. Met vindingrijkheid en moed bemachtigde ze deze –
evenals Prometheus dit deed voor de Grieken, en de coyote en de kraai
voor de Noord-Amerikaanse indianen, en zoals ieder van ons dit moet
doen indien we onszelf willen leren kennen. Terwijl ze de kroon van
de steppe op haar hoofd plaatste, zei ze: ‘Ik, de koningin van
de hemel, zal de god van de wijsheid bezoeken. . . . Ik zal Enki, de
god van de wijsheid, eer bewijzen in Eridu.’ Toen Enki haar zag
aankomen, zei hij tegen zijn bediende:
Wanneer Inanna de heilige tempel binnengaat
Geef haar dan boterkoek te eten.
Schenk koud water in om haar hart te verfrissen.
Bied haar bier aan voor het standbeeld van de leeuw.
Behandel haar als gelijke.
Groet Inanna aan de heilige tafel, de tafel van de hemel.
En zo gebeurde het dat Enki en Inanna feestvierden en dronken aan de
tafel van de hemel totdat Enki, onder invloed van de drank, op Inanna
proostte:
In de naam van mijn macht! In de naam van mijn heilige
tempel!
Aan mijn dochter Inanna zal ik geven
Het hoge priesterschap! Goddelijkheid!
De edele, duurzame kroon! De troon van het koningschap!
Inanna antwoordde: ‘Ik aanvaard ze!’ Veertien keer hief
Enki zijn beker op en bood Inanna de heilige me (‘de
kwaliteiten van een beschaving’) aan, bijna 100 ervan, waaronder
de capaciteiten van een held, de bekwaamheden van een gezagsdrager,
de vaardigheden van een beschaafde maatschappij, waarheid, het afdalen
in de onderwereld, het opstijgen uit de onderwereld, een scherp waarnemend
oor, het verheugd zijn van het hart, het vellen van oordelen, en het
nemen van beslissingen. Deze ‘gaven’ omvatten ook veel van
de negatieve gevolgen van het ontwaken van het denkvermogen. Inanna
nam ze alle aan, laadde ze in de Hemelboot en stond op het punt zich
tegen de kade af te zetten, toen een ontnuchterde Enki, zich bewust
van wat hij had gedaan, zijn bediende Isimud stuurde om haar terug te
roepen om de heilige gaven terug te brengen. Maar Inanna sloeg geen
acht hierop, en schreeuwde dat Enki zijn belofte had gebroken. Enki
stuurde Isimud nog zes keer, maar vergeefs. En zes keer stuurde hij
demonische wezens – woestharige monsters, vliegende reuzen, en
draken – om haar Hemelboot te grijpen; maar Inanna’s krijgsvrouw
en dienaar Ninshubur overwon ze alle.
Van alle me die Inanna ontving, waardeerde ze, evenals Enki,
het vermogen om beslissingen te nemen het meest. Omdat ze wist dat de
andere gaven zonder dit vermogen – dat wilskracht, het nemen van
initiatieven, en onafhankelijkheid met zich meebrengt – geen waarde
zouden hebben, weigerde Inanna het terug te geven, en besloot ze dit
en alles wat ze had ontvangen met haar volk te delen. Toen ze bij de
Witte Kade van Uruk aankwam, werd ze met zang en een feest welkom geheten,
en terwijl ze de gaven onder haar volk verdeelde, ontdekte ze dat er
meer was dan Enki had gegeven. Trommels, tamboerijnen, de kunstnijverheid
van vrouwen, en de volmaakte toepassing van de heilige me waren
inbegrepen. De alwijze Enki verzoende zich ermee, zegende Inanna en
verklaarde:
In de naam van mijn macht! In de naam van mijn heilige
tempel!
Laat de me die u heeft meegenomen in de heilige tempel van uw stad
blijven.
Laat de hogepriester zijn dagen bij de heilige tempel doorbrengen
met zang.
Laat het de bewoners van uw stad voor de wind gaan,
Laten de kinderen van Uruk zich verheugen. . . .
Laat de stad Uruk zijn verheven plaats weer innemen.

De heilige me omvatten de geestelijke vormen of patronen die
de basis zijn van sociaal gedrag en de grondslagen van de wetten en
vaardigheden die een beschaving groot maken. We herkennen ze als de
sleutels die door gerespecteerde wetgevers aan de mensheid zijn aangeboden
en die zijn verwerkt in de sociale, wettelijke, en rechterlijke stelsels
van de wereld. We zijn ons ook ervan bewust dat wanneer we deze gedragsregels
volgen er goddelijke harmonieën naar de aarde omlaag worden gebracht
en ons leven daardoor wordt veredeld en verrijkt.
Het volgende deel, ‘De verloving van Inanna en Dumuzi’,
laat een liefdesverhaal zien waarin door middel van beeldspraak wordt
beschreven hoe de bipolaire energieën die in de natuur bestaan,
op een creatieve manier met elkaar worden verweven. Haar broer had haar
aangezet om te trouwen met de schaapherder Dumuzi, maar Inanna wijst
hem eerst af want ‘zijn kleding is grof, en zijn wol ruw.’
Maar ze overweegt het opnieuw wanneer haar moeder (haar intuïtie?)
haar verzekert dat Dumuzi voor haar als een vader en een moeder zou
zijn, liefhebbend en zorgzaam. Maar is het voor een godin nodig om zo
te worden behandeld? Zonder twijfel moet de goddelijke kracht die ze
symboliseert worden gekoesterd en beschermd wil ze zich op dit gebied
manifesteren. Metafysisch gezien is dit een voorstellingswijze van het
denkbeeld van een avatara, waarbij een goddelijke kracht, die een geestelijk
voertuig gebruikt, in een gereedgemaakt menselijk lichaam afdaalt om
de mensheid te verheffen. Dumuzi, de liefhebbende maar ‘grove’
mens, wordt een koning door zich te verenigen met de godin, en een ontvanger
en schenker van zegeningen van boven. Maar het gedicht eindigt op een
heel menselijke toon. Na de bruiloft en de huwelijksreis wendt Dumuzi,
die zich zelfverzekerd voelt en ernaar verlangt zijn koningschap op
zich te nemen, zich tot Inanna: ‘Kom, mijn geliefde zuster, ik
verlang ernaar om naar het paleis te gaan. / Maak me vrij . . .’
Lang daarna, toen haar twee zonen volwassen waren geworden, opende
Inanna haar oor2 en omdat ze zich bewust
werd van de nood van haar oudere zuster Ereshkigal, die treurde over
de dood van haar man, voelde ze zich verplicht om in de donkere onderwereld
af te dalen. Deze stille roep geeft aan dat de Koningin van het Grote
Beneden en de Bewaker van de Mysteries van de Dood op het punt stond
een deel van haar geheimen te onthullen. Om zich op haar afdaling voor
te bereiden, bezocht en verliet Inanna elk van haar tempels in de zeven
steden van haar rijk en nam de zeven heilige me in haar handen
– wat aangeeft dat haar kracht was toegenomen voor de komende
beproeving omdat ze deze deugden tot een deel van haarzelf had gemaakt.
Versierd met de zeven symbolen van haar staat als koningin, daalde ze
af in het Grote Beneden. Interessant is dat het getal zeven, dat heelheid
symboliseert, in deze sage herhaaldelijk wordt genoemd. Hier kan heelheid
worden gezien als het vermengen of sublimeren van de menselijke en geestelijke
elementen wat tijdens de hogere inwijdingen plaatsvindt.
Onderweg naar de onderwereld adviseerde Inanna haar trouwe dienaar,
Ninshubur, om een beroep te doen op de vaderen om haar van de dood te
redden als zij na drie dagen en nachten niet zou zijn teruggekeerd.
Toen ze bij de buitenpoort aankwamen, klopte Inanna aan en eiste te
worden binnengelaten. Neti, de poortwachter, verscheen en informeerde,
‘Wie bent u?’ Inanna antwoordde, ‘Ik ben Inanna, Koningin
van de Hemel, / Op weg naar het oosten.’ Neti zei haar te wachten
terwijl ze haar boodschap aan Ereshkigal overbracht. Toen Ereshkigal
dit hoorde sloeg ze op haar dij en beet op haar lip. Nadat ze de kwestie
ter harte had genomen, droeg ze Neti op
De zeven poorten van de onderwereld te ontgrendelen.
En dan, één voor één, elke poort op een
kier te zetten.
Laat Inanna binnenkomen.
Verwijder haar koninklijke kledingstukken wanneer ze binnenkomt.
Laat de heilige priesteres van de hemel diep gebogen binnenkomen.
En zo gebeurde het. Inanna liet een van haar zeven ‘kledingstukken’
bij elk van de zeven poorten achter totdat ze naakt en gebogen in de
troonzaal stond. Daar velden de zeven rechters van de onderwereld hun
oordeel over haar. Ereshkigal richtte de ogen van de dood op haar –
wat erop wijst dat zij opdracht gaf om met deze inwijdingsgeboorte door
te gaan – en veranderde haar eens zo mooie zuster in een lijk
dat aan een haak aan de muur hing als een wegrottend stuk vlees. De
haak of kromme spijker staat misschien voor het doordringen in een andere
wereld, een gedachte die terugkomt in de haakvormige Hebreeuwse letter
waw (
),
die een ‘opening’ of ‘doorgang’ betekent. Aan
de muur te worden gehangen duidt misschien erop dat wat er ook in het
verschiet ligt, we vastzitten aan – in feite gekruisigd zijn op
– onze eigen bestemming.
Toen Inanna na drie dagen en nachten niet was teruggekeerd, ging Ninshubur
(Inanna’s geestelijke zelf) naar de tempel in Nippur en verzocht
ze vader Enlil haar te helpen; maar hij wilde zich niet erin mengen
omdat hij wist dat terugkeer uit het Grote Beneden niet mogelijk was.
Ninshubur ging naar de tempel van Ur en zocht assistentie bij vader
Nanna, maar ook hij wilde niet helpen. Wanhopig ging Ninshubur naar
Eridu en vroeg vader Enki om haar te redden. Diep ontdaan, haalde Enki
vuil onder zijn vingernagels vandaan en vormde twee wezens die noch
mannelijk noch vrouwelijk waren. Hij zei hen de onderwereld als vliegen
binnen te gaan, en wanneer ze Ereshkigal zouden horen kreunen, steunen
en zuchten tijdens de pijnscheuten van haar bevalling, zij ook moesten
kreunen, steunen en zuchten. Dit deden ze zo doeltreffend dat Ereshkigal,
die zich verbaasde over hun medeleven en zich getroost voelde, hen een
geschenk aanbood. Ze vroegen slechts het lijk dat aan de muur hing.
Toen ze het kregen, volgden ze Enki’s instructies op en besprenkelden
het met voedsel en levenswater. Inanna stond op, herboren!
Hoewel er weinig wordt gezegd over wat er plaatsvindt in de onderwereld,
onthullen soortgelijke inwijdingsreizen in het Egyptische en Tibetaanse
Dodenboek en in het hermetische ‘Visioen van Hermes’ veel.
In laatstgenoemde reist de ziel van Hermes naar de zon, en stopt onderweg
bij elk van de zeven planetaire ‘stations’, waar ze hun
geheimen leert kennen en een deel van zichzelf afwerpt, zodat ze zichzelf
kan verenigen met het ene en zuivere goddelijke. Tijdens de terugkeer
haalt zijn ziel de achtergelaten delen weer op en gaat haar in trance
verkerende lichaam verlicht binnen. Deze allegorische verhalen zijn
goudmijnen die erop wachten om te worden onderzocht. Sommigen vergelijken
de afdaling met onze dagelijkse fysieke of psychische cyclussen van
geboorte, zuivering, transformatie, dood en wedergeboorte. Anderen zien
haar als de manier waarop we in de onbekende diepten van ons wezen speuren,
de illusies, vooroordelen en angsten die ons verblinden onder ogen zien
en achter ons laten, en ons goddelijke zelf ontdekken.
Voordat de verrezen Inanna de Onderwereld kon verlaten, stonden de
rechters erop dat ze voor een plaatsvervanger zou zorgen; en om zeker
ervan te zijn dat ze dit deed, omringden ze haar met demonen –
wezens die noch eten noch drinken en die fladderen tussen hemel en aarde
en goed noch kwaad kennen. Deze demonen, die zich vastkleefden aan het
lichaam van Inanna, eisten dat ze hen haar dienaar Ninshubur zou geven.
Maar de godin weigerde: ‘Nee! Ninshubur is mijn voortdurende steun
en toeverlaat, mijn vriendin, beschermster, en wijze raadgeefster. Ik
zal u Ninshubur nooit geven.’ Toen Inanna, terwijl ze naar huis
reisde, bij de zeven steden en tempels van haar rijk stopte, eisten
de demonen dat ze hen een van haar twee zonen zou geven, maar Inanna
weigerde. Uiteindelijk kwamen ze in Uruk waar Dumuzi, haar jonge echtgenoot,
op zijn schitterende troon zat en zo in beslag werd genomen door het
koningschap dat hij haar komst niet bemerkte noch de liefde bevestigde
die ze eens hadden gedeeld. Gekwetst zei Inanna tegen de demonen ‘Neem
hem! Neem Dumuzi mee!’
Hoewel het hem verschillende keren lukte om te ontsnappen met de hulp
van zijn zuster Geshtinanna en Inanna’s broer Utu, werd Dumuzi
tenslotte gevangen, vastgebonden, en door de demonen meegenomen. Maar
toen hij weg was, miste Inanna hem heel erg, en hetzelfde gold voor
zijn zuster en moeder. Hun verdriet was ontroostbaar en het land verkeerde
in droefheid. Na enige tijd cirkelde er een heilige vlieg rond en gaf
aan waar Dumuzi lag. Daar troffen Inanna en Geshtinanna hem huilend
aan. Inanna nam hem bij de hand en zei: ‘Jij zal naar de onderwereld
gaan / De helft van het jaar. / Jouw zuster, omdat ze dat heeft gevraagd,
/ Zal de andere helft van het jaar gaan. Op de dag dat je wordt geroepen,
/ Op die dag zul je worden meegenomen. / Op de dag dat Geshtinanna wordt
geroepen, / Op die dag zul je worden vrijgelaten. / Inanna gaf Dumuzi
in handen van de eeuwigheid.’ Op deze manier verzoenden Inanna
en hij zich. Hun relatie als koning/koningin, man/vrouw, vader/kind,
broer/zus geeft de dualiteit aan van mannelijk/vrouwelijk, positief/negatief,
geest/stof die overal in de kosmos bestaat. Dumuzi’s zesmaandelijkse
verblijf in het Grote Beneden afgewisseld met zes maanden vrijheid wijst
op de verandering van seizoenen in de natuur van dorheid naar overvloed
en, in het leven van de mens, op de afwisseling van perioden van rust
– die tijd geven voor overdenking en voorbereiding – en
perioden van activiteit en expressie.
Wie is dan tenslotte deze veelzijdige Inanna, die wordt afgeschilderd
als een kind van de goden en van wie de potentiële kwaliteiten
zich ontvouwen van meisje tot vrouw, moeder, priesteres, ingewijde,
koningin en stellaire godin? Als een vrouwelijk aspect van kosmische
en menselijke krachten heeft ze een tweevoudig karakter, evenals wij,
en geeft ze op verschillende momenten blijk van het volledige spectrum
van menselijke eigenschappen. In één opzicht is ze een
Aarde Moeder, ‘even hoog als de hemel, even breed als de aarde.’
Haar zorgzaamheid voor anderen blijkt duidelijk uit haar redding en
tedere verzorging van de huluppu-boom en uit het bemachtigen –
waarbij haar leven in gevaar komt – van de goddelijke gaven voor
de mensheid. In een ander opzicht is ze het geestelijke deel in iedere
mens die moeilijkheden overwint om steeds vollediger zijn luister tot
uitdrukking te brengen.
De reeks gedichten over haar kunnen dienen als gids, die de waarde
toelicht van het leven om anderen van dienst te zijn; van het herkennen
en het in onze natuur opnemen van de door de goden verstrekte wetten
en deugden; van steeds vooruit te durven gaan, waarbij we de schillen
die we zijn ontgroeid als een lijk dat aan de muur hangt achterlaten;
en van het voortdurend vertrouwen op en uitdrukking geven aan de liefde
en wijsheid van de moeder/priesteres/godin die we in ons hart zijn.
Evenals Inanna hoeven we alleen maar onze ‘oren’ te openen
om wijsheid en waarheid te vinden.
Noten
- Harper & Row Publishers, New York, 1983.
- ‘Het openen van iemands oor’ betekent
dat iemand zijn hart opent voor wijsheid; de Soemerische woorden voor
oor en wijsheid zijn identiek – een gedachte
waarnaar ook wordt verwezen door de Boeddha af te beelden met langgerekte
oren die hem in staat stellen om de roep van de wereld te horen.