Is er leven op andere planeten?
Andrew Rooke

 

Wie heeft niet ooit de schoonheid van de nachtelijke hemel aanschouwd en zich afgevraagd of er niet op een verre planeet nog iemand anders zou kunnen zijn die zich evenzeer verwondert over onze zon die in hun nachtelijke hemel schittert? Als we omhoogkijken naar de sterren zullen de meesten van ons het eens zijn met Paul Davies dat: ‘De ontdekking van leven buiten de aarde niet alleen onze wetenschap, maar ook onze religies, onze geloofsstelsels en ons hele wereldbeeld zou veranderen. Want in zekere zin is het zoeken naar buitenaards leven in feite een zoektocht naar onszelf – wie we zijn en wat onze plaats is in de grootse uitgestrektheid van de kosmos.’ We hebben het voorrecht te leven in een tijd van wetenschappelijke ontdekkingen die het begin van een antwoord bevatten op deze eeuwenoude vraag. In de laatste tien jaar hebben onderzoekers meer dan honderd planeten buiten ons zonnestelsel gevonden. Biologen hebben levensvormen ontdekt op en diep onder de aarde die aantonen dat organismen in staat zijn een manier te vinden om in extreme omstandigheden te leven zoals we die op andere planeten zouden kunnen verwachten. Laten we een aantal van die recente ontdekkingen eens nader beschouwen in het licht van de theosofische leringen die ons vertellen dat de sterrenhemel inderdaad vibreert van leven.

De zoektocht naar leven in de ruimte heeft een lange en veelbewogen geschiedenis. De Griekse filosoof Democritus (ca. 480-370 v.Chr.), die wordt beschouwd als de ‘vader’ van de atoomtheorie, speculeerde er al over dat men kan zien dat de wetten van de natuur universeel werkzaam zijn en dat daarom, als er leven op aarde kon ontstaan, het ook elders in de kosmos moet bestaan. In een minder verlichte tijd kostte het verkondigen van zulke ideeën het leven aan Giordano Bruno, die in 1600 op de brandstapel terechtkwam. De Poolse wiskundige en astronoom Nicolaus Copernicus (1473-1543) was, op grond van zijn waarnemingen van ons zonnestelsel, van mening dat planeten in de ruimte algemeen moeten voorkomen. De Zweedse mysticus en filosoof Emmanuel Swedenborg (1688-1772) ging zelfs zover dat hij de bewoners van een aantal van de planeten van ons zonnestelsel beschreef en beweerde dat zij kleding droegen die erg veel leek op de Europese mode van die dagen! In meer recente tijd hebben intellectuelen die het leven als een toevallige gebeurtenis beschouwden, zoals Bertrand Russell (1872-1970), de pessimistische voorspelling gedaan dat ‘alle schittering van het menselijk genie in zijn hoogtijdagen’ uiteindelijk zinloos was omdat het leven toch zou worden vernietigd op het moment dat het universum tenslotte zou ineenstorten. De populaire voorstelling die de meeste mensen tegenwoordig bijna altijd hebben, is dat er op andere planeten leven is en dat er enige vorm van communicatie mogelijk moet zijn tussen ons en die andere werelden. Een compleet genre boeken en films is gebaseerd op dit veel voorkomende geloof, vanaf een klassieker uit de negentiende eeuw zoals Planetenoorlog van H.G. Wells tot Star Trek, Star Wars, Men in Black, Independence Day, Signs en vele andere in onze tijd.

 

Zijaanzicht van een protoplanetaire schijf in een viervoudig sterrenstelsel. UC Berkeley/CfA/Gemini Observatorium/NOAO/NSF

 

De populaire verbeelding en filosofische bespiegelingen vormen één kant van de zaak – maar hoe staat het met de wetenschappelijke feiten? Onze prachtige planeet met haar glinsterende oceanen, overvloedige rivieren en golvende groene vlakten biedt een volmaakt woongebied voor de ons bekende levensvormen. Sinds in 1991 het eerste extrasolaire planetenstelsel werd ontdekt, zijn er meer dan honderd ‘exoplaneten’ gevonden, en dat heeft een enorme impuls gegeven aan het idee dat het leven door het hele universum heen een gewoon verschijnsel is. Teams van wetenschappers hebben nieuwe zonnestelsels gevonden die onze verbeeldingskracht uitdagen met betrekking tot hoe het leven zou kunnen evolueren onder radicaal andere omstandigheden. De eerste exoplaneten die werden ontdekt, bijvoorbeeld, draaien rond de overblijfselen van de pulsar PSR1257+12 die 1600 lichtjaar van ons afstaat in het sterrenbeeld Maagd. Deze ster bevat de massa van de zon samengebald tot de omvang van een kleine stad, en draait 150 maal per seconde om zijn as terwijl hij zijn planeten onderdompelt in dodelijke straling. Als gevolg van de gebruikte technieken zijn de meeste exoplaneten die worden gevonden even groot als Jupiter of nog veel groter en hebben hun baan heel dicht bij de zon waartoe ze behoren, waardoor ze zich aan ongelooflijk hoge temperaturen blootstellen. Een voorbeeld van deze klasse van planeten die bekendstaan als ‘hete Jupiters’ draait om de ster 51 Pegasi, 45 miljoen lichtjaar van de aarde. Ze heeft ongeveer de omvang van Jupiter en heeft een oppervlaktetemperatuur van waarschijnlijk 1030 Celsius.

In het andere uiterste heeft men planeten gevonden die wellicht vriendelijker zijn voor het leven in de vorm die wij kennen, zoals bijvoorbeeld een kolossale planeet die 8,1 keer zo groot is als Jupiter en in een baan om de ster 70 Virginis draait, waar de temperatuur aan de oppervlakte 80 Celsius zou kunnen zijn en waar het misschien kan regenen en er zich oceanen kunnen bevinden onder een verpletterend zware atmosfeer met hevige wervelwinden en stormen. Evenals in ons eigen zonnestelsel zijn er misschien planeten zo groot als de aarde die zich schuilhouden en die we niet kunnen zien omdat ze zich in de schaduw van zulke giganten bevinden. Er zijn ruimte-missies in voorbereiding waarmee men hoopt kleinere en mogelijk levendragende planeten te identificeren. Zo zijn er onder andere projecten waarbij men een optische interferometer en verscheidene ruimtetelescopen in een baan brengt. Naarmate de techniek zich verder ontwikkelt zullen de ontdekkingen elkaar ongetwijfeld sneller opvolgen.

De zoektocht naar exoplaneten gaat voort in de hoop andere planeten te vinden die op de onze lijken. Deborah Fischer van San Francisco State University erkende onlangs dat het zoeken naar planeten in werkelijkheid neerkomt op het zoeken naar leven: ‘Dit is een langdurig en eentonig proces. Moeizaam werken we de details uit. We weten dat leven zich gemakkelijk vormt. Maar we hebben de juiste petrischalen nodig – de planeten. Als planeten gemakkelijk ontstaan dan zijn er een heleboel petrischalen voorhanden.’1 Onderzoekers kijken vooral naar heldere, langlevende ‘normale’ sterren die net als onze zon rijk zijn aan metalen. Het is interessant dat men heeft vastgesteld dat het dichtstbijzijnde sterrenstelsel, Alfa Centauri, dat uit drie sterren bestaat, een veelbelovend milieu bezit voor de mogelijke ontwikkeling van intelligente levensvormen. Twee van de sterren lijken op onze zon en er bevindt zich genoeg ruimte tussen hen om plaats te bieden aan planeten in de zone waar zich leven zou kunnen ontwikkelen, op ongeveer dezelfde afstand als de aarde afstaat van de zon. Het Alfa Centauristelsel zal in de komende jaren speciale aandacht krijgen in het onderzoek naar buitenaards leven. Maar misschien is het niet realistisch in de eindeloze uitgestrektheid van de ruimte om een exacte kopie van onze aarde te verwachten, want de natuur herhaalt zich misschien nergens op precies dezelfde manier.2

Volgens de theosofie is er echter overal leven, dat wil zeggen, alles leeft, zelfs al herkennen wetenschappers dat op het ogenblik nog niet als zodanig. De sterren zelf, de planeten, kometen en enorme stofwolken waaruit ze worden opgebouwd, bezitten op hun eigen wijze leven en bewustzijn. Het is niet zo dat het leven uit de materie ontstaat zoals de conventionele wetenschap leert, maar eerder dat materie een voorbijgaande fase van leven is. Zoals G. de Purucker zegt:

Hoe zou er zoiets als materie kunnen zijn zonder leven? Hoe zouden de samenstellende elementen van een wezen of ding bijeen kunnen blijven als er niet een één-makende en samenbindende energie zou zijn? Die energie is leven. De materie zelf is gecondenseerd leven . . . Er is niet zoiets als levenloze substantie. Er is niet eerst stof en dan leven als de tere vrucht daarvan, maar het leven komt eerst, universeel leven; en materie verschijnt slechts nu en dan, zoals een paddestoel uit de grond komt.
    – Bron van het Occultisme, blz. 369

Wanneer men het zo bekijkt zullen alle planeten een spectrum van levende wezens omvatten – ze zijn er inderdaad uit opgebouwd – maar de wezens en natuurrijken ervan zullen passen bij de omstandigheden die op iedere planeet heersen en kunnen radicaal verschillende eigenschappen en verschijningsvormen hebben. Als leven universeel is, is het niet beperkt tot organische en aardse vormen. Zoals H.P. Blavatsky schreef in haar Geheime Leer: ‘Geen enkel atoom in de hele kosmos is zonder leven en bewustzijn: hoeveel te meer geldt dat dan voor zijn machtige bollen? – hoewel zij verzegelde boeken blijven voor ons mensen die zelfs in het bewustzijn van de levensvormen die het dichtst bij ons staan nauwelijks kunnen binnendringen?’ (GL 2:798n) en: ‘De grootste verwaandheid van onze tijd is dat men weigert toe te geven dat er in het hele zonnestelsel andere redelijk denkende wezens op het menselijke gebied zijn dan wijzelf’ (GL 1:163).

En hoe staat het met de vragen die betrekking hebben op het ontstaan van organisch leven in het heelal? Wetenschappers stellen de leeftijd van de aarde op 4,5 miljard jaar. Zoals zij de fossiele vondsten interpreteren, verschenen de eerste levensvormen op aarde ongeveer 3,5 miljard jaar geleden, 100 miljoen jaar na afloop van een periode van 500 miljoen jaar waarin de aarde onderworpen was aan een voortdurend bombardement van kometen en asteroïden. Dit heeft sommige wetenschappers ertoe gebracht te veronderstellen dat toen het leven op aarde en misschien in andere delen van het heelal begon, het om op gang te komen mogelijk hulp heeft gekregen vanuit de ruimte. Koolstofver-bindingen zijn onontbeerlijk voor leven zoals wij dat kennen, en wanneer ze in water zijn opgelost kunnen ze op allerlei manieren met elkaar reageren om de complexe verbindingen te vormen waaruit de levensvormen op aarde zijn gebouwd. Onderzoek heeft aangetoond dat het heelal bezaaid is met koolstofverbindingen die interstellaire stofwolken vormen, de overblijfselen van oude sterren die koolstof en andere zware elementen produceerden diep binnenin hun nucleaire ovens. Toen deze sterren tijdens hun sterven explodeerden, kwamen deze bouwstenen van het leven beschikbaar voor toekomstige planeten. Koolstof en organische verbindingen vormen ook een belangrijk deel van de massa van kometen, meteoren en asteroïden.

Onderzoek sinds de jaren vijftig heeft wetenschappers ertoe gebracht te theoretiseren dat zowel de substantie van meteorieten als de primitieve aardatmosfeer van vier miljard jaar geleden een soep van organische verbindingen hebben gevormd waarin de mogelijkheid van ‘leven’ lag besloten. De sprong van een oersoep naar een levende cel blijft echter een van de grootste ‘hiaten’ in de huidige evolutietheorie.3 Ontdekkingen van bijzonder belang met betrekking tot de band die wij met de ruimte hebben, waren de meteorieten die in 1969 op Murchison in Australië vielen en in 1862 in Frankrijk, die in beide gevallen de meeste aminozuren bevatten die ook in aards organisch leven worden gevonden, en ook veel organische stoffen die niet in de biosfeer van de aarde worden gevonden. In 2001 werden op basis van een high-tech-analyse suikers en biochemische stoffen gevonden (pyridine dicarboxylische zuren) die cruciale biomoleculen zijn. Op 18 januari 2000 spatte een 4,5 miljard jaar oude asteroïde uiteen boven het Tagishmeer in het Canadese Yukon-territorium, en deze bleek vol eenvoudige organische moleculen te zitten, vooral koolstofverbindingen die op aarde niet in de natuur voorkomen.

Zoals er vroeger onderzoekers waren die erover speculeerden dat kometen en meteoren leven zaaien op de planeten of dat er sprake is van een bevruchtende wisselwerking met bacteriën bevattende meteoren, zo denken veel wetenschappers nu dat er waarschijnlijk organische stoffen op aarde zijn gevallen die een functie hebben vervuld bij de vorming van het leven, en dat ze dat evengoed op elke andere planeet in de kosmos waar de juiste omstandigheden heersen, hadden kunnen doen.4 Het is interessant om hier te wijzen op het theosofische idee dat kometen een vroege fase in de evolutie van planeten en sterren vertegenwoordigen. Ze schieten weg vanuit hun geboorteplaats in de interstellaire ‘moedersubstantie’, maken hun pelgrimstocht door de melkweg naar het zonnestelsel waar ze thuishoren en beginnen nieuwe arena’s voor het leven te bouwen voor de miljarden minder ver ontwikkelde wezens zoals wij, die daarin leven of voor hun levengevende energieën daarvan afhankelijk zijn.

Het lijkt misschien onwaarschijnlijk dat de omstandigheden op een jonge, vulkanisch actieve planeet zouden kunnen dienen als kweekkamer voor organische verbindingen, maar sinds het eind van de jaren zeventig hebben wetenschappers op de zeebodem organismen ontdekt, die kilometers onder het oppervlak van de oceaan leven dichtbij vulkanische schoorstenen in water met een heel hoge temperatuur; dit maakt duidelijk dat uit cellen opgebouwde levensvormen zich onder de moeilijkste omstandigheden kunnen vestigen. In de diepten van de oceaan dringt geen zonlicht door, en heet water dat uit de vulkanische schoorstenen spuit bevat zwavelverbindingen die de meeste organismen onmiddellijk zouden doden. Toch komen er in even vijandige milieuomstandigheden organismen voor die bekendstaan als thermofielen, die goed gedijen en een rijk ecosysteem onderhouden. Deze feiten geven natuurlijk nog geen antwoord op de vraag of leven ook onder die omstandigheden is geëvolueerd of dat het zich later eraan heeft aangepast. Bovendien zijn bij diepzeeboringen in de oceaanbodem sporen gevonden van opmerkelijke bacteriën die voorkomen in de nòg vijandiger omstandigheden van de hete rotsen van de aardkorst, waar ze waterstof dat uit de rotsen lekt als energiebron benutten. NASA-wetenschappers meldden in 2002 dat zulke studies suggereren dat de massa aan bacteriën onder de grond groter kan zijn dan die van alle organismen die aan de oppervlakte van de aarde leven! Zulk onderzoek heeft stof gegeven tot speculaties over de mogelijkheid dat er leven bestaat in oceanen onder het ijs van sommige manen, zoals Jupiters maan Europa. Recente opnamen van Europa door het ruimteschip Galileo laten kenmerken zien die lijken op het pakijs van de arctische en antarctische gebieden op aarde. Zoals het in en onder het ijs van de poolgebieden van de aarde wemelt van leven, zo denken de NASA-wetenschappers dat er op Europa levensvormen kunnen bestaan, en toekomstige ruimte-missies zullen worden toegerust om te bepalen of onder de bevroren oppervlakte van deze maan inderdaad zo’n oceaan bestaat.

Als ander uiterste klommen wetenschappers van NASA en SETI (Onderzoek naar buitenaardse intelligentie) in oktober 2002 en nogmaals in 2003 naar het hoogste meer op aarde, dat op 6000 meter hoogte ligt bij de top van de slapende vulkaan Licancabur in de Chileense Andes. Hun opdracht was om na te gaan hoe organismen die van extreme omstandigheden houden in het zuurstofarme vulkanische milieu dat is blootgesteld aan hoge doses ultraviolette straling kunnen overleven. Hun onderzoek zal licht werpen op de vraag over de mogelijkheid van levensvormen die zouden kunnen zijn ontstaan in oude meren op Mars, onder de bevroren ijswoestijnen van Europa of misschien zelfs in de methaanmeren die zouden voorkomen op Titan, een maan van Saturnus die op dit moment door het ruimteschip Cassini wordt onderzocht. Dit onderzoek volgde op de dramatische melding in augustus 1996 van mogelijke tekenen van het voorkomen van microbieel leven in het hart van de meteoriet ALH84001, die in de Allan-heuvels van Antarctica werd gevonden. Bij een grote inslag van een asteroïde op Mars schoot ongeveer 15 miljoen jaar geleden ALH84001 de ruimte in, van waaruit hij 13.000 jaar geleden op een ijsveld op Antarctica viel, om in 1984 door de wetenschap te worden gevonden. In 1996 troffen NASA-wetenschappers en anderen diep in het binnenste van de meteoriet organische moleculen en vreemde wormachtige vormen aan die door primitieve micro-organismen leken te zijn gemaakt, wat het eerste harde bewijs zou zijn voor het bestaan van buitenaards leven, hoe primitief ook.5 Wetenschappers van het Johnson Space Center van NASA versterkten de geloofwaardigheid van de ontdekking door in augustus 2002 te verklaren dat circa 25% van de magnetische kristallen in ALH84001 voldoen aan criteria waaraan tot nu toe alleen biologisch gevormde magnetische kristallen hebben voldaan.

Wat betreft Venus hebben wetenschappers van de universiteit van Texas gezocht naar de mogelijkheid van leven in de toppen van de wolken, waarin op 50 km hoogte de temperatuur ongeveer 70 Celsius is bij een druk van ongeveer één atmosfeer. Toen ze een wolkengebied onderzochten met een hoge waterconcentratie, vonden ze tegen verwachting geen koolmonoxide maar wel abnormale concentraties zwavelwaterstof en zwaveldioxide – dat zijn gassen die normaal niet samen worden aangetroffen tenzij ze ergens door worden geproduceerd – en zwavelkoolstof, wat als een ondubbelzinnige aanwijzing voor biologische activiteit wordt gezien. Dit wijst op de mogelijkheid dat microbieel leven langgeleden in oceanen op Venus kan zijn ontstaan toen de planeet koeler was, maar dat zich terugtrok in de wolken toen ze begon op te warmen tot haar huidige oppervlaktetemperaturen. Hoewel zulke ontdekkingen en speculaties over de oorsprong van microbieel leven nog niet in de verte wijzen op zelfbewust intelligent buitenaards leven, hebben ze toch een stevige impuls gegeven aan het werk van wetenschappers, voornamelijk aan het SETI Instituut, waar men al sinds 1960 de hemel afzoekt naar radioboodschappen van technologisch hoogontwikkelde buitenaardse beschavingen – tot op heden zonder resultaat.

De verbazingwekkende wetenschappelijke ontdekkingen van de afgelopen jaren getuigen van zorgvuldig systematisch onderzoek door toegewijde wetenschappers over de hele wereld. Volgens De Mahatma Brieven, die zijn geschreven door de leraren van Blavatsky, hebben adepten van de oude wijsheid sinds onheuglijke tijden eveneens de mysteriën van de natuur onderzocht, hun bevindingen opgetekend en vergeleken met die van hun voorgangers in een eerbiedwaardige variant van de wetenschappelijke methode. Op deze manier hebben ze niet alleen de fysieke wereld bestudeerd maar ook de mysteriën van de innerlijke ruimte. Wanneer zij van hun innerlijke inwijdingsreis door verschillende bewustzijnstoestanden terugkeerden, kenden ze de karakteristieke eigenschappen van het leven op aarde, binnen ons zonnestelsel, en wisten door analogie hoe het leven buiten ons zonnestelsel zou kunnen zijn. Zulk onderzoek onderkent dat het fysieke universum slechts één aspect is van de kosmos die, zoals ieder individu, is opgebouwd uit etherische, mentale en spirituele componenten. Deze verschillende planetaire aspecten, die analoog zijn aan de diverse bewustzijnscentra of monaden in de mens, worden bewoond en gevormd door levende wezens: de wetenschap ‘kan niet zomaar de mogelijkheid ontkennen van het bestaan van werelden binnen werelden, onder omstandigheden die volkomen verschillen van die in onze wereld, noch kan zij ontkennen dat er een zekere beperkte communicatie kan bestaan tussen sommige van die werelden en de onze’ (GL 1:163).

Over het onderzoek van andere werelden door gebruik te maken van bewustzijnstoestanden die verschillen van die van gewone aardse mensen, zei H.P. Blavatsky bovendien:

Zelfs grote adepten . . . kunnen, hoewel ze geoefende zieners zijn, slechts aanspraak maken op grondige bekendheid met de aard en het voorkomen van planeten en hun bewoners die tot ons zonnestelsel behoren. Ze weten dat bijna alle planetaire werelden bewoond zijn, maar hebben alleen toegang – zelfs in de geest – tot die van ons stelsel; en ze zijn zich er ook van bewust hoe moeilijk het is, zelfs voor hen, om zich volledig in verbinding te stellen, al is het slechts met de bewustzijnsgebieden binnen ons stelsel, die echter verschillen van de bewustzijnstoestanden die op onze bol mogelijk zijn . . . Een dergelijke kennis en gemeenschap zijn voor hen mogelijk, omdat ze hebben geleerd hoe ze die bewustzijnsgebieden kunnen binnendringen, die zijn afgesloten voor de waarnemingen van gewone mensen; maar al zouden ze hun kennis overdragen, dan zou de wereld er niet wijzer van worden, omdat ze die ervaring van andere waarnemingsvormen mist, die als enige haar in staat zou stellen te begrijpen wat haar werd medegedeeld.

Toch blijft het een feit dat de meeste planeten, evenals de sterren buiten ons stelsel, bewoond zijn . . .     – De Geheime Leer 2: 697-8

Een van de leraren van HPB schreef in verband met de beperkingen en omvang van dit onderzoek: ‘Al zijn onze grootste adepten en bodhi-sattva’s zelf nooit buiten ons zonnestelsel doorgedrongen . . . toch weten zij van het bestaan van andere soortgelijke zonnestelsels, met een even grote mathematische zekerheid als die waarmee een westers astronoom weet van het bestaan van onzichtbare sterren die hij nooit kan benaderen of onderzoeken’ (De Mahatma Brieven, blz. 150-1).

Over de verscheidenheid van buitenaardse wezens in ons zonnestelsel heeft G. de Purucker gezegd dat:

De bewoners van de andere planeten – planeten die nu bewoond zijn – moeten vormen hebben die nauw verband houden met, en door evolutie zijn aangepast aan hun speciale planeet. Ze zouden inderdaad een grote verscheidenheid tonen en we zouden misschien niet zo gemakkelijk accepteren dat deze wezens intelligentie, gevoel en bewustzijn hebben. Sommige zijn misschien plat, andere bolvormig en weer andere lang; de bewoners van Mercurius lijken misschien nog het meest op ons, terwijl die van Jupiter waarschijnlijk het meest van ons in vorm verschillen. . . . De bewoners van sommige planeten bewegen zich zwevende, terwijl die van andere planeten van onze zonnefamilie zich helemaal niet bewegen: ze zijn statisch, ongeveer zoals de bomen bij ons, en toch zijn het hoogst intelligente, bewuste wezens.

De bewoners van andere planeten zouden ons als monsters voorkomen, eenvoudig omdat ons begrip te zwak is om de geschiedenis van hun evolutie te vatten – en feitelijk begrijpen wij wat dat betreft zelfs de geschiedenis van onze eigen evolutie niet.     – Bron van het Occultisme, blz. 370-1

Als we meer gaan begrijpen over hoe het leven op aarde zich manifesteert – over onszelf, de andere aardbewoners en de planeet als geheel – zullen we ongetwijfeld een dieper inzicht verkrijgen in de aard van de planeten in andere zonnestelsels en beter begrijpen welke vormen het leven in die voor ons vreemde omgevingen kan aannemen. Het cruciale theosofische punt is dat alles in het universum – atomen en deeltjes, planeten en melkwegstelsels – een manifestatie van leven en intelligentie is, hoewel hun bewustzijn en leven zich misschien niet manifesteert in vormen die op dit ogenblik door de wetenschap worden herkend en geaccepteerd.

De Romeinse keizer en filosoof Marcus Aurelius werd eens gevraagd: ‘Waar heeft u ooit de goden gezien, en hoe kunt u zo zeker zijn van hun bestaan?’ Zijn antwoord was: ‘Een ding is zeker, ze zijn volkomen zichtbaar voor het oog.’ Hiermee bedoelde hij dat de sterren en planeten boven ons hoofd de uiterlijke manifestaties van de goden zijn, als we de ogen hebben om hen als zodanig te zien. Wanneer we de volgende keer naar de hemel kijken, kunnen we er misschien eens over nadenken wat de moderne wetenschap langzaam begint te ontdekken en wat de theosofie ons door de eeuwen heen heeft onderwezen: dat wij deel zijn van een glorieus levend heelal. Het gaat er niet om of er al of niet leven is in andere werelden, maar dat ieder van ons zich beschouwt en zich gelukkig prijst als een deel van een onmetelijke levende kosmos.

 

Verwijzingen

  1. In Robert Naeye, ‘Unlocking new worlds’, Astronomy, nov. 2002, blz. 53.
  2. Zie H.P. Blavatsky, De Geheime Leer 2:795-806.
  3. Robert Shapiro, Origins: A Skeptic’s Guide to the Creation of Life in the Universe, 1986.
  4. Joe Alper ‘It Came from Outer Space’, in Astronomy, november 2002, blz. 36-41.
  5. ‘Signs of Past Life on Mars?’ [Tekenen van vroeger leven op Mars?], American Association for the Advancement of Science News Release, 11 augustus 1996; en Leon Jaroff, ‘Life on Mars’, Time, 19 augustus 1996, blz. 76-83.
 
Andere artikelen over sterrenkunde en kosmologie
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2003

© 2003 Theosophical University Press Agency