Wie heeft niet ooit de schoonheid van de nachtelijke hemel aanschouwd
en zich afgevraagd of er niet op een verre planeet nog iemand anders
zou kunnen zijn die zich evenzeer verwondert over onze zon die in hun
nachtelijke hemel schittert? Als we omhoogkijken naar de sterren zullen
de meesten van ons het eens zijn met Paul Davies dat: ‘De ontdekking
van leven buiten de aarde niet alleen onze wetenschap, maar ook onze
religies, onze geloofsstelsels en ons hele wereldbeeld zou veranderen.
Want in zekere zin is het zoeken naar buitenaards leven in feite een
zoektocht naar onszelf – wie we zijn en wat onze plaats is in
de grootse uitgestrektheid van de kosmos.’ We hebben het voorrecht
te leven in een tijd van wetenschappelijke ontdekkingen die het begin
van een antwoord bevatten op deze eeuwenoude vraag. In de laatste tien
jaar hebben onderzoekers meer dan honderd planeten buiten ons zonnestelsel
gevonden. Biologen hebben levensvormen ontdekt op en diep onder de aarde
die aantonen dat organismen in staat zijn een manier te vinden om in
extreme omstandigheden te leven zoals we die op andere planeten zouden
kunnen verwachten. Laten we een aantal van die recente ontdekkingen
eens nader beschouwen in het licht van de theosofische leringen die
ons vertellen dat de sterrenhemel inderdaad vibreert van leven.
De zoektocht naar leven in de ruimte heeft een lange en veelbewogen
geschiedenis. De Griekse filosoof Democritus (ca. 480-370 v.Chr.), die
wordt beschouwd als de ‘vader’ van de atoomtheorie, speculeerde
er al over dat men kan zien dat de wetten van de natuur universeel werkzaam
zijn en dat daarom, als er leven op aarde kon ontstaan, het ook elders
in de kosmos moet bestaan. In een minder verlichte tijd kostte het verkondigen
van zulke ideeën het leven aan Giordano Bruno, die in 1600 op de
brandstapel terechtkwam. De Poolse wiskundige en astronoom Nicolaus
Copernicus (1473-1543) was, op grond van zijn waarnemingen van ons zonnestelsel,
van mening dat planeten in de ruimte algemeen moeten voorkomen. De Zweedse
mysticus en filosoof Emmanuel Swedenborg (1688-1772) ging zelfs zover
dat hij de bewoners van een aantal van de planeten van ons zonnestelsel
beschreef en beweerde dat zij kleding droegen die erg veel leek op de
Europese mode van die dagen! In meer recente tijd hebben intellectuelen
die het leven als een toevallige gebeurtenis beschouwden, zoals Bertrand
Russell (1872-1970), de pessimistische voorspelling gedaan dat ‘alle
schittering van het menselijk genie in zijn hoogtijdagen’ uiteindelijk
zinloos was omdat het leven toch zou worden vernietigd op het moment
dat het universum tenslotte zou ineenstorten. De populaire voorstelling
die de meeste mensen tegenwoordig bijna altijd hebben, is dat er op
andere planeten leven is en dat er enige vorm van communicatie mogelijk
moet zijn tussen ons en die andere werelden. Een compleet genre boeken
en films is gebaseerd op dit veel voorkomende geloof, vanaf een klassieker
uit de negentiende eeuw zoals Planetenoorlog van H.G. Wells
tot Star Trek, Star Wars, Men in Black, Independence
Day, Signs en vele andere in onze tijd.
|
|
Zijaanzicht van een protoplanetaire schijf in een viervoudig
sterrenstelsel. UC Berkeley/CfA/Gemini Observatorium/NOAO/NSF
|
|
De populaire verbeelding en filosofische bespiegelingen vormen één
kant van de zaak – maar hoe staat het met de wetenschappelijke
feiten? Onze prachtige planeet met haar glinsterende oceanen, overvloedige
rivieren en golvende groene vlakten biedt een volmaakt woongebied voor
de ons bekende levensvormen. Sinds in 1991 het eerste extrasolaire planetenstelsel
werd ontdekt, zijn er meer dan honderd ‘exoplaneten’ gevonden,
en dat heeft een enorme impuls gegeven aan het idee dat het leven door
het hele universum heen een gewoon verschijnsel is. Teams van wetenschappers
hebben nieuwe zonnestelsels gevonden die onze verbeeldingskracht uitdagen
met betrekking tot hoe het leven zou kunnen evolueren onder radicaal
andere omstandigheden. De eerste exoplaneten die werden ontdekt, bijvoorbeeld,
draaien rond de overblijfselen van de pulsar PSR1257+12 die 1600 lichtjaar
van ons afstaat in het sterrenbeeld Maagd. Deze ster bevat de massa
van de zon samengebald tot de omvang van een kleine stad, en draait
150 maal per seconde om zijn as terwijl hij zijn planeten onderdompelt
in dodelijke straling. Als gevolg van de gebruikte technieken zijn de
meeste exoplaneten die worden gevonden even groot als Jupiter of nog
veel groter en hebben hun baan heel dicht bij de zon waartoe ze behoren,
waardoor ze zich aan ongelooflijk hoge temperaturen blootstellen. Een
voorbeeld van deze klasse van planeten die bekendstaan als ‘hete
Jupiters’ draait om de ster 51 Pegasi, 45 miljoen lichtjaar van
de aarde. Ze heeft ongeveer de omvang van Jupiter en heeft een oppervlaktetemperatuur
van waarschijnlijk 1030¾ Celsius.
In het andere uiterste heeft men planeten gevonden die wellicht vriendelijker
zijn voor het leven in de vorm die wij kennen, zoals bijvoorbeeld een
kolossale planeet die 8,1 keer zo groot is als Jupiter en in een baan
om de ster 70 Virginis draait, waar de temperatuur aan de oppervlakte
80¾ Celsius zou kunnen zijn en waar het misschien kan regenen en er
zich oceanen kunnen bevinden onder een verpletterend zware atmosfeer
met hevige wervelwinden en stormen. Evenals in ons eigen zonnestelsel
zijn er misschien planeten zo groot als de aarde die zich schuilhouden
en die we niet kunnen zien omdat ze zich in de schaduw van zulke giganten
bevinden. Er zijn ruimte-missies in voorbereiding waarmee men hoopt
kleinere en mogelijk levendragende planeten te identificeren. Zo zijn
er onder andere projecten waarbij men een optische interferometer en
verscheidene ruimtetelescopen in een baan brengt. Naarmate de techniek
zich verder ontwikkelt zullen de ontdekkingen elkaar ongetwijfeld sneller
opvolgen.
De zoektocht naar exoplaneten gaat voort in de hoop andere planeten
te vinden die op de onze lijken. Deborah Fischer van San Francisco State
University erkende onlangs dat het zoeken naar planeten in werkelijkheid
neerkomt op het zoeken naar leven: ‘Dit is een langdurig en eentonig
proces. Moeizaam werken we de details uit. We weten dat leven zich gemakkelijk
vormt. Maar we hebben de juiste petrischalen nodig – de planeten.
Als planeten gemakkelijk ontstaan dan zijn er een heleboel petrischalen
voorhanden.’1 Onderzoekers kijken
vooral naar heldere, langlevende ‘normale’ sterren die net
als onze zon rijk zijn aan metalen. Het is interessant dat men heeft
vastgesteld dat het dichtstbijzijnde sterrenstelsel, Alfa Centauri,
dat uit drie sterren bestaat, een veelbelovend milieu bezit voor de
mogelijke ontwikkeling van intelligente levensvormen. Twee van de sterren
lijken op onze zon en er bevindt zich genoeg ruimte tussen hen om plaats
te bieden aan planeten in de zone waar zich leven zou kunnen ontwikkelen,
op ongeveer dezelfde afstand als de aarde afstaat van de zon. Het Alfa
Centauristelsel zal in de komende jaren speciale aandacht krijgen in
het onderzoek naar buitenaards leven. Maar misschien is het niet realistisch
in de eindeloze uitgestrektheid van de ruimte om een exacte kopie van
onze aarde te verwachten, want de natuur herhaalt zich misschien nergens
op precies dezelfde manier.2
Volgens de theosofie is er echter overal leven, dat wil zeggen, alles
leeft, zelfs al herkennen wetenschappers dat op het ogenblik nog niet
als zodanig. De sterren zelf, de planeten, kometen en enorme stofwolken
waaruit ze worden opgebouwd, bezitten op hun eigen wijze leven en bewustzijn.
Het is niet zo dat het leven uit de materie ontstaat zoals de conventionele
wetenschap leert, maar eerder dat materie een voorbijgaande fase van
leven is. Zoals G. de Purucker zegt:
Hoe zou er zoiets als materie kunnen zijn zonder
leven? Hoe zouden de samenstellende elementen van een wezen of ding
bijeen kunnen blijven als er niet een één-makende en
samenbindende energie zou zijn? Die energie is leven. De materie zelf
is gecondenseerd leven . . . Er is niet zoiets als levenloze substantie.
Er is niet eerst stof en dan leven als de tere vrucht daarvan, maar
het leven komt eerst, universeel leven; en materie verschijnt slechts
nu en dan, zoals een paddestoel uit de grond komt.
– Bron van het Occultisme, blz.
369
Wanneer men het zo bekijkt zullen alle planeten een spectrum van levende
wezens omvatten – ze zijn er inderdaad uit opgebouwd – maar
de wezens en natuurrijken ervan zullen passen bij de omstandigheden
die op iedere planeet heersen en kunnen radicaal verschillende eigenschappen
en verschijningsvormen hebben. Als leven universeel is, is het niet
beperkt tot organische en aardse vormen. Zoals H.P. Blavatsky schreef
in haar Geheime Leer: ‘Geen enkel atoom in de hele kosmos
is zonder leven en bewustzijn: hoeveel te meer geldt dat dan voor zijn
machtige bollen? – hoewel zij verzegelde boeken blijven voor ons
mensen die zelfs in het bewustzijn van de levensvormen die het dichtst
bij ons staan nauwelijks kunnen binnendringen?’ (GL 2:798n)
en: ‘De grootste verwaandheid van onze tijd is dat men weigert
toe te geven dat er in het hele zonnestelsel andere redelijk denkende
wezens op het menselijke gebied zijn dan wijzelf’ (GL
1:163).
En hoe staat het met de vragen die betrekking hebben op het ontstaan
van organisch leven in het heelal? Wetenschappers stellen de leeftijd
van de aarde op 4,5 miljard jaar. Zoals zij de fossiele vondsten interpreteren,
verschenen de eerste levensvormen op aarde ongeveer 3,5 miljard jaar
geleden, 100 miljoen jaar na afloop van een periode van 500 miljoen
jaar waarin de aarde onderworpen was aan een voortdurend bombardement
van kometen en asteroïden. Dit heeft sommige wetenschappers ertoe
gebracht te veronderstellen dat toen het leven op aarde en misschien
in andere delen van het heelal begon, het om op gang te komen mogelijk
hulp heeft gekregen vanuit de ruimte. Koolstofver-bindingen zijn onontbeerlijk
voor leven zoals wij dat kennen, en wanneer ze in water zijn opgelost
kunnen ze op allerlei manieren met elkaar reageren om de complexe verbindingen
te vormen waaruit de levensvormen op aarde zijn gebouwd. Onderzoek heeft
aangetoond dat het heelal bezaaid is met koolstofverbindingen die interstellaire
stofwolken vormen, de overblijfselen van oude sterren die koolstof en
andere zware elementen produceerden diep binnenin hun nucleaire ovens.
Toen deze sterren tijdens hun sterven explodeerden, kwamen deze bouwstenen
van het leven beschikbaar voor toekomstige planeten. Koolstof en organische
verbindingen vormen ook een belangrijk deel van de massa van kometen,
meteoren en asteroïden.
Onderzoek sinds de jaren vijftig heeft wetenschappers ertoe gebracht
te theoretiseren dat zowel de substantie van meteorieten als de primitieve
aardatmosfeer van vier miljard jaar geleden een soep van organische
verbindingen hebben gevormd waarin de mogelijkheid van ‘leven’
lag besloten. De sprong van een oersoep naar een levende cel blijft
echter een van de grootste ‘hiaten’ in de huidige evolutietheorie.3
Ontdekkingen van bijzonder belang met betrekking tot de band die wij
met de ruimte hebben, waren de meteorieten die in 1969 op Murchison
in Australië vielen en in 1862 in Frankrijk, die in beide gevallen
de meeste aminozuren bevatten die ook in aards organisch leven worden
gevonden, en ook veel organische stoffen die niet in de biosfeer van
de aarde worden gevonden. In 2001 werden op basis van een high-tech-analyse
suikers en biochemische stoffen gevonden (pyridine dicarboxylische zuren)
die cruciale biomoleculen zijn. Op 18 januari 2000 spatte een 4,5 miljard
jaar oude asteroïde uiteen boven het Tagishmeer in het Canadese
Yukon-territorium, en deze bleek vol eenvoudige organische moleculen
te zitten, vooral koolstofverbindingen die op aarde niet in de natuur
voorkomen.
Zoals er vroeger onderzoekers waren die erover speculeerden dat kometen
en meteoren leven zaaien op de planeten of dat er sprake is van een
bevruchtende wisselwerking met bacteriën bevattende meteoren, zo
denken veel wetenschappers nu dat er waarschijnlijk organische stoffen
op aarde zijn gevallen die een functie hebben vervuld bij de vorming
van het leven, en dat ze dat evengoed op elke andere planeet in de kosmos
waar de juiste omstandigheden heersen, hadden kunnen doen.4
Het is interessant om hier te wijzen op het theosofische idee dat kometen
een vroege fase in de evolutie van planeten en sterren vertegenwoordigen.
Ze schieten weg vanuit hun geboorteplaats in de interstellaire ‘moedersubstantie’,
maken hun pelgrimstocht door de melkweg naar het zonnestelsel waar ze
thuishoren en beginnen nieuwe arena’s voor het leven te bouwen
voor de miljarden minder ver ontwikkelde wezens zoals wij, die daarin
leven of voor hun levengevende energieën daarvan afhankelijk zijn.
Het lijkt misschien onwaarschijnlijk dat de omstandigheden op een jonge,
vulkanisch actieve planeet zouden kunnen dienen als kweekkamer voor
organische verbindingen, maar sinds het eind van de jaren zeventig hebben
wetenschappers op de zeebodem organismen ontdekt, die kilometers onder
het oppervlak van de oceaan leven dichtbij vulkanische schoorstenen
in water met een heel hoge temperatuur; dit maakt duidelijk dat uit
cellen opgebouwde levensvormen zich onder de moeilijkste omstandigheden
kunnen vestigen. In de diepten van de oceaan dringt geen zonlicht door,
en heet water dat uit de vulkanische schoorstenen spuit bevat zwavelverbindingen
die de meeste organismen onmiddellijk zouden doden. Toch komen er in
even vijandige milieuomstandigheden organismen voor die bekendstaan
als thermofielen, die goed gedijen en een rijk ecosysteem onderhouden.
Deze feiten geven natuurlijk nog geen antwoord op de vraag of leven
ook onder die omstandigheden is geëvolueerd of dat het
zich later eraan heeft aangepast. Bovendien zijn bij diepzeeboringen
in de oceaanbodem sporen gevonden van opmerkelijke bacteriën die
voorkomen in de nòg vijandiger omstandigheden van de hete rotsen
van de aardkorst, waar ze waterstof dat uit de rotsen lekt als energiebron
benutten. NASA-wetenschappers meldden in 2002 dat zulke studies suggereren
dat de massa aan bacteriën onder de grond groter kan zijn dan die
van alle organismen die aan de oppervlakte van de aarde leven! Zulk
onderzoek heeft stof gegeven tot speculaties over de mogelijkheid dat
er leven bestaat in oceanen onder het ijs van sommige manen, zoals Jupiters
maan Europa. Recente opnamen van Europa door het ruimteschip Galileo
laten kenmerken zien die lijken op het pakijs van de arctische en antarctische
gebieden op aarde. Zoals het in en onder het ijs van de poolgebieden
van de aarde wemelt van leven, zo denken de NASA-wetenschappers dat
er op Europa levensvormen kunnen bestaan, en toekomstige ruimte-missies
zullen worden toegerust om te bepalen of onder de bevroren oppervlakte
van deze maan inderdaad zo’n oceaan bestaat.
Als ander uiterste klommen wetenschappers van NASA en SETI (Onderzoek
naar buitenaardse intelligentie) in oktober 2002 en nogmaals in 2003
naar het hoogste meer op aarde, dat op 6000 meter hoogte ligt bij de
top van de slapende vulkaan Licancabur in de Chileense Andes. Hun opdracht
was om na te gaan hoe organismen die van extreme omstandigheden houden
in het zuurstofarme vulkanische milieu dat is blootgesteld aan hoge
doses ultraviolette straling kunnen overleven. Hun onderzoek zal licht
werpen op de vraag over de mogelijkheid van levensvormen die zouden
kunnen zijn ontstaan in oude meren op Mars, onder de bevroren ijswoestijnen
van Europa of misschien zelfs in de methaanmeren die zouden voorkomen
op Titan, een maan van Saturnus die op dit moment door het ruimteschip
Cassini wordt onderzocht. Dit onderzoek volgde op de dramatische melding
in augustus 1996 van mogelijke tekenen van het voorkomen van microbieel
leven in het hart van de meteoriet ALH84001, die in de Allan-heuvels
van Antarctica werd gevonden. Bij een grote inslag van een asteroïde
op Mars schoot ongeveer 15 miljoen jaar geleden ALH84001 de ruimte in,
van waaruit hij 13.000 jaar geleden op een ijsveld op Antarctica viel,
om in 1984 door de wetenschap te worden gevonden. In 1996 troffen NASA-wetenschappers
en anderen diep in het binnenste van de meteoriet organische moleculen
en vreemde wormachtige vormen aan die door primitieve micro-organismen
leken te zijn gemaakt, wat het eerste harde bewijs zou zijn voor het
bestaan van buitenaards leven, hoe primitief ook.5
Wetenschappers van het Johnson Space Center van NASA versterkten de
geloofwaardigheid van de ontdekking door in augustus 2002 te verklaren
dat circa 25% van de magnetische kristallen in ALH84001 voldoen aan
criteria waaraan tot nu toe alleen biologisch gevormde magnetische kristallen
hebben voldaan.
Wat betreft Venus hebben wetenschappers van de universiteit van Texas
gezocht naar de mogelijkheid van leven in de toppen van de wolken, waarin
op 50 km hoogte de temperatuur ongeveer 70¾ Celsius is bij een druk
van ongeveer één atmosfeer. Toen ze een wolkengebied onderzochten
met een hoge waterconcentratie, vonden ze tegen verwachting geen koolmonoxide
maar wel abnormale concentraties zwavelwaterstof en zwaveldioxide –
dat zijn gassen die normaal niet samen worden aangetroffen tenzij ze
ergens door worden geproduceerd – en zwavelkoolstof, wat als een
ondubbelzinnige aanwijzing voor biologische activiteit wordt gezien.
Dit wijst op de mogelijkheid dat microbieel leven langgeleden in oceanen
op Venus kan zijn ontstaan toen de planeet koeler was, maar dat zich
terugtrok in de wolken toen ze begon op te warmen tot haar huidige oppervlaktetemperaturen.
Hoewel zulke ontdekkingen en speculaties over de oorsprong van microbieel
leven nog niet in de verte wijzen op zelfbewust intelligent
buitenaards leven, hebben ze toch een stevige impuls gegeven aan het
werk van wetenschappers, voornamelijk aan het SETI Instituut, waar men
al sinds 1960 de hemel afzoekt naar radioboodschappen van technologisch
hoogontwikkelde buitenaardse beschavingen – tot op heden zonder
resultaat.
De verbazingwekkende wetenschappelijke ontdekkingen van de afgelopen
jaren getuigen van zorgvuldig systematisch onderzoek door toegewijde
wetenschappers over de hele wereld. Volgens De Mahatma Brieven,
die zijn geschreven door de leraren van Blavatsky, hebben adepten van
de oude wijsheid sinds onheuglijke tijden eveneens de mysteriën
van de natuur onderzocht, hun bevindingen opgetekend en vergeleken met
die van hun voorgangers in een eerbiedwaardige variant van de wetenschappelijke
methode. Op deze manier hebben ze niet alleen de fysieke wereld bestudeerd
maar ook de mysteriën van de innerlijke ruimte. Wanneer zij van
hun innerlijke inwijdingsreis door verschillende bewustzijnstoestanden
terugkeerden, kenden ze de karakteristieke eigenschappen van het leven
op aarde, binnen ons zonnestelsel, en wisten door analogie hoe het leven
buiten ons zonnestelsel zou kunnen zijn. Zulk onderzoek onderkent dat
het fysieke universum slechts één aspect is van de kosmos
die, zoals ieder individu, is opgebouwd uit etherische, mentale en spirituele
componenten. Deze verschillende planetaire aspecten, die analoog zijn
aan de diverse bewustzijnscentra of monaden in de mens, worden bewoond
en gevormd door levende wezens: de wetenschap ‘kan niet zomaar
de mogelijkheid ontkennen van het bestaan van werelden binnen werelden,
onder omstandigheden die volkomen verschillen van die in onze wereld,
noch kan zij ontkennen dat er een zekere beperkte communicatie kan bestaan
tussen sommige van die werelden en de onze’ (GL 1:163).
Over het onderzoek van andere werelden door gebruik te maken van bewustzijnstoestanden
die verschillen van die van gewone aardse mensen, zei H.P. Blavatsky
bovendien:
Zelfs grote adepten . . . kunnen, hoewel ze geoefende
zieners zijn, slechts aanspraak maken op grondige bekendheid met de
aard en het voorkomen van planeten en hun bewoners die tot ons zonnestelsel
behoren. Ze weten dat bijna alle planetaire werelden bewoond
zijn, maar hebben alleen toegang – zelfs in de geest –
tot die van ons stelsel; en ze zijn zich er ook van bewust hoe moeilijk
het is, zelfs voor hen, om zich volledig in verbinding te
stellen, al is het slechts met de bewustzijnsgebieden binnen
ons stelsel, die echter verschillen van de bewustzijnstoestanden die
op onze bol mogelijk zijn . . . Een dergelijke kennis en gemeenschap
zijn voor hen mogelijk, omdat ze hebben geleerd hoe ze die bewustzijnsgebieden
kunnen binnendringen, die zijn afgesloten voor de waarnemingen van
gewone mensen; maar al zouden ze hun kennis overdragen, dan zou de
wereld er niet wijzer van worden, omdat ze die ervaring van andere
waarnemingsvormen mist, die als enige haar in staat zou stellen te
begrijpen wat haar werd medegedeeld.
Toch blijft het een feit dat de meeste planeten,
evenals de sterren buiten ons stelsel, bewoond zijn . . .
– De Geheime Leer 2: 697-8
Een van de leraren van HPB schreef in verband met de beperkingen en
omvang van dit onderzoek: ‘Al zijn onze grootste adepten en bodhi-sattva’s
zelf nooit buiten ons zonnestelsel doorgedrongen . . . toch weten zij
van het bestaan van andere soortgelijke zonnestelsels, met een even
grote mathematische zekerheid als die waarmee een westers astronoom
weet van het bestaan van onzichtbare sterren die hij nooit kan benaderen
of onderzoeken’ (De Mahatma Brieven, blz. 150-1).
Over de verscheidenheid van buitenaardse wezens in ons zonnestelsel
heeft G. de Purucker gezegd dat:
De bewoners van de andere planeten – planeten
die nu bewoond zijn – moeten vormen hebben die nauw verband
houden met, en door evolutie zijn aangepast aan hun speciale planeet.
Ze zouden inderdaad een grote verscheidenheid tonen en we zouden misschien
niet zo gemakkelijk accepteren dat deze wezens intelligentie, gevoel
en bewustzijn hebben. Sommige zijn misschien plat, andere bolvormig
en weer andere lang; de bewoners van Mercurius lijken misschien nog
het meest op ons, terwijl die van Jupiter waarschijnlijk het meest
van ons in vorm verschillen. . . . De bewoners van sommige planeten
bewegen zich zwevende, terwijl die van andere planeten van onze zonnefamilie
zich helemaal niet bewegen: ze zijn statisch, ongeveer zoals de bomen
bij ons, en toch zijn het hoogst intelligente, bewuste wezens.
De bewoners van andere planeten zouden ons als monsters
voorkomen, eenvoudig omdat ons begrip te zwak is om de geschiedenis
van hun evolutie te vatten – en feitelijk begrijpen wij wat
dat betreft zelfs de geschiedenis van onze eigen evolutie niet.
– Bron van het Occultisme, blz. 370-1
Als we meer gaan begrijpen over hoe het leven op aarde zich manifesteert
– over onszelf, de andere aardbewoners en de planeet als geheel
– zullen we ongetwijfeld een dieper inzicht verkrijgen in de aard
van de planeten in andere zonnestelsels en beter begrijpen welke vormen
het leven in die voor ons vreemde omgevingen kan aannemen. Het cruciale
theosofische punt is dat alles in het universum – atomen en deeltjes,
planeten en melkwegstelsels – een manifestatie van leven en intelligentie
is, hoewel hun bewustzijn en leven zich misschien niet manifesteert
in vormen die op dit ogenblik door de wetenschap worden herkend en geaccepteerd.
De Romeinse keizer en filosoof Marcus Aurelius werd eens gevraagd:
‘Waar heeft u ooit de goden gezien, en hoe kunt u zo zeker zijn
van hun bestaan?’ Zijn antwoord was: ‘Een ding is zeker,
ze zijn volkomen zichtbaar voor het oog.’ Hiermee bedoelde hij
dat de sterren en planeten boven ons hoofd de uiterlijke manifestaties
van de goden zijn, als we de ogen hebben om hen als zodanig te zien.
Wanneer we de volgende keer naar de hemel kijken, kunnen we er misschien
eens over nadenken wat de moderne wetenschap langzaam begint te ontdekken
en wat de theosofie ons door de eeuwen heen heeft onderwezen: dat wij
deel zijn van een glorieus levend heelal. Het gaat er niet om of er
al of niet leven is in andere werelden, maar dat ieder van ons zich
beschouwt en zich gelukkig prijst als een deel van een onmetelijke levende
kosmos.
Verwijzingen
- In Robert Naeye, ‘Unlocking
new worlds’, Astronomy, nov. 2002, blz. 53.
- Zie H.P. Blavatsky, De Geheime
Leer 2:795-806.
- Robert Shapiro, Origins: A
Skeptic’s Guide to the Creation of Life in the Universe,
1986.
- Joe Alper ‘It Came from Outer
Space’, in Astronomy, november 2002, blz. 36-41.
- ‘Signs of Past Life on Mars?’
[Tekenen van vroeger leven op Mars?], American Association for
the Advancement of Science News Release, 11 augustus 1996;
en Leon Jaroff, ‘Life on Mars’, Time, 19 augustus
1996, blz. 76-83.