De dag is een cyclus, en de zonsopkomst en zonsondergang
zijn momenten waarop de sluier tussen de innerlijke en uiterlijke
werelden dunner wordt; iets van binnen raakt het hart en de hele natuur
reageert. De vogels antwoorden met een ode aan de ochtend en de avond,
de planten met het openen en sluiten van bloemen, en andere levensvormen
weer op een andere unieke manier. . . .
De vier heilige seizoenen van het
jaar worden herhaald tijdens de vier delen van de dag, en iedere zonsopkomst
brengt hernieuwd leven – werkelijk, een nieuwe lente voor de
ronde van die dag.
In de lente, de zonsopkomst van het
jaar, beginnen de zangvogels vanuit het zuiden te arriveren. Snel
daarop verschijnen de bloemen, een siddering van nieuw leven is overal
voelbaar.
In oude tijden kende de mens de innerlijke
betekenis van de natuur, kende zichzelf als één met
de natuur, en leefde in harmonie met de Grote Moeder.
– Allan Stover, Nature’s Magic
Wanneer de smeltende sneeuw de barre wereld blootlegt
die eerder werd bedekt door zijn kristalheldere zuiverheid, zien we
de nieuwe lente hoopvol tegemoet en dragen we koning Winter naar zijn
graf. Een subtiele breekbare vorm van magie is onafscheidelijk verbonden
met dit seizoen dat tot aan de rand toe gevuld is met ‘nieuwe’
immigranten. Knoppen springen open en alle bomen verwelkomen de aansnellende
golven van leven. Bloemen, terug van ongeziene plaatsen, nemen hun jaarlijkse
positie weer in en delen in het allesomvattende geluk. Is het het naar
huis terugkeren van zo vele vrienden uit de lagere natuurrijken dat
ons met blijdschap vervult? Het kan toch niet alleen maar liggen aan
de dagen die steeds langer worden en het stijgen van de temperatuur,
zoals vele wetenschappers ons willen doen geloven.
Nee, er hangt iets in de lucht wat we niet kunnen verklaren.
Maar misschien kunnen we iets leren van de woorden van een wijze adept
die Katherine Tingley heeft ontmoet. Sprekende over het begin van de
dag vertelde hij haar dat ieder van ons
‘. . . in de stilte en het
zonlicht van de eerste uren iets zou moeten vinden dat zich verbindt
met zijn eigen hogere natuur en dat tot bloei komt en vruchten voortbrengt.
Hij zou zich in de ochtend in het aangename zonlicht moeten bevrijden,
en de dag zo vredig beginnen alsof hij een klein kind uit zijn slaap
wekt, en de meer oprechte en edele kant van zichzelf naar buiten brengen
– ik bedoel niet naar buiten brengen in woorden en taal, maar
in gedachten die de rijkdom en volheid van de geest benaderen en waarbij
men ieder moment dat de god zich in hem verheft deze tot bloei laat
komen. Als hij daarna de moeilijkste plicht, waarvan hij weet
dat het zijn plicht is, aanpakt en volbrengt, zal hij het geheim
leren kennen om waakzaam te zijn en na korte tijd zal hij, zonder
zich ervan bewust te zijn, alle lasten die hem hinderden van zich
hebben afgeworpen. Velen werken hard en gewetensvol om van deze lasten
te worden bevrijd: het is niet nodig er één seconde
aan te besteden. Men hoeft slechts de twijfels en bange vermoedens
opzij te zetten om de kamers van de ziel te betreden, en zich te koesteren
in het zonlicht en de kracht die daar zijn te vinden.’
‘De eerste drie uur van de
dag,’ vervolgde hij, ‘bieden de beste gelegenheid. Wie
niet opstaat met de zon verliest een ontzaglijke hoeveelheid kracht.
Wie opstaat vóór de zon en bij het aanbreken van de
dag zijn plichten van dit gebied heeft volbracht en wat nodig is voor
de verzorging van het lichaam en gereed is bij zonsopkomst naar buiten
te gaan en met de zon te werken, krijgt de medewerking van een kracht
waarover hij maar weinig weet – het heldere blauwe licht achter
de zon.’
– De Goden wachten op ons,
blz. 142-3
Wat is dit blauwe licht dat achter de zon schijnt en
dat zo vol is van een edele kracht die ons zal helpen bij het met genoegen
vervullen van onze plichten en voorkomt dat we versleten raken voor
het onze tijd is, en die alle levende zielen in de diverse natuurrijken
ondersteunt? Het is moeilijk te zeggen, maar moderne communicatietechnieken
zouden ons op weg kunnen helpen. De grote rivaliteit op dit gebied heeft
ervoor gezorgd dat ons werkterrein tot in de ruimte is uitgebreid, hoewel
de laatste uitvinding voor de overbrenging van berichten over lange
afstanden zijn bakermat veel dichter bij huis heeft gevonden: we kunnen
nu met elkaar communiceren met behulp van meteorieten! Geen behoefte
meer aan dure satellieten. Digitale berichten kunnen in de lucht worden
gezonden en worden naar de aarde teruggekaatst door een spoor van kleine
kosmische deeltjes die met miljoenen tegelijk dagelijks in de atmosfeer
verbranden.1 Gedurende de korte tijd dat
een meteoriet door onze atmosfeer vliegt, wordt hij door een digitaal
signaal gebruikt om vooruit te springen, zoals een man een rivier oversteekt
door van de ene op de andere ijsschots te springen. Het opvallende van
deze techniek is dat ze het meest effectief is in de vroege ochtend.
Naarmate de dag ouder wordt zien we een geleidelijk afnemende hoeveelheid
binnenkomende meteorieten.
Er is iets bijzonders aan meteoorstof – de planetaire,
interplanetaire en interstellaire deeltjes die door de ruimte drijven.
Het vormt een sluier of schild rond de aarde. Zoals een andere adept
opmerkte:
Hoog boven ons aardoppervlak is de
lucht bezwangerd en de ruimte gevuld met magnetische of meteoorstof,
die zelfs niet eens tot ons zonnestelsel behoort. De wetenschap, die
gelukkig heeft ontdekt dat onze aarde, die met alle andere planeten
door de ruimte wordt gevoerd, een groter deel van dat stof op haar
noordelijk dan op haar zuidelijk halfrond opvangt, weet dat het grotere
aantal continenten op het eerstgenoemde halfrond en de ruimere hoeveelheid
sneeuw en vocht daaraan te danken is. Miljoenen van die meteoren en
zelfs van de fijnste deeltjes bereiken ons jaarlijks en dagelijks,
en al onze tempelmessen zijn van dit ‘hemelse’ ijzer2
gemaakt, dat ons bereikt zonder dat het enige verandering heeft ondergaan
– het aardmagnetisme houdt ze bijeen. Voortdurend wordt gasachtige
stof aan onze atmosfeer toegevoegd uit de onophoudelijke neerslag
van sterk magnetische meteoorstof, . . .
– De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett,
blz. 175
Hoe is deze informatie te rijmen met de beloofde magie
van het blauwe licht van de vroege ochtend? In de vroege ochtend beroert
het licht met een korte golflengte deze meteoorsluier, zodat de relatief
hoogenergetische straling van dit ultraviolette en onzichtbare deel
van het elektromagnetische spectrum de dag geboren laat worden. Als
we kijken naar de aarde die door het snijvlak van het zonnestelsel reist,
wordt het duidelijk dat we worden overgoten met hoogenergetische kosmische
deeltjes ofwel vitale uitstromingen in de vroege ochtend. Op dat moment
bevinden we ons op de voorplecht van ruimteschip aarde of, zoals anderen
dat zouden noemen, op de bok van onze machtige Strijdwagen. Onze planeet
beweegt met een duizelingwekkende snelheid van meer dan 124.000 kilometer
per uur rond de zon, en vormt daardoor een rijke aura van meteoorstof.

Bij zonsondergang daarentegen, als de aarde sinds het ontbijt 180 graden
is gedraaid, bevindt de waarnemer zich op de achterplecht van dit machtige
schip. Hij is dan aan de lijzijde en beweegt rond in kosmische stof
waar de aarde reeds doorheen is gegaan. Op een andere manier uitgedrukt,
bij zonsopkomst douchen we onder een ‘hoge druk’ boeggolf
van pure kosmische stof, nog niet vervuild door de activiteiten van
alle levende wezens op aarde, en voorzien van gunstige invloeden van
de zon. Deze ‘frisse lucht’ is tegen de avond enigszins
aangeslagen of verontreinigd. Misschien vormt dit de onderliggende gedachte
van oude zegswijzen die het Oosten in verband brengen met leven en het
Westen met dood.
Maar er is nog meer over te zeggen. Als we kijken naar het zonnestelsel
in relatie tot de melkweg valt het op dat ons hele stelsel 62 graden
ten opzichte van die melkweg is gekanteld. We omcirkelen het centrum
van die melkweg met de onvoorstelbare snelheid van 867.000 kilometer
per uur, zodat we het centrum van de melkweg in ruwweg 226 miljoen jaar
hebben omcirkeld. Door de kanteling van ons zonnestelsel kijkt ons noordelijk
halfrond voortdurend in de bewegingsrichting van het zonnestelsel.

Dit zou van betekenis kunnen zijn voor de hoeveelheid meteoorstof die
door de aarde wordt ontvangen, en vooral door het noordelijk halfrond,
volgens de leraren van H.P. Blavatsky een zaak met vergaande implicaties:
De magnetische aantrekking van meteoorstof door de
aarde en de directe invloed van dit stof op de plotselinge temperatuurwisselingen,
speciaal in verband met warmte en kou, is tot nu toe nog geen uitgemaakte
zaak, geloof ik. Men twijfelde eraan of het feit dat onze aarde door
een gebied in de ruimte gaat, waarin zich meer of minder dichte massa’s
meteoorstof bevinden, enig verband houdt met het toe- of afnemen van
de hoogte van onze atmosfeer, of zelfs met de weersgesteldheid. Maar
wij menen dat we het gemakkelijk zouden kunnen bewijzen; en sindsdien
accepteren zij het feit dat de relatieve verdeling en verhouding van
land en water op onze aardbol het gevolg kan zijn van een
grote opeenhoping van meteoorstof op aarde; en sneeuw – vooral
in onze noordelijke streken – is vol van meteoorijzer en magnetische
deeltjes; en daar afzettingen van de laatste zelfs op de bodem van
de zeeën en oceanen worden gevonden, vraag ik me af waarom de
wetenschap tot nu toe niet heeft begrepen dat elke atmosferische verandering
en verstoring is toe te schrijven aan het gecombineerde magnetisme
van de twee grote massa’s waartussen onze atmosfeer wordt samengedrukt!
Ik noem dit meteoorstof een ‘massa’, want dat is het inderdaad.
. . . Ik had de indruk dat de wetenschap wist dat de ijstijden, zowel
als die perioden waarin de temperatuur ‘is als die van het Carboon’,
worden veroorzaakt door het toe- en afnemen, of beter gezegd het uitzetten
van onze atmosfeer, welk uitzetten zelf weer te danken is aan dezelfde
aanwezigheid van meteoorstof? In ieder geval weten we allemaal
dat de warmte die de aarde ontvangt door zonnestraling op zijn hoogst
één derde zo niet minder is van de hoeveelheid
die zij rechtstreeks van de meteoren ontvangt. –
De Mahatma Brieven, blz. 174-5
Meteoorstof schijnt dus de hele planeet te beïnvloeden en ook
onszelf. De vele gezegden van volkeren overal op aarde die erop wijzen
dat er veel kan worden gewonnen door vroeg op te staan, krijgen nu een
nieuwe dimensie. Als we al deze vreemde vondsten nader beschouwen, lijkt
het inderdaad natuurlijk dat de ochtend wordt gewijd aan serieuze zaken,
inkeer en onpersoonlijke liefde. De lucht van de vroege ochtend trilt
van spiritualiteit wat het voor ons dan gemakkelijker maakt om in een
hogere bewustzijnstoestand te geraken. Maar als de dag ouder wordt en
we geleidelijk worden gedompeld in de vergiftigde delen van de aardse
atmosfeer, ontmoeten nobele initiatieven grotere tegenstand. In de avond
arriveren we in dat deel van de dag waarin we van de zon en zijn weldoende
krachten worden afgeschermd. Misschien is dat een reden waarom mensen
speciaal voor de avond kiezen om zich te amuseren, zelfs als er overdag
geen werk wordt verricht, zoals bijvoorbeeld tijdens vakanties?
Apollonius van Tyana, de grote adept van de eerste eeuw van onze jaartelling,
was zich goed bewust van de invloeden van de diverse momenten van de
dag en leefde dan ook in overeenstemming daarmee. Zoals zijn leerling
en biograaf Damis verklaart:
waar hij ook heenging, hij hield zich altijd aan
een vaste regelmatige indeling van de dag. Bij zonsopkomst voerde
hij in afzondering zekere religieuze oefeningen uit, waarvan hij de
aard alleen doorgaf aan hen die de discipline van ‘vier jaren’
(ook wel vijf jaar) zwijgzaamheid hadden volbracht. Dan sprak hij
met de tempelpriesters of de hoofden van de gemeenschap . . . Niet
dat hij de gewone mensen negeerde; het was zijn vaste gebruik om hen
te onderwijzen, maar altijd in de namiddag; maar zij die het innerlijke
leven leefden, zo zei hij, zouden bij het krieken van de dag de nabijheid
van God moeten zoeken, en dan de dag tot aan het middaguur besteden
aan het geven en ontvangen van onderricht in heilige zaken, en zich
niet tot de middag wijden aan wereldse zaken. Dat is te zeggen, de
ochtend werd door Apollonius gewijd aan de goddelijke wetenschap,
en de middag aan het onderricht in ethiek en het praktische leven.
Na een werkzame dag nam hij een bad in koud water, zoals zo vele van
de mystici in die tijd en in die landen, onder wie de Essenen en de
Therapeuten.
– Apollonius of Tyana, The Philosopher-Reformer of
the First Century A.D., G.R.S. Mead, blz. 70-2
Voor veel stadsmensen is het opstaan tijdens of vóór
zonsopkomst op zichzelf al een uitdaging, vooral voor hen die genieten
van lange zomerse dagen op hoge breedtegraden, waar het bijna onmogelijk
is om nog voor zonsopgang uit bed te komen. Niettemin blijft het vroegste
deel van de dag het kalmste, meest verfrissende en spirituele deel ervan.
We zouden dat geschenk moeten aanvaarden als we de kans krijgen. Dus
vier de dag, en begin bij zonsopkomst!
Noten
- www.meteorcomm.com.
- Tibetaanse bellen en kommen die zijn gemaakt van
dit ijzer zijn nog steeds verkrijgbaar. Zoals een internetleverancier
laat weten: ‘ze werden het eerst gebruikt tijdens de vroeg-sjamanistische
Bonreligie van Tibet en antedateren de komst van het boeddhisme
in dat land met misschien wel duizend jaar. . . .
Tibetaanse bellen worden bijzonder gewaardeerd om hun magische geluidseffecten,
en die met de beste klankkleur werden gemaakt van een legering van
zeven metalen bestaande uit goud, zilver, nikkel, koper, zink, antimoon
en een bijzondere soort meteoorijzer, gevonden op de hoogvlakte
van Tibet. Omdat het uit de hemelen viel werd dit ‘lucht-metaal’
geassocieerd met de heilige dorje, of bliksemschicht van
de goden (vajra in het Sanskriet) en werd bijzonder hoog
aangeschreven door de traditionele Tibetaanse metallurgen.’