Het rijk van de wolken
Allan J. Stover

 

Er zijn maar weinig dingen die de illusie van de verschijnselen zo duidelijk illustreren als een studie van de wolken. Ze vormen een van de gewoonste schouwspelen, maar bevatten toch de grootste mysteries.
    We weten allemaal hoe dauw op de grond condenseert. In het geval van mist zakt de temperatuur beneden het dauwpunt, waardoor het teveel aan waterdamp dat door de koele lucht niet langer kan worden vastgehouden condenseert rond ontelbare stofdeeltjes die in de lucht zweven om een wolk of mist te vormen. Deze minuscule deeltjes worden allemaal op dezelfde manier elektrisch geladen en stoten elkaar dus af, en dat is een van de redenen waarom het uit mist nooit regent, hoewel het vocht zich vaak overvloedig verzamelt op de bladeren en de bomen en de grassprieten. Inderdaad gebeurt het condenseren en druppelen onder sommige bomen zo snel dat het er soms wel lijkt te regenen.
    De wetenschap noemt deze landmist ‘stralingsmist’, en verklaart dat deze optreedt als de nacht helder is, er voldoende waterdamp in de lucht is, er een hoog dauwpunt is, en het zachtjes waait. Wanneer de onderste luchtlaag wordt afgekoeld tot beneden het dauwpunt, condenseert deze in een massa zichtbare nevel, die zich lijkt te bewegen en te verspreiden naarmate meer en meer lucht wordt afgekoeld.
    Wanneer het proces van mistvorming eenmaal is begonnen, zet het zich gedurende de uren van de nacht voort, en meer en meer lucht koelt af, en meren en zeeën van mist worden gevormd, vaak honderden meters in omvang.
    Bij het aanbreken van de ochtend warmen de zonnestralen de grond en de onderste luchtlaag op, die het teveel aan waterdamp dan weer kan absorberen, en daarom klaart het op. Hierdoor lijkt het alsof de mist opstijgt. Dan, wanneer de warme lucht begint op te stijgen, wordt meer en meer ruimte vrijgemaakt van mist, totdat uiteindelijk het overblijfsel in fragmenten wordt opgebroken die op de rijzende luchtstromen naar boven worden meegevoerd.
    Als iemand een heuvel beklimt door honderden meters nevel heen, tot aan de zonovergoten top, en op de temperatuur let terwijl hij klimt, dan merkt hij dat de lucht voortdurend kouder wordt naarmate hij hoger komt, totdat, wanneer hij blijft klimmen, de lucht bovenin de zee van mist steeds warmer wordt. Deze hoogte waar de lucht ophoudt koeler te worden, en in plaats daarvan warmer wordt, staat bekend als een inversie, en deze bepaalt het hoogste niveau tot waar de mist opstijgt.
    Degenen die de hogere atmosfeer hebben bestudeerd vertellen ons dat de troposfeer, of het gebied van de stormen en wolken waarin we leven, zich tot ongeveer elf kilometer boven het aardoppervlak uitstrekt. In dit gebied neemt de temperatuur van de lucht gestaag af naarmate men hoger komt, tot zo’n zestig graden Celsius onder nul. Boven de troposfeer ligt de stratosfeer, hierin komen geen wolken meer voor en neemt de temperatuur niet af maar wordt het zelfs warmer als we hoger komen, en wordt op een bepaalde hoogte 400 graden.
    De grens of scheidingszone tussen de troposfeer en de stratosfeer wordt de tropopauze genoemd, en komt op een grotere schaal overeen met de inversie bovenin de mistzee in het klein. We kunnen als we willen onze door mist omringde berghelling beschouwen als een gebiedje dat veel van de karakteristieken van de troposfeer herhaalt, en wanneer we naar de ver weg in de lucht hangende wolken kijken kunnen we weten dat ook zij in dezelfde soort onzichtbare inversies zijn gelokaliseerd, en begrijpen we waarom er zoveel wolken op dezelfde hoogte zweven. Vaak kunnen we in de lucht tegelijk verschillende wolkenlagen zien.
    Op een hete droge zomerdag beklom ik een 1500 meter hoge bergtop in het kustgebied van Oregon, waar ik ’s nachts op de top kampeerde. De volgende morgen viel er een zachte regen, en ik zag dat de top door een wolk was omringd. Er waren glimpen van de door de zon beschenen vallei zichtbaar, terwijl ver weg andere toppen, elk gehuld in zijn eigen vochtgevende wolk, verschenen en zo de keten van het Cascadegebergte over een afstand van ongeveer 250 kilometer markeerden.
    De wind waaide hard en de wolk bestond nog geen twee opeenvolgende minuten uit dezelfde deeltjes. Daarbij moet de lucht boven de bergen en de lucht boven de vlakte evenveel vocht hebben bevat. Soms bewoog de wolk zelfs een klein stukje tegen de wind in.
    De wolk verdween voor korte tijd uit het zichtbare in het onzichtbare; dan 120 kilometer verderop bewoog hij zich weer een kort moment in het zichtbare. En ging dan weer op in het Al.
    Kijk onder elke wolkenkap en je ziet puntige alpendennen, en sparren, varens en mossen die van bergen en nevels houden. ‘Boomrijke eilanden’ hebben sommigen de bergtoppen genoemd, deze gebieden van het noordelijke leven, in een warmer en droger klimaat – leven dat niet zou kunnen bestaan zonder deze boodschappers van de zee, deze ‘engelen van de zee’, zoals John Ruskin de wolken noemde.
    Is het verbazingwekkend dat de Ouden de wind en de wolken verpersoonlijkten en ze beschouwden als afgezanten van goddelijke wezens? Nee, als goddelijke wezens zelf. Vayu, de vedische god van de lucht – de Indra van een latere tijd – met zijn ‘kinderen’, de Maruts, die regen en hagel brengen, en de tornado en de zomerse bries, en de levengevende mist of nevel – engelen zijn ze zeker, die de ‘afgelegen gebieden vreugde brengen’ en de woestijn ‘laat opbloeien als een roos’.
    Laat hen die dat willen, spreken over temperatuur, opstijgende luchtstromen, enz. Maar deze verklaren niet alles, want de natuur is een wonderland vol mysteries waarin de eenvoudigste gebeurtenis vaak het minst wordt begrepen.
    Alle bomen, bloemen, wolken en de regendruppels waaruit ze zijn samengesteld, hebben hun parallellen in de onzichtbare wereld, en wanneer we goed observeren, nadenken en vergelijken, zullen we van de uiterlijke verschijnselen die we de natuur noemen de achterliggende Werkelijkheid leren kennen.

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2003

© 2003 Theosophical University Press Agency